Geplaatst door: 
Verhaal

10 april 1833 - Het dronken drietal

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Vandaag staan de apotheker, de ziekenmoeder en de portier van het hospitaal te Ommerschans voor de Raad van Tucht. Ze zijn op paasmaandag na een uitstapje naar de Vaart dronken terug gekeerd op de Schans.


Als je de inleiding van dit artikel zo leest, dan lijkt het alsof drie beambten van de bedelaarskolonie voor de Raad van Tucht staan. Maar niets is minder waar. Veel bedelaar-kolonisten hebben een bijbaantje. Het mes snijdt aan twee kanten: De kolonie vervult een aantal postities in de organisatie op goedkope wijze en de betreffende kolonist heeft het een stuk beter dan zijn of haar mede-kolonisten die elke dag hard moeten werken in de fabriek of op het land. Maar regelmatig blijkt dat deze bevoorrechte kolonisten niet met hun privileges om kunnen gaan en dan belanden ze voor de Raad. En daar raken ze meestal hun baantje kwijt...

Vergadering van de Raad van Tucht te Ommerschans op den 10 April 1833

Alle de Leeden zijn tegenwoordig uitgenomen den Onderdirecteur Bosscha, die door ongesteldheid is verhinderd.

De President maakt aan de Leeden bekend, dat er hem is ingekoomen eene klagte, tegen C: van der Hoef dienstdoende als Apothecar , G. Zondervan, portier van het Hospitaal en Geertje van der Pol, Ziekemoeder, dewelke op Paaschmaandag onder hun drieën naar de Vaart hadden geweest, en zich aldaar bedronken hadden.
Men laat de drie aangeklaagden tegelijk binnen komen aangezien hunnen overtreeding gelijk is.
De President vraagt hun hoe zijl. zich van hunne gewigtige betrekkingen hebben durven te verwijderen, en in den drank te buiten gaan.
De beklaagden geven ten antwoord dat zijn een Verlofpas van den Geneesheer hebben gehad, om naar de Vaart te mogen gaan, en dat zij wel een borrel hadden gedronken, maar niet beschonken waren geweest.
De beschuldigden treden af, en men gaat over tot deliberatie.
Intusschen blijkt het uit de verklaring van den Sergt. Veldwachter de Bruin, dat zij wel degelijk beschonken zijn geweest.

Door het medelid Steenbeek wordt Docter Anderegg als hoofdzakelijke oorzaak van het voorval in dezen beschouwd, het geen door de overige Leden insgelijks daar voor gehouden wordt, op grond dat er geen dronkenschap zoude hebben plaats gehad indien zijl. geen Verlof pas gehad hadden.
De President vereenigt zich volkomen met dit gevoelen der Leeden, en geeft daar en boven nog te kennen, dat het volstrekt aan geen Geneesheer, onder wat voorwendsel ook, vrij staat om aan kolonisten permissie tot verwijdering van het Gesticht te geven, dat dit alleen door de Directie kan gedaan worden, en die daar van nog niet als in de noodzakelijkste omstandigheden gebruik maakt en dan nog onder geleide, en geeft als verder de Raad te kennen, dat hij niet zal afzijn van den Geneesheer zijne verkeerde handelings ernstig onder het oog te brengen.
Gezien art. 10 van het Reglement van Tucht luidende als volgt:
"Dronkenschap voor de 1e maal zal met opsluiting tot 5 dagen worden gestraft"
Overwegende dat het gevoelen van de Raad aan gaande de verleende verlofpas, als eenigzints gunstig voor de beklaagden kan beschouwd worden en men alzoo eene verzagting in de bepaling der straf zoude kunnen maken.

De President vraagt de mening van elk lid in het bijzonder.
Twee stemmen tot afzetting van hunne bedieningen,
Twee stemmen tot opsluiting voor den tijd van 24 uur benevens afzetting hunner posten
De President vereenigt zich met laatstgenoemde stemmen, en er wordt besloten dat de kolonisten C. van der Hoef, G. Zondervan benevens G. van der Pol respectievelijk worden afgezet van hunnen bedieningen en gecondemneerd tot opsluiting in de strafkamer voor 24 uur.
De beklaagden worden binnen geroepen en de Secretaris leest hun het Vonnis voor, waarna zij wederom aftreden.

Docter Theodorus Anderegg is nog niet zo lang op de Ommerschans. Hij is op 1 juni 1832 aangesteld als opvolger van Andries Landkroon die op 15 maart van dat jaar op de Schans overleed, slechts 23 jaar oud.
In het proefschrift "de gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1819" van Miek Roelfsema, lezen we dat de bestuurders van de Maatschappij niet onverdeeld gelukkig waren met Docter Anderegg. Zo verbruikte hij veel meer medicijnen dan men zou verwachten voor de 1.200 zielen die aan zijn zorg waren toevertrouwd. Dat kwam ondermeer omdat hij er naast zijn officiële baan op de Schans een privé-praktijk voor omwonenden van de Schans op na hield. Maar ook omdat hij de medicinale brandewijn tevens gebruikte om zichzelf moed in te drinken. Ook verweet men hem dat hij te amicaal omging met zijn personeel. De zaak van vandaag laat dat ook zien.

Al we de Post van Weldadigheid mogen geloven dan verzocht docter Anderegg in de zomer van 1833 zelf om ontslag, omdat hem een positie was aangeboden in Aarlanderveen. Waarschijnlijk heeft de Adjunct Directeur hem ernstig geadviseerd om op zoek te gaan naar een nieuwe uitdaging. Dat Anderegg het goed voor had met de kolonisten blijkt uit diverse stukken in de Post van Weldadigheid, waarin kolonisten in het najaar van 1833 om ontslag verzoeken, daarbij verklarende dat hun een betrekking is aangeboden door docter Anderegg of diens echtgenote.
Een soortgelijk verzoek zien we van de vandaag veroordeelde Cornelis van der Hoeff, die in October ontslag vraagt met hetzelfde argument.

Cornelis van der Hoeff

 Cornelis van der Hoeff kent de Ommerschans op zijn duimpje. Hij hoort bij de eerste lichting bewoners van het nieuwe gesticht als hij op 23 april 1823 onder Hoofdelijk Nummer 743 wordt ingeschreven. Hij is op last van de "Regeering der Stad Amsterdam" naar Ommerschans gestuurd, in een convooi onder leiding van politiecommissaris Christiaan Sepp.
Op de Genealogische Kaart van Cornelis van der Hoeff zien we dat hij na ruim drie jaar, op 4 september 1826, ontslag heeft gekregen en dat hij ruim een jaar later, op 24 november 1827 opnieuw is ingeschreven op de Schans.
Op 1 mei 1828 is hij overgeplaatst naar Veenhuizen en op 28 augustus 1832 komt hij terug naar Ommerschans. Vermoedelijk heeft men intussen zijn talenten in de farmacie ontdekt en kan dokter Anderegg hem goed gebruiken in de apotheek op de Schans. Die positie raakt hij vandaag kwijt als gevolg van zijn openlijke dronkenschap. Tot slot zien we dat van der Hoeff het door hem gevraagde ontslag op 28 december 1833 gekregen heeft. Voor zover ik kan nagaan is hij niet terug geweest op de Schans. Maar of dat een goed teken is, dat weet ik niet: ik heb nog geen spoor van hem gevonden.

Govert Zondervan

Van de portier van het hospitaal, de Rotterdammer Govert Zondervan, heb ik nog veel minder gevonden. Om precies te zijn helemaal niets, buiten zijn inschrijving op de Schans onder Hoofdelijk Nummer 1552 en zijn veroordeling vandaag.
Govert is vandaag al ruim 5 jaar op de Schans. Het lukt hem kennelijk niet goed om de 25 gulden oververdienste bij elkaar te sprokkelen, waarmee hij zijn vrijheid terug kan krijgen. Maar het kan ook goed zijn dat hij het prima naar zijn zin heeft, in de schaduw van dokter Anderegg en dienst medicijnkast. We zien in het register dat Zondervan op 24 mei 1834 is ontslagen. Hij heeft dus nog ruim een jaar moeten ploeteren na het vonnis van vandaag. Als U hem wel op het spoor bent gekomen vóór en/of na zijn Ommerschans periode, dan hoor ik graag van U!

Geertje van der Pol

In de voorbereiding op dit verhaal vond ik aanvankelijk ook heel weinig over Geertje van der Pol, totdat mijn oog viel op wat ik het schaduwregister noem. Naast de welbekende inschrijvingsregisters met de signalementen van de bedelaar-kolonisten, is er nog een complete reeks registers uit de tijd van de Maatschappij van Weldadigheid, van 1822 tot 1859. Ik ga er van uit dat dit register op het kantoor van de Permanente Commissie in Den Haag werd bijgehouden. Maar het is ook denkbaar dat dit register juist in Ommerschans lag en het signalementsregister in De Hofstad.
Hoe dan ook: de inhoud van beide registers is 99% gelijk. Maar die 1% verschillen zijn dikwijls de krenten in de pap. Zo ook in het geval van Geertje van der Pol. Eerst het "normale" register:We zien dat ze op 23 augustus 1828 is ingeschreven onder de naam Gerbregt Hansis van der Pol, opgezonden vanuit Schiedam. Op 18 december 1830 krijgt ze haar ontslag. In iets meer dan een jaar heeft ze haar vrijheid verdiend.
Nu kijken we in het schaduwregister:
Dit register is engszins chaotisch van opzet, maar er staat bij bij Gerbrigt Hanses van der Pol een duidelijke opmerking: zij is de vrouw van L.G. Zijl.

Met die aanvullende informatie lukt het me haar doopceel te lichten: Gerbregt is geboren te Sneek op 6 april 1789. Twee jaar eerder dus dan in het register staat, maar dit soort fouten zijn aan de orde van de dag. Bij de doop van haar oudere zuster Christina in Harlingen (1783) zien we dat haar moeder afkomstig is uit Denemarken.
Gerbregt is op 27 grasmaand (april) 1810 in Amsterdam in ondertrouw gegaan met schippersknecht Lammert Gijsbertse Zijl, afkomstig te Bunschoten. Gerbregt's ouders wonen dan in Lemmer, waar het huwelijk wordt bevestigd op 13 mei 1810.Uit het huwelijk heb ik 1 kind gevonden, zoon Marten, die op 8 februari 1811 te Lemmer wordt geboren, keurig negen maanden na voltrekking van het huwelijk.

Wat er precies is mis gegaan met Gerbregt is me niet duidelijk, maar in 1828 wordt zij ingeschreven in Ommerschans, opgezonden uit Schiedam, terwijl haar man en haar zoon vrij kunnen gaan en staan. Op 18 december 1830 wordt ze ontslagen, maar op 14 augustus 1831 wordt ze opnieuw ingeschreven, opgebracht vanuit Arnhem. Het is aannemelijk dat ze haar man, die beurtschipper is, in de tussentijd niet heeft gezien. Terug op de Schans krijgt ze haar privilege als ziekenmoeder in het hospitaal. Die baan eindigt vandaag, 10 april 1833 na de dolle tweede paasdag. Voor Gerbrigt, die nu onder de naam Geertje staat ingeschreven, is dit letterlijk het einde. Want na haar straf van 24 uur opsluiting wordt ze op 17 april 1833 naar Veenhuizen gebracht. Daar is ze op 25 mei 1833, dus amper 5 weken na aankomst, overleden in het Tweede Gesticht, het tegenwoordige gevangenismuseum.

In veel gevallen zie ik dat de familie van in Ommerschans of Veenhuizen overleden kolonisten geen idee hebben van waar hun naaste is gebleven. Als er dan een kind trouwt dan lees je in de huwelijksacte dat de woon- en verblijfplaats van vader of moeder onbekend zijn. In dit geval weet de familie het wel, want als zoon Marten op 15 november 1837 te Amsterdam huwt, dan vinden we in de huwelijksbijlagen ondermeer een kopie van het overlijden van Gerbrigje in Veenhuizen.
Allereerst het bewijs van de Nationale Militie, waarin we zien dat Marten wegens lichaamsgebreken is vrijgesteld van dienst. Bij de bijzondere kenmerken lezen we dat hij een vlak op het regter oog heeft.
En dan de kopie van de overlijdensacte.
Ik heb van Marten Zijl en zijn vrouw Lammigje Leggers twee kinderen gevonden, beide gehuwd. Vermoedelijk is er geen levend nageslacht van Gerbrigt.

Haar echtgenoot, Lammert Gijsberts Zijl, hertrouwt in 1838 met de 40-jarige Aggeniet Heijman. Ondanks haar gevordere jaren schenkt zij nog het leven aan twee kinderen die beide volwassen worden en trouwen. Zo ligt er wellicht toch nog een levenslijn tussen de veroordeling, vandaag in 1833, en het heden in de 21e eeuw.

 

De afbeelding boven dit artikel is het schilderij "de Säufer" (1804) van Georg Emanuel Opiz (bron: Wikipedia Commons)

Reacties