Geplaatst door: 
Verhaal

12 januari 1819 - De conceptie van de kolonie Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Twee mannen met visie ontmoeten elkaar in de eerste dagen van 1819 in een herberg tussen Zwolle en Meppel. Willem Jan van Dedem en Johannes van den Bosch. Het gevolg van deze ontmoeting: de kolonie Ommerschans. 


Willem Jan van Dedem tot den Berg (Zwolle 1776) groeide op op huize "Den Berg" bij Dalfsen. Hij studeerde rechten en ging in 1802 als advocaat aan de slag. In dat jaar touwde hij met Judith van Marle, dochter van Gerrit Willem van Marle, voormalig burgemeester van Zwolle, die drie jaar eerder was overleden in de nasleep van de Bataafsche Revolutie. Beide families, van Dedem en van Marle, hadden veel aandelen in de Marken ten oosten van Nieuwleusen: gemeenschappelijke gronden die ooit toebehoorden aan de boeren die er woonden, maar die hun aandelen van lieverlee hadden verzilverd bij een kleine groep grootgrondbezitters.

Gerrit Willem van Marle had aan het eind van de 18e eeuw al gepoogd om het veen te exploiteren. Daartoe wilde hij een kanaal aan leggen van de Ligtmis naar Avereest. Maar in deze plannen werd hij gedwarsboomd door andersgezinde Zwollenaren.
Willem Jan van Dedem pakte de plannen van van Marle weer op en door een combinatie van politiek vernuft en goed geluk kreeg hij in 1809 de toestemming van Koning Lodewijk Napoleon om de Vaart aan te leggen. Napoleon moest kort daarna het veld ruimen, maar het besluit werd nimmer herroepen en zo kon Van Dedem aan de slag. Hij verzamelde als de wiedeweerga een aandelenkapitaal en in 1811 was de Vaart gereed tot aan de venen, even ten oosten van de oude Ommerschans. Daarop kon de vervening van start gaan.

We zijn nu acht jaren verder. De vervening is in volle gang. Er ontstaat een geraffineerd patroon van kanalen en wijken, waarmee het hoogveen, op sommige plaatsen 4 meter dik, wordt ontwaterd. Daarna kan het turfsteken beginnen: seizoenswerk, want turven moeten drogen en daarna van het land worden gehaald (of droog opgeborgen) voordat de vorst intreedt.

En dan komt Johannes van den Bosch in beeld. Van Dedem moet in 1818 zeker van de Maatschappij van Weldadigheid hebben gehoord: het hele land sprak er van. En nu was die van den Bosch op zoek naar een lokatie voor een nieuwe kolonie, waar -in tegenstelling tot de vrije kolonie Frederiksoord- mensen in een "etablissement", een gesticht, zouden worden gehuisvest, om overdag de landerijen rond het etablissement te bewerken, of andere werkzaamheden uit te voeren. Zijn doelgroep waren de mensen die niet in staat waren een eigen huishouden overeind te houden, en mensen die geen huishouden hadden: de loslopende bedelaars.

Het is niet duidelijk hoe van den Bosch geattendeert is op die oude Ommerschans, ooit een prachtig bolwerk, de laatste 80 jaar gebruikt als "lands magazijn"; opslag van munitie en sinds een aantal jaren in onbruik geraakt. De soldaten waren er al lang vertrokken. Alleen woonde er nog de weduwe van de laatste commandant, met haar complexe gezin.

Een paar dagen geleden hebben de twee pioniers elkaar voor het eerst recht in de ogen gekeken. De 32-jarige Willem Jan van Dedem en de 28-jarige Johannes van den Bosch. Zag Van Dedem een direct belang bij het stichten van de kolonie, of handelde hij op basis van zijn onderbuikgevoel: dit is goed!

In de het archief van de Maatschappij van Weldadigheid vinden we de volgende brief van Willem Jan van Dedem, vandaag geschreven, 12 januari 1819.
Zwolle, den 12. januari 1819

Wel Edelgeboren Gestrenge Heer!

Nadat ik onlangs de eer en het genoegen mogt hebben UWEgbgestr aan mijn vaart bij de ligtmis te ontmoeten en UWEgebgest kennis te maken, neem ik thans de vrijheid, ten gevolge onder gemaakte afspraak, UWEgebgestr omtrent het etablisseren eener colonie in de velden en veenen gelegen rondom het gewesen fort de ommerschans genaamt, (onder submissie aan meer verligt oordeel) als mijne opinie mede te deelen, dat mij de localiteit en natuur der gronden in die ommestreken ter bereiking van een zo heilzaam doel als is het onderhavige, waardoor aan den eenen kant den minvermogende eenen nuttigen handarbeid word verschaft, terwijl daar en tegen door het cultiveren en bebouwen der woeste gronden, de daardoor toenemende bevolking, den Staat geene mindere bronnen van welvaart worden aangebragt, overtuijgd dat UWEgebgestr in deezen met mij eenstemmig denkt, zo behoeft deese waarheid geen verdere betoging. Het aldaar aanwesig kanaal, aangelegt ten dienste van vaartuijgen meer dan 18 voet wijd en 5 v. diepgaande en welks bevaarbaarheid in den verlopen nejaare volkomen is bewesen doordien er niet tegenstaande alle droogte waardoor de meeste rivieren en kanalen
kanalen in onze streken onbevaarbaar waren, wij steeds 3 1/2 to 4 v. hebben kunnen afvoeren, voorzeker een onberekenbaar voordeel voor ale aangelanden, doet mij den aanleg van een colonie als bijsonder geschikt voorkomen, terwijl de goedgunstige concessie van onzen geeerbiedigden konink tot den opbouw van een R.C. kerk en pastorij, waardoor aan de leden dier gezindheid mede de gelegenheid word gegeven in de voordelen van zulk een nuttig en dienstig etablissement te kunnen deelen een meerdere reden tot het kiesen van dit terrein oplevert.

Een Katholieke Kerk

We zien dat van Dedem alles uit de kast haalt om de infrastructuur rond de Schans aan te prijzen. Hij had er de afgelopen jaren zelf enorm veel problemen mee gehad dat er geen katholieke kerk op loopafstand van zijn veencolonie te vinden was. Voor het steken van de turf was van Dedem aangewezen op seizoensarbeiders. Die waren er in potentie in grote hoeveelheden te vinden in het overbevolkte Westfalen, maar deze mannen waren overwegend katholiek. De plaatselijke pastoors wilden hun jonge mannen niet naar streken laten vertrekken waar ze niet netjes elke zondag naar de heilige mis zouden kunnen gaan. Daarom vroeg en kreeg Van Dedem toestemming aan de Koning om een R.C. kerk te stichten. Die kerk is in 1820 in gebruik gesteld. Van Dedem liep dus met deze aanprijzing aan Van den Bosch ruim voor de muziek uit: het kenmerk van de ondernemer.

We vervolgen de brief.

Uit de hier nevens gevoegden figuratieve terreinkaart zal UWEgebgestr gelieven op te merken hoe dienstig dit kanaal niet zoude zijn voor den aanvoer van allerleij bouwmaterialen en den afvoer van producten, zo men steld, dat het gewesen fort de ommerschans, in deszelfs wallen en gragten gelegen met de sig daarop bevindende gebouwen een eijgendom van den staat uitmakende, tot het centrum der colonie diende, en de zelve zig ten Noorden tot aan de vaart ruim 300 R. uitbreide, en ten Westen een distantie p m van 700 R. tot daar waar  die van Ommen een kanaal hebben geprojecteerd, extendeerde  en men er ten zuijden een gedeelte grond van die van Ommen bijvoegde, zijnde meestal groengrond en dadelijk geschikt ter voeding van eenig vee, en welke gronden spoedig voor groote amehoratien vatbaar zijn dog waaraan onderzelver verre afstand van deszelfs eijgenaren, zijnde min. 1 1/2 uur gaans, thans niet kan worden gedagt, en Wanneer, zo men mogt verkiesen de colonie ten Oosten uit te breiden en er nog meerder veld
en Hooge veenen aan te kopen zo bied sig daartoe mede de gelegenheid aan, blijkens een hoekjen reeds besneden bovenveen ter diepte van p.m. 6 voeten waarinde wijken ook aanwesig zijn en uit den vaart aangelegd, alstesien op de kaart Sub. A en nog een dito hoek sub. B genoteerd groot om de 60 a 70 morgens mede dadelijk ter vergraving geschikt gelegen ter oosten der vaart tusschen den wijk of vaart na Schotkamp en de hooftwijk van Arrien ten zuijden welke gronden aan de eijgenaren der vaart gehoren zo als anderen daar ook nog veenen hebben leggen. Indien UWEgebgestr bij eene oculaire inspectie deese localiteit nader mogt verkiesen optenemen zal het mijn (daarvan verwittigt) tot een eer en genoegen verstrekken UWEgebgestr aldaar te mogen recipieren zoals ik de vrijheid neem mijn persoon aan te bieden indien ik in staat mogt zijn UWEgebgestr deese of geene eluardatie te geven of van eenigen dienst te zijn terwijl ik inmiddels de eer hebbe mij met de meeste hoogagting te noemen.

UWEgebgestr geh en De u Dienaar W.J. van Dedem tot den Berg

P.S. Ik hoop UWEgebgestr uit dit terrein kaartjen zal kunnen komen het is slegts figuratief waarom hebbe opgetekend dat de geprojecteerde ommervaart 700 Rijnl.V van de Schans legt dat uit gebrek aan plaats wat nabij getrokken is, ook is het arrier veen en veld ten oosten der Schans  zeer voor de cultuur geschikt, nagenoeg gaande tot de lijn gen staat met C zijnde de scheid van Ommen en Arrien op dit kaartje genoteerd, de wijken in het blok B zijn reeds alle bevaarbaar dog uit gebrek aan plaats slegts gelinieerd en in de andere Arrier veenen zijn reeds meer wijken die egter niet gemerkeert staan. excuseer s.v.p. dit broeullon.
Van Dedem verontschuldigt zich uitvoerig over de onjuistheden op zijn kaart. Dat neemt niet weg dat we de contouren van 1819 nog duidelijk in het huidige landschap herkennen.
Door de gebieden, gemerkt met A en B, aan te prijzen hoopt van Dedem ongetwijfeld de kolonie "zijn terrein" in te trekken. Deze gronden behoorden oorspronkelijk tot de marke van Oosterhuis en waren overwegend bezit van de familie van Marle. Van Marle's overgrootvader, de Zwolse burgemeester Gerrit Willem Golts, is aan het begin van de 18e eeuw in het geel omcircelde gebied begonnen met de ontginning van het veen en het stichten van een aantal keuterboerderijen. Deze onderneming is goed te herkennen aan het regelmatige wegenpatroon.

De uiteindelijke kolonie de Ommerschans beslaat het rood gekleurde gebied. Op het voorstel van Van Dedem is Van den Bosch dus niet ingegaan. Daarin speelde wellicht ook mee dat de liefde tussen de twee ondernemers al snel bekoelde. Want toen de knoop was doorgehakt en de Ommerschans in 1819 in gebruik werd genomen door de Maatschappij van Weldadigheid, moest Van den Bosch met Van Dedem in onderhandeling over de aankoop van gronden ten westen van de Schans. En daarin voelde van den Bosch zich regelmatig bedrogen als Van Dedem -als het puntje bij het paaltje kwam- meer geld wilde hebben dat wat de heren eerder mondeling waren overeen gekomen...

Ik besluit het verhaal met een tweetal krantenberichten waarin de geboorte van de kolonie wereldkundig wordt gemaakt.
Wilt U meer weten over de eerste dagen en jaren van de kolonie Ommerschans? Lees dan "de Bedelaarskolonie" van schrijver Wil Schackmann.

Reacties