Geplaatst door: 
Verhaal

12 oktober 1821 - Van de Doggersbank naar de Strafbank

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Johannes Bosch was de eerste Amsterdammer in de proefkolonie Frederiksoord, en ook de oudste. Deze veteraan-marinier van de Slag bij de Doggersbank (5 augustus 1781) speelt een bedenkelijke hoofdrol in het boek "de proefkolonie'. Vandaag is zijn kleinzoon Barend Dumersie de eerste kolonist die te Ommerschans overlijdt, in de voormalige kazerne van het fort Ommerschans.

12 oktober 1821. Iets meer dan 3 jaar geleden startte de bouw van "de colonie Westerbeeksloot", die korte tijd later de naam Frederiks Oord zou krijgen.
Waar voor mijn generatie de actie "open het Dorp" in 1962 een begrip is, moet de impact van het initiatief van Johannes van den Bosch in 1818 voor Nederland in de 19e eeuw minstens zo groot zijn geweest. Van den Bosch liet het niet bij één dorp, hij bouwde op de grens van Drenthe, Friesland en Overijssel het ene dorp na het andere. En toen hij al snel merkte dat zijn bewoners van de "vrije" koloniën zich niet allemaal aan de regels hielden, en dat het arrestantenverblijf in Frederiksoord al snel veel te klein was, voegde hij in 1819 de Ommerschans toe aan zijn project. Hoofddoel: het bouwen van een groot gesticht waar 1.000 loslopende bedelaars zouden worden heropgevoed tot nette burgers. Maar van meet af aan was een tweede belangrijke doel: een correctioneel gesticht voor de bewoners van de vrije koloniën. 

In afwachting van de Koninklijke goedkeuring voor de bouw van het bedelaarsgesticht werd in 1820 de voormalige kazerne op het binnenterrein van de Schans alvast ingericht tot Strafkolonie. En in het najaar van 1820 werden de eerste gestraften vanuit Frederiksoord naar de Ommerschans gebracht.


Op deze kaart, door geschiedschrijver Jacob Drent vervaardigt naar een originele kaart uit 1815, is de kazerne aangegeven onder A. Dit gebouw is in 1820 geschikt gemaakt voor het onderbrengen van de eerste strafkolonisten.

Johannes Bosch


Onder de eerste lichting bewoners van "het dorp" Frederiks Oord -aangekomen in het najaar van 1818- is het gezin van Johannes Bosch, geselecteerd door de subcommissie Amsterdam van de Maatschappij van Weldadigheid.

Dat de briefschrijver de plaats Raalte -geboorteplaats van Johannes Bosch- in "het landschap Drenthe" plaatst dat moeten we 'm maar vergeven. Gebrek aan geografische kennis is van alle tijden. Interessant is de vermelding dat Johannes deel nam aan de Slag bij de Doggersbank op 5 augustus 1781. Deze zeeslag vond plaats tijdens de 4e Engels-Nederlandse oorlog, die in 1780 uitbrak nadat Nederland in 1776 de Verenigde Staten van Amerika erkende als zelfstandige staat. Deze zeeslag eindigde feitelijk onbeslist, met aan beide zijden grote verliezen (140 doden en 400 gewonden aan de Nederlandse zijde). Maar in Nederland werd "het onbeslist" als uitkomst van deze zeeslag groot gevierd als overwinning. De zeelieden die terugkwamen werden als helden binnen gehaald en de Slag werd nog jaren later herdacht. Geen wonder dat Johannes Bosch zijn aanwezigheid tijdens deze slag de rest van zijn leven trots met zich mee droeg.

Johannes Bosch is al 64 jaar als hij aan deze nieuwe uitdaging begint. De subcomissie beveelt hem aan voor een positie als opzichter of onderdirecteur. Laat dit verhaal voor U een goede aanleiding zijn om "de proefkolonie" van Wil Schackmann er nog eens op na te lezen. Dan wordt in elk geval duidelijk waarom de subcomissie deze aanbeveling doet. Want Johannes Bosch heeft praatjes genoeg. Overal een mening over die hij op alle mogelijke manieren ventileert.

In de aanbevelingsbrief zien we dat een schoonzoon -Wouter Jacob Peem- en een zwangere dochter tot het huisgezin behoren. Als de familie Bosch op 1 november 1818 haar intrek neemt in Frederiksoord in de juist opgeleverde woning, dan komen inderdaad een zwangere dochter en schoonzoon mee. Maar als die dochter op 17 december 1818 bevalt van een zoon, blijkt de vader niet Wouter Peem te heten, maar Jacobus Dumersie.

We zien dat schoonvader Johannes Bosch en zwager Barend Bosch bij de aangifte aanwezig zijn als getuige. Wat is er gebeurd? In plaats van dochter Luberta is dochter Hendrica met haar man meegekomen uit Amsterdam. Wouter Peem en zijn vrouw zitten intussen in Wouter's geboorteplaats Harlingen, waar hun zoon Johannes 3 weken later geboren wordt. Vlak na de bevalling komt het stel naar Frederiksoord met hun pasgeborene. Dat blijkt ondermeer op 28 februari 1819 als de zwagers Wouter Peem en Barend Bosch aangifte doen van het overlijden van de jonggeborene.


Een paar weken later overlijdt ook de kleine Johannes Barend Dumercie. Dat blijkt uit diverse brieven in de Post van Weldadigheid. Echter, dit overlijden heb ik in de Burgerlijke Stand van Vledder niet kunnen vinden. Het zou buitengewoon opmerkelijk zijn als deze aangifte binnen de bureaucratische context van de Maatschappij van Weldadigheid daadwerkelijk niet heeft plaatsgevonden. 

Als Johannes Bosch later onder vuur komt te liggen dan schrijft hij -zoals we verderop in dit verhaal zullen zien- ondermeer over het overlijden van zijn kleinzoon, 15 weken oud. Hij is van mening dat het overlijden het gevolg is van het gebrek aan goede voeding voor de kleine.

Intussen worden Wouter Peen en zijn vrouw weggestuurd van Veenhuizen. Zij vallen buiten het contract met Amsterdam. Ze reizen terug naar Harlingen. De subcommissie van de Maatschappij aldaar draagt hen vervolgens weer voor, zodat ze korte tijd later in Kolonie III, Willemsoord, worden ingeschreven.

In "de Proefkolonie" komen we Johannes Bosch en zijn gezin in 1819 en 1820 regelmatig tegen. Er is gedoe over het eten, over de beloning, over het werk, over verdwenen inventaris van de woning en uiteindelijk over bezoekers van buiten de kolonie, aan wie Johannes Bosch graag in geuren en kleuren uitlegt wat de misstanden in de kolonie zijn. De onderdirecteur van Frederiksoord, Benjamin van den Bosch, broer van directeur Johannes van den Bosch, heeft er zijn handen vol aan (en zijn buik vol van).

In maart 1820 wordt Johannes Bosch opnieuw grootvader van kleinzoon Barend Dumercie.


En in het najaar komt het volgende kleinkind, van ongehuwde dochter Aleida. Zij is zwanger van kolonistenzoon Albert Klaver, die graag met Aleida wil trouwen. Hij doet zelf aangifte van het kind en presenteert zich op het gemeentehuis te Vledder als aanstaande echtgenoot van de moeder. Aanstaande schoonvader Johannes Bosch is ook weer van de partij.


Albert Klaver krijgt echter geen toestemming om te trouwen: hij moet in militaire dienst.

Als de strafkolonie op Ommerschans in het najaar van 1820 gereed is, wordt er druk gedelibereerd of het gezin Bosch naar de Schans kan worden overgebracht. Maar de Permanente Commissie wil daar vooralsnog niets van weten, omdat dat mogelijk een slechte pers oplevert. Dat wordt anders in het voorjaar van 1821 als de vrouw van Johannes Bosch overlijdt. 

We zien dat ook nu Johannes Bosch zelf aangifte doet, samen met zijn schoonzoon. Hij was duidelijk de man die in alle situaties zelf de touwtjes in handen wilde hebben.

Maar... wat gebeurt... Na de begrafenis in Vledder wil Johannes zijn dochter Luberta terug brengen naar Willemsoord, waar zij inmiddels met haar man Wouter Peen woont. Zij is een jaar eerder in Harlingen bevallen van zoon Jacob en zij heeft het kind vandaag meegenomen naar de begrafenis. Maar de afstand is groot en Johannes besluit mee te gaan met de twee, zodat hij zich over z'n kleinzoon kan ontfermen. Onderweg komen ze onderdirecteur Benjamin van den Bosch tegen, die z'n kans schoon ziet, de ongeoorloofde wandeling uitlegt als desertie en Johannes laat oppakken. Daarop wordt korte metten gemaakt en wordt het gezin Bosch naar de Ommerschans gebracht. Het is het eerste gezin dat op de strafkolonie wordt ingeschreven.

De strafkolonie


Het is vandaag 12 oktober 1821. De familie Bosch verblijft nu ruim een half jaar in de strafkolonie op de Schans. En het gaat niet goed, want kleinzoon Barend Dumersie is vanochtend om 8 uur overleden.

Grootvader Johannes Bosch mag niet mee naar Ommen om aangifte van het overlijden te doen. Het zijn de hoofdopzichter Ignatius Seijl -die het spel der zweep zo meesterlijk beheerst- en de gestichtskok Hendrik Lodewijk Rieken die de aangifte verzorgen. De ellende grijpt Johannes Bosch weer eens naar de keel en hij schrijft op 21 oktober een lange brief aan den Baron van Boetselaar, president Burgemeester der stad Amsterdam of bij deszelfs absentie aan den Excellentie den Grave van Stierum, commandeerende het Garznizone der stad bij de Vijzelstraat, bijde op de Keizers of Herengracht of mede bij deszelfs absentie aan den residerend burgemeester. De wanhoop spat van de enveloppe af...

Ik waarschuw maar vast: de brief uit deze enveloppe, die natuurlijk heel snel bij de Permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid werd afgeleverd, heeft 8 kantjes. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen die hier niet integraal weer te geven. U kunt hier de brief overslaan!

Nadat deze brief boven water kwam, heeft onderdirecteur Fenner een stevig gesprek gevoerd met Johannes Bosch.
Wil Schackmann stelde de transcriptie van het verslag van dat gesprek ter beschikking. Ik geef het hieronder integraal weer.

Gisteren den 11 (december 1821) dezer heb ik J: Bosch bij mij doen koomen, Seijl en mijne dogter uit de kaamer verweitert, en mij met hem alleen onderhouden - hij is listig - dus was mijne eerste vraag

Vraag 1)         Ik heb een brief ontfangen van den Opper-Directeur, darin die Heer mij zijnen onwillen bemerken laad, als of ik niet punktlijk mijne plicht waarnam, niets weed in dat ik misdaan heb, of het moeste buiten mijn weeten een of de ander brieve schrij­ven of geschreven hebben en daaromtrend heb ik u in ver­dagt: het is zeer onaangenaam verweitingen van zijne supe­rieuren te bekoomen. Zegd mij hebt gij ook misschien zoo iets gedaan.

Antwoord       O neen, mijn Heer, ik weed dat ik dat niet doen darf en hoe zulde ik dat onderneemen durfen.

Vraag  2)        Gij weed wel en hebt ondervindig darvan, dat ik mij aan het woordje ja of neen weinig stoore, ik gaa op den grond van den zaak - en ieder een doet wel anstonds zijne schuld te bekennen; als niet. Hebt gij het gedaan! dan zegd het, ik schreif anders aan den Direkteur en wil dien Heer verzoeken mij te schreiven waar mijn misbedreif in bestaad, en koomd het zal; dus nu de waarheid gezegd; daarvoor zalt gij mij uit den droom helpen, en beletten buitengewoone maatre­gels in t werk te stellen, om achter de zaak te koomen.

Antwoord       Bosch zweigd een weinig stil zich bedenkende en spreekt - Ja mijn Heer, ik wil het u zeggen, ik heb geschreven naar Amsterdam.

Vraag 3)        Aan wien hebt gij geschreven.

Antwoord      Aan den Heer van Meurs.

Vraag 4)        Wie heefd u den brief bezorgd.

Antwoord      Eene arbeidsvrouw, die hier gewerkt heeft, die heefd mij de brief met naar Amsterdam genoomen.

Vraag 5)        Hoe heefd gij kennis met de vrouw gekregen.

Antwoord      Zij heefd gehoord, dat ik uit Amsterdam was, en daar is zij bij mij gekoomen, en heefd mij beloofd eenen brief met derwaarts te nee­men.

Vraag 6)        En waar hebt gij het papier bekoomen.

Antwoord      Dat heb ik van u ontfangen.

Vraag 7)       Wad zegt gij! van mij, gij hebt tot briefschreiven nooid geen papier van mij ontfangen.

Antwoord    Ja, ik heb wel papier van u ontfangen.

Vraag 8)      Het is waar gij hebt van mij een fel papier ontfangen darvan dat boekje gemaakt is, darin het spinnewerk wekelijks van u en den jongens moest opgeteekend worden.

Antwoord     Ja mijn Heer, dat is ook zoo, nu ik heb het papier noch gehad.

Vraag 9)       Nu dat is zoo, ik ben te vreden, dat gij mij het gezegd hebt, ik ben in de zaak onschuldig, wat mij weten aangaad, maar gij doet niet wel, dat gij mij verdriet aandoet, dat mij doch natuurlijk overkoomen moet, als ik over zulke zaaken verweiten bekoome wegens mijner onacht­zaamheid: ik zie gij bend koud, kom bij de kachel.

And:           Is het mij permiteerd, dan zal ik mij warmen, het vriest mij.

Vraag 10)    Ik hoop niet dat gij iets over mij geschreven hebt, dat mij tot nadeel wezen kan, ten minsten dartoe zijn geene reden, evenwel kan men een mensch ook leugenagtig belasteren, doch daarvoor ziek ik u niet an.

Antwood     Neen mijn Heer over u heb ik niets geschreven, ik begreip dat wat gij gedaan hebt, hebt gij doen moeten.

Vraag 11)    Nu als gij zoo denkt, dan denkt gij braaf. Zie daar is een stoel zet u bij de kachel, het staan zal u lastig vallen.

Antwood      Als het veroorloofd is, zal ik dat doen.

Vraag 12)    Maar Bosch gij zuld doch wel zoo voorzigtig zijn niets te schrijven, of het moet waar zijn.

Antwoord    Neen mijn Heer, alles wat ik geschreven heb is waar, en ik heb daropgewerkt, dat mijne zaak direkt voor de P.K. zal koomen.

Vraag 13)    Maar wat zal u dat helpen, zonder beweizen, het is just mijne zaak niet, mij in eene zaak te misschen die mij niet aangaad, ik had voor beter gehouden dat gij u aan den Heer Generaal had adresseerd, en goede woorde gegeven, daar zoude gij beter bij gevaaren zijn.

Antwoord    Dat heb ik gedaan, voor dat ik hier gekoomen ben, maar geen gehoor bekoomen.

Vraag 14)     Maar als gije zaak nu onderzogd zijnde, en niet voor goed bevon­den wordt, dan heefd gij het zelfde te verwagten.

Antwoord     Mijne zaaken zijn zoo zuiver als God de zon aan den hemel scheij­nen laat, en als ik dan hier op niet gehoort worde, dan komd mijne zaak voor den Koning.

Vraag 15)    Wat voor den Koning! ik begreip dat de Koning zich weinig om zulke beuselarijen bemoeijen zal.

Antwoord    Dat moet u niet gelooven, dat het baggetellen zijn, daar is een Heer die heeft het aangenoomen, mijne zaak voor den Koning te brengen, als ik hierop geen gehoor bekoom.

Vraag 16)    Ik moet zeggen, dat gij noch verscheiden Heeren kend, en als die u alle helpen willen, dan kan het niet missen, maar woond die Heer ook in Amsterdam, en ken ik hem ook misschien van naam.

Antwoord    Misschien kend gij hem, maar hij woond niet in Amsterdam, hij woond in Doesborg.

Vraag 17)    A! in Doesborg, daar ken ik noch verscheidene goede menschen, daaromtrend heb ik gewoond, dus kan het wel zijn, dat ik den Heer kenne.

Antwoord    Nu mijn Heer het is de Heer Ketjes, dat is de Heer, die het als alles verlooren is, voor den Koning dacht te brengen, en bezorgen zal, dat ik voor een onpartijdig gericht teregd zal gesteld worden, ik hoef daaromtrend niets meer te schreijven, dat angaande is alles reets bezorgd.

Vraag 18)     Dus hebt gij meer als eenen brief geschreven.

Antwoord     Neen dit heb ik niet van hier gezonden, maar dat heefd mijn zoon, die in Amsterdam woond, van Frederiksoort reets mede genoomen, bij die papieren is het geheele dagverhaal, en bereekening, kortge­zegd alle papieren, die noodig zijn, als ik voor een onpartijdig gericht gevonnist worden zal.

Vraag 19)    Maar gije zoon in Amsterdam, heb ik gehoort, dat hij voor 2 a 3 maanden overleeden is, en kan dus in de zaak niets doen.

Antwoord    Dat is waar, maar zijne vrouw leefd noch, en kan zooveel doen als, evenwel zij heefd niets meer noodig te doen, die papieren zijn lang voor den dood van mijn zoon in handen, daar zij niet zullen uitge­haald worden.

Vraag 20)    Nu dan hebt gij noch meer zulke vrienden, die voor u werken, ik kan mij van zoo vee grooten mannen als vrienden niet beroemen. Woond die Heer die de papieren in handen heefd ook in Amsterdam.

Antwoord    Dat kan ik niet zeggen, zijn naam is mijn onbekent.

Vraag 21)    Maar als gij daar reets die papieren zoo lang leggen gehad heefd, dan verwondert het mij, dat die zaak, niet al lang voor de Koning is.

Antwoord    Dat kan niet geschieden, voor en al dat die zaak, door de P.K. van de hand is geweezen, als dan kan het eerst voor den Koning komen.

Vraag 22)    De zaak van u is mijn zoo duister, dat ik niet weis daruit worden kan, ik mogd dog eigenlijk weeten, wat gij te klagen hebt.

Antwoord    Ik zal het u vertellen, en dan zult gij zien, hoe men mij behandelt heefd - Hierop verhaalt hij de zaak just zoo als die artikels luiden, die door mij toegezonden zijn.

Hij wierd op t laast hij dit verhaal zo driftig, dat hij opstond en zeijde ik ben een oud man, mijne vrouw is door gebrek aan voedzel gestor­ven, mijn lichaam hebben zij zoover gebracht, dat ik maar noch een geraamde ben, en op den rand van het graf staa, maar mijner ziel zal God genaadig weezen, en de waarheid, zoo niet bij mijn leven dan maar mijner dood zal blinken als de zon, en die vervloekte knevelarij van den ond. Direk. zal vroeg of laad aan den dag koomen. Hij begon eindelijk zoo driftig te worden, en zaaken te herhaalen, die minder of meer op de voornoemden artikels neerkoomen, dat ik genoodzaakt wierde hem te zeggen, stil te zijn, ik wilde niets meer van de zaak hooren.

Ik kwam op mijne eerste vrage terug, wegens bezorging van den briefen, en waar het papier van dan gekoomen waar, maar kond niets meer van hem ontwaar worden, en lied hem weder naar zijn kamer brengen.

Eenige uuren darna schiet mij ten binnen, dat ik meerder van de Heer Ketje te Doesborg weten moeste, nam dus de sleutels en ging bij hem in de kamer, vragende hem of hem ook zijn behoorig eten, trinken en slaapstee bezorgd wierde, bij dezer gelegendheid zegde ik tot hem dat ik in Doesberg een goeden vriend gehad hadde, dat een officier geweest was, en daar hadde ik lange niets van gehoort, of dat misschien de Heer mogd zijn, die zijne zaak bezorgen zulde.

And:      Mijn Heer van die Ketjes zijn verscheidene, maar ik ken hem eigenlijk niet, mijne andere vrienden hebben dezen Heer verzogd en hij heefd het angenomen om te doen.

Maar Mijn Heer! naar die tijd dat ik bij u geweest bin, en weder hier gekoomen, is mij een licht opgegaan en begreip dat ik onnozel gedaan heb, met u zoveel over mijne zaak te spreken, ik gevoel hoe de zaak zit, gij bend een bediente van der Maadschappij, en hebt reets geweeten dat ik een brief geschreven heb, ook misschien alles wad dar instaad, en dus gij wildet meerder van mij weeten, maar God dank alles wad ik gezegd heb kund gij overschreiven, ik heb geen kwaad gezegd, en alles wad ik gezegd en geschreven hebbe, zal ik voor een ieder zichter herhaalen, en bewijzen.

Ik wilde zulks hem uit het hoofd spreken maar daar was niets an te doen, en verlied dus de kaamer.

Met verschuldigde eerbied heb ik de eer te zijn

UWelEd DWDienaar
ond: Direk: Fenner

Voor zover bekend had het bekend geworden van de brief geen direkte gevolgen voor Bosch, anders dan dat hij zijn zin niet kreeg en dus niet vrijgelaten werd uit de Schans. En dus zette zich de ellende nog even voort. Op 22 december kwamen dochter Luberta met haar man Wouter Peem en kleinzoon Jacob vanuit Willemsoord naar de strafkolonie. Niet voor familiebezoek, maar  "uit hoofde zij ongeoorloofde schulden hebben gemaakt".

Op 12 september 1822 overleed kleindochter Hendrika, bijna twee jaar oud.


We zien dat de aangifte gedaan is door dezelfde Hendrik Lodewijk Rieke, die inmiddels zijn professie van kok heeft ingeruild voor die van metselaar. Die wisseling is niet uit ambitie geboren maar omdat de centrale keuken in de kolonie is opgedoekt. De bouw van het grote bedelaarsgesticht -rondom de oude kazerne op de binnenplaats- is bijna afgerond en op de oude zuidwal van de Schans wordt nu een nieuw gebouw gemetseld met bestemming strafkolonie. Daar zal Rieke druk mee zijn. Getuige Jan Arends Bosscha is de nieuwe onderdirecteur buiten. We kwamen hem al tegen op 24 september.

Maar het meest bijzondere in deze akte is dat het kind de achternaam Klaver draagt, Dat is feitelijk onjuist, want Albert Klaver en Luberta Bosch zijn nog steeds niet gehuwd. Volgens de akte wonen beide thans wel op de Schans!

Begin 1823 zullen de strafkolonisten verhuisd zijn naar hun nieuwe onderkomen op de Wal achter het nieuwe gesticht. Vanaf dit moment heten de strafkolonisten ook wel Walkolonisten. Er is ruimte voor 10 gezinnen. De individuele strafkolonisten worden op de normale zalen van het gesticht ondergebracht. Waarschijnlijk heeft schoonzoon Jacobus Dumersie de voltooiïng van de Walkolonie niet meer meegemaakt. Hij is overleden op 28 januari 1823.


Opzichter Gerrit van Kooten ben ik tot nu toe alleen in deze akte tegen. Hij heeft waarschijnlijk een korte carrierre binnen de Schans gehad. Kolonist Willem Brauckman kennen we van "de bedelaarskolonie". Hij is een paar maanden geleden met zijn gezin vanuit de vrije kolonien naar de strafkolonie geplaatst omdat hij wilde deserteren. Onder toezicht van de opzichter mag hij wel mee naar Ommen als buurman van de overledene.

Na al deze ellende in de familie Bosch lijkt het tij ten goede te keren. Een jaar later, op 17 mei 1824, wordt Johannes Bosch opnieuw grootvader. Dochter Luberta schenkt het leven aan een zoon die naam Barend Bosch Peem krijgt. En vader Wolter Peem mag zelf aangifte doen, vergezeld door zijn schoonvader Johannes Bosch en strafkolonist Willem Brauckman. Ze mogen zonder toezicht naar Ommen.

 

Een paar maand geleden, op 28  februari, is dochter Luberta in Vledder bevallen van een zoon, Dirk Klaver. Vader Albert Klaver heeft opnieuw zelf aangifte gedaan en de ambtenaar zelfs op de mouw gespeld dat Luberta Bosch zijn huisvrouw is. Op 30 september 1824 zijn Albert en Luberta eindelijk getrouwd. En de oude Johannes Bosch heeft verlof gekregen om bij de huwelijksvoltrekking in Vledder aanwezig te zijn. Zijn handtekening prijkt onder de huwelijksacte.

Op 6 juni 1826 hebben Johannes Bosch en zijn dochter Hendrica ontslag gekregen op Ommerschans. Ze zijn daarop teruggekeerd naar Amsterdam. Daar is Hendrica op 24 juni 1835 opnieuw gehuwd met schildersknecht Janus Onberaden, wiens achternaam bedacht zal zijn door een jolige weeshuisdirecteur. Janus' geboorteplaats en -datum zijn onbekend, evenals de namen van zijn ouders. Het ontbreken van zijn ouders wordt enigszins gecompenseerd door de aanwezigheid van de 81-jarige Johannes Bosch, die de trouw akte met dezelfde handtekening ondertekent als waarmee hij 15 jaar eerder zijn ellenlange brieven besloot.

  

Vermoedelijk is dit de laatste keer dat Johannes zijn handtekening heeft gezet. Zes maanden later, op 26 december 1835, is hij overleden in het Oude Vrouwenhuis Amstel in Amsterdam. 

 

De plaats waar Johannes Bosch overleed is nog dagelijks te bezoeken. Het is thans museum de Hermitage aan de Amstel.


Nageslacht


Op de genealogische kaart van Johannes Bosch zien we dat er momenteel 6 kinderen bekend zijn. Van deze kinderen vond ik de doop in de grote kerken van Amsterdam, de Oude Kerk, de Zuider Kerk en de Wester Kerk.

Het is aannemelijk dat de tweede dochter, Aalijda, jong is overleden, gelet op de naam van het eerstvolgende kind.

In de overlijdensacte van Aaltje Gijsbers Bunschoten in 1820 lezen we dat zij 5 kinderen nalaat. Als we geen geboortes over het hoofd hebben gezien dan zou dat betekenen dat zoon Hendrik Fredrik in 1820 nog in leven moet zijn geweest, hoewel hij nimmer in Frederiksoord is gesignaleerd.

In de ondervraging door Fenner, in december 1821, lezen we dat twee maanden eerder een zoon van Johannes Bosch te Amsterdam overleden is. Dat moet dus Barend zijn (die niet in Ommerschans is ingeschreven) of Hendrik Fredrik. Het is me nog niet gelukt hier duidelijkheid in te krijgen.

De situatie rond de dochters is duidelijker: Hendrica hertrouwt in 1835 met Janus Onberaden op een leeftijd van 47 jaar. We mogen er van uitgaan dat zij geen nageslacht heeft. Zij overlijdt op 31 maart 1843 in het Spinhuis aan de Oudezijds Achterburgwal. Treurig detail: in de overlijdensacte staat dat zij ongehuwd is. Als Janus Onberaden twee jaar later overlijdt dan vermeldt men dat hij de echtgenoot van Hendrica Bos is. Waarschijnlijk heeft Janus niet geweten dat zijn vrouw inmiddels overleden is.
De beide andere dochters hebben kinderen en kleinkinderen. De familie Klaver blijft in Drenthe wonen. De familie Peem moet tot eind 1829 in Ommerschans blijven en ze kregen daar nog een dochter. Daarna worden er in Willemsoord nog twee kinderen geboren. in 1837 is het gezin ontslagen en terug gekeerd naar Amsterdam.


Met dank aan Wil Schackmann voor het beschikbaar stellen van de transcriptie van december 1821

Reacties

Onderdeel van het thema: