Geplaatst door: 
Verhaal

14 juli 1832 - Het ontslag van Otto Finkers

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Het is 14 juli 1832, precies 43 jaar na de bestorming van de Bastille, het symbolisch begin van de Franse revolutie. Maar het is geen nationale feestdag in Frankrijk. Integendeel. Parijs beleeft heftige opstanden, taferelen waarop Victor Hugo dertig jaar later zijn boek "Les Miserables" baseert. Quatorze Julliet werd pas in 1880, na de Frans-Duitse oorlog, de nationale feestdag in Frankrijk.

Zeshonderd kilometer boven Parijs is er meer reden voor feest. Want het is ontslag-dag in de bedelaars kolonie Ommerschans, tien jaar nadat het eerste bedelaars etablissement van de Maatschappij van Weldadigheid daar is geopend. Onder de ontslagenen is een klein gezin. Het zijn de 37-jarige timmerman Otto Vinkers, zijn 31-jarige vrouw Johanna Berends Klein en hun 2-jarig zoontje Johannes Wilhelmus. Vijftien lange maanden duurde hun verblijf op de Ommerschans. En de prijs is hoog, want ze kwamen het jaar ervoor met z'n vijven naar de Schans. Twee dochters, Grietje en Leentje, overleden op 6 en 7 augstus 1831 in de Schans, resp. 3 jaar en 8 maanden oud. Pech gehad. Augustus 1831 was een "gewone maand" op de Schans met "slechts" 13 overledenen. De kindertjes werden begraven aan op de zuidelijke helft van het kerkhof, de "Roomse" kant.


Eigenlijk was Otto's naam niet Vinkers. Hij kwam op 21 maart 1795 ter wereld in de Duitse plaats Fresenburg als Otto Fencke. Fresenburg ligt aan de rivier de Eems, niet ver over de grens bij het Groningse Ter Apel. Otto kwam als jongeman boven in het Groninger land terecht, waar hij op 12 december 1823 in Leens trouwde met Jantje Berends Klein of Klening. Otto's ouders maakten de lange reis naar Leens om bij de huwelijksvoltrekking aanwezig te kunnen zijn.

Hoewel de familienaam in de huwelijksacte is geregistreerd als Fencke (die schrijfwijze komt van de doop-inschrijving uit Fresenburg), ondertekenen Otto en zijn vader duidelijk als Finkers.


Ook als Otto een jaar later aangifte doet van de geboorte van zijn dochter Margaretha, ondertekent hij met Finkers. Maar de eigenwijze ambtenaar der Burgerlijke Stand maakt er in de acte Vinkers van, een verschijnsel dat we veelvuldig tegen komen in geboorte- en overlijdensactes. 

Deze dochter overlijdt na 3 maanden. In de overlijdensacte wordt haar naam vastgelegd als Grietje Vinkers, dochter van Ate Willems Vinkers en Jantje Berends Kleinman. Dat krijg je als de naburen aangifte komen doen...

Zoals we op de genealogische kaart van Otto Finkers kunnen zien, wordt het gezin uitgebreid in 1826, 1828 en 1830. De laatste twee kinderen worden geboren in de stad Groningen. En dat is de situatie als het gezin op 16 april 1831 wordt ingeschreven in de Ommerschans. Ik heb nog geen moeite gedaan om de reden van hun opzending naar de Schans te achterhalen. Het antwoord op die vraag ligt vrijwel zeker keurig gedocumenteerd in het Gronings Archief.


We zien dat Otto Vinkers met z'n 1 meter 74 in zijn tijd een lange man was; de meeste kolonisten haalden de 1 meter 70 niet.

Op de volgende bladzijde van het register zien we ook de rest van het gezin.

Hier zien we -opmerkelijk- dat de kinderen van Otto Finkers in het register abusievelijk zijn ingeschreven met de achternaam van hun moeder. Dit is vrijwel zeker per ongeluk gebeurd, want het Hoofdelijk Nummer van Otto Vinkers is keurig bij elk kind vermeld en zoals we hierboven hebben gezien waren Otto en Johanna ook degelijk gehuwd.
We zien verder dat de lengte van Johanna niet is ingeschreven en dat van de kinderen helemaal geen signalementen zijn opgenomen. Ook zien we de overlijdens van de beide meisjes en we zien dat hun hoofdelijke nummers al twee dagen later zijn hergebruikt voor nieuwe kolonisten.

En waarom zien we niets achter de namen van de drie overlevende gezinsleden staan? Welnu, eind 1831 was het inschrijfregister deel F vol en dus besloot men een nieuw register te openen, deel H, waarin alle kolonisten opnieuw werden ingeschreven. Zo komen we Otto Vinkers in deel H tegen op bladzijde 374


En hier lezen we dat hij ontslagen is op 14 juli 1832, met vrouw en zoon.

Het verblijf in de Ommerschans was relatief kort. Waarschijnlijk slaagde Otto er door hard werken en goed gedrag in om aan de regels voor ontslag te voldoen en bleef hij buiten het schootsveld van bigadier-vedwachter Jan Blatter, die in die jaren in menige tuchtzaak op de Schans in actie kwam.

Toch mag je aannemen dat de sociale banden met het leven in Groningen voorgoed vernield waren. Finkers besloot een nieuw leven te beginnen in de veenkolonie Dedemsvaart, op steenworp afstand van de Ommerschans. De kern van die veenkolonie was gelegen op het grondgebied van de gemeente Ambt Ommen. Daar was in 1820 een R.K. kerk gesticht, waar het Otto Finkers in 1833, 1836, 1839 en 1841 zijn jonggeborenen liet dopen.


Het gezin Finkers woonde in het oostelijke deel van de veenkolonie Dedemsvaart, op het grondgebied van de gemeente Ambt Hardenberg. Daarom is dit kind aangegeven in het gemeentehuis van Heemse. In het geboorteregister is zij ingeschreven als Grieta Vinkers.

per 1 januari 1837 werden delen van de gemeentes Ambt Ommen en Ambt Hardenberg bij de gemeente Avereest gevoegd. Feitelijk werd de veenkolonie Dedemsvaart aan Avereest toegevoegd. Hierdoor werd ook het gezin Finkers inwoner van Avereest, zonder te verhuizen. Bij die gelegenheid is een lijst van inwoners opgesteld en aande hand van die lijst, in combinatie met kadastergegevens, is voor veel inwoners met zekerheid vast te stellen waar zij op dat moment gewoond hebben.


We zien in deze lijst dat dochter Berendina Finkers bij de telling 8 dagen oud is. Daardoor weten we dat het gezin Finkers op 4 of 5 september 1836 in de lijst is opgenomen.

We kunnen niet met zekerheid zeggen waar de familie Finkers precies gewoond heeft in Dedemsvaart, omdat ze niet als eigenaar of erfpachter in de kadaster boekhouding voor komt. Maar we kunnen de locatie wel globaal aangeven: Het gezin Finkers staat als nr 33 in de registratie en we kennen bijvoorbeeld de locatie van gezin nr 36.

In het Dedemsvaart van 1837 woonden veel ex-Ommerschans bewoners. Zowel ex-kolonisten als ex-beambten woonden door elkaar. Zo zal Otto Finkers regelmatig Jan Bladder zijn tegen gekomen. Niet lang na 14 juli 1832 kwam de positie van de brigadier-veldwachter onder druk te staan. In "de Bedelaarskolonie" van Wil Schackmann lezen we dat Bladder een aantal keren stomdronken op de Schans aan kwam, waardoor zijn positie onhoudbaar werd. In 1833 werd het gezin Bladder gedwongen verhuisd naar Veenhuizen en in 1835 werd het gezin daar ontslagen. En ook zij trokken naar Dedemsvaart om daar de kost te verdienen. Ze komen voor in dezelfde bevolkingslijst van 1837 en ook Jan Bladder liet in 1838 zijn laatste kind dopen in de R.K. kerk te Dedemsvaart.

Nedersaksich Nageslacht

Twee 6e generatie nazaten van Otto Finkers en Jan Bladder treffen elkaar nog regelmatig, buiten en binnen het zicht van de camera. Beiden zijn trots op hun Nedersaksisch bloed en zij maken zich sterk voor de Nedersaksiche taal. Herman Finkers en Daniel Lohues. Hun oud-betovergrootvaders in de Ommerschans hadden Duitse en een Duits-Franse tongval. De eerste kwam in de Schans als straf, de tweede op zoek naar werk. Voor beiden was de Schans een tussenstation en voor beiden begon een nieuwe fase in hun leven na de Schans.

Otto Finkers verhuisde omstreeks 1843 van Dedemsvaart naar Slagharen, waar hij in 1860 overleed. Jan Bladder woonde tot aan zijn dood in 1854 in Dedemsvaart. Beiden hebben een omvangrijk nageslacht. Klik op onderstaande genealogische kaart om een deel van het nageslacht van Otto Finkers in beeld te krijgen.

Reacties