Geplaatst door: 
Verhaal

15 december 1836 - Diep door het stof

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Eén jaar en één week geleden, op 8 december 1835, waren ze al in beeld: zaalopziener Mulder en zijn echtgenote, omdat hun koks uit de school klapten: ze werden gedwongen eten, bedoeld voor de bedelaars, achterover te drukken en aan het stel te geven. De koks werden geboeid afgevoerd; het echtpaar Mulder mocht blijven. Vandaag opnieuw een aanklacht.

In de Post van Weldadigheid vond ik een proces-verbaal van onderdirecteur-binnen Jan Frederik Krieger, verantwoordelijk voor het bedelaars-gesticht, die rapporteert dat het echtpaar Muller geld van de bedelaars achterover drukt. Het Proces Verbaal spreekt voor zichzelf: de transcriptie plaats ik onder de bron.
Proces Verbaal

Van tijd tot tijd het gerucht vernoomen hebbende, dat de zaalopziener Gerard Jean Marie Mulder, niet eerlijk handelde aangaande Wissels toebehoorende aan Bedelaars Kolonisten, welke deszelve nu en dan van hunne famille van elders ontvingen, zoo heeft den ondergetekenden, zich hier van willen overtuigen, door zulks bij de kolonisten zelve te onderzoeken, en wel bij de onderstaande Bedelaars Koloniste als Bij Jans Voogt liggende thans op het Hospitaal welke heeft verklaart en wel in tegenwoordigheid van den heer S. de Goede en den opziener van het hospitaal Kramer dat zij den 20 Augustus j.l. heeft ontvangen aan Coupon de somma van Fl 34,00, en den 1 November J.L. een Coupon de somma van Fl 2,50, Te Samen Fl 36,50.

Doch dat dit geld is in handen geraakt van voornoemde zaalopziener, Dat zij daarvan nimmer eening geld genooten heeft, dan ja ieder week 2 St Vleesch, ook wel eens een paar doekjes of mogelijk wel een paar Stuivers geld, doch hetwelk zoo gering is in vergelijking der geheele Som, dat zij rekenen kan dat het groots gedeelte geld nog tegoed te hebben, en wanneer het gebeurde dat zij, aan voornoemden zaalopziener of wel deszelfs Huisvrouw daarom vroeg, het hunlieden zelden gelegen kwam en dan meerendeels als een Bedelaar werd afgewezen. Ook wanneer er Brieven voor haar kwamen dat voornoemde zaalopziener de Stoutheid gebruikte dezelve voor haar open te breeken.

Ommerschans, den 8e December 1836
De Genees,- Heel-, en Vroetmeester van de Kolonie Ommerschans, De Goede
De Onder Directeur, J. Krieger
De Opziener van het Hospitaal, F. Kraemer

Wat zich de afgelopen week precies heeft afgespeeld naar aanleiding van dit proces verbaal, daar kan ik vooralsnog alleen maar naar gissen. Feit is dat Muller flink nattigheid voelde, want hij schrijft vandaag een uitputtende excuusbrief. Het is nu moeilijk je in de ongeschreven regels van 1836 te verplaatsen. Als iemand het er tegenwoordig in een excuus zo dik bovenop legt dan ervaren we dat denk ik als ongeloofwaardig. Lees maar mee!
 Ommerschans 15 december 1836

Weledele Gestrenge Heer!

Daar ik de vrijheid neme, mij tot UWEGH te wenden, met beeck (?) mij gelieve aan te hooren. Zo is het dat ik, van tijd, tot tijd, eenge Couponnetjes hebbe ingewisseld voor Kolonisten, dewelke onder mijn beheer zijn, en hun op deszelfs verzoek weekelijks daarvan gegeeven heb tot staving der som, tot dat zij voldaan zijn, zoner interest of mij daaromtrent te verrijken. En ik onkundig in de zaak dat dit onaangenaamheden zouden verwekken, ook hebe bespeurd dat zulks niet weezen mag, zoo verzoek ik ten needrigsten, verschoning, en zal mij voortaan wachten, van weeder in diergelijke zaken te treeden, daar het mij ten harste leed doet, dat zulks heeft plaats gehad, en mij ook griefe zoude dat ik de Directie alhier verder veronaangename zoude.

Dus weledelGestrengen Heer! Ik hoop en verzoek UWEG mijne beede gelieve in consideratie te neeme, daar ik hartelijk berouw gevoel, dat zulks tot mijne leedweezen is voorgevallen, daar ik tot heeden toe ook niets meer van dien aard wil weeten, en ook geen Couponnetjes meer in mijn bezit heb, en zulks heeft ook maar bij zeer enkele gevalle plaats gehadt. En ware ik kundig in de zaak geweest dat zulks strijdig tegen de verordening was, dan hadde ik mij wel gewacht, om mij met zulke zaken in te laten, dat mijn ongeluk zoude kunnen berokkenen.

Eindelijk, WelEdelG Heer! nogmaals mijne vrijpostigheid te verschoonen. En beveel mij in UWEDGstr Gunst. En hopende dat UWEDGestr mij als vader van een talrijk huisgezin zal gelieve voor deze keer te Excuseren - dewijl zulks door onwetenheid heeft plaats gehad.

Met Hoogachtig
UWEDGEstrenge
dienaar
G.J.M. Mulder
zaalopziener

In de kantlijn:
Het is bewezen dat hij ze met Col. munt uitbetaalde, tegen het verlangen der kolonisten. Hij betaalde ze in gedeelten uit, maar kan geen en Dito nota eener rigtige afrekening tonen.

Zaalopziener Mulder en zijn vrouw

Nog maar twee weken geleden beleefden ze angstige uren, toen vier zalen aan de linkerzijde van hun woning volledig instrotten tijdens de grote storm op 29 november 1836.

Gerard Jean Marie Mulder is in 1794 geboren in het Noordfranse Duinkerken en zijn vrouw Maria Carolina Wagener in 1792 in het Duitse Cleef. Ze zijn in 1820 gehuwd te 's Gravenhage en bij dat huwelijk erkennen ze een zoon die drie maanden daarvoor geboren is. Mulder gaat aan de slag als Commies bij de Belastingen. Ze hebben een aantal standplaatsen in de provincie Groningen. Zo wordt hun volgende kind in 1822 geboren in Vlagtwedde en daarna in 1825 een tweeling in Finsterwolde. 

Wat er in de tien jaar daarna gebeurd is daar heb ik nog steeds geen beeld van, maar feit is dat het gezin Mulder op 9 juli 1835 door de Subcommissie 's Gravenhage van de Maatschappij van Weldadigheid wordt geplaatst in de Vrije Kolonieën. Ze krijgen in Kolonie No 2 Hoeve Nummer 81 (Boschoord) toegewezen. Maar hun verblijf daar is van korte duur. Mulder lijkt een bliksemcarrierre te hebben want reeds 5 weken later, op 14 augustus 1835, worden ze overgeplaatst naar de zaalopzienerswoning in het midden van de Westvleugel van Ommerschans, van waaruit je 's avonds bij helder weer de zon prachtig ziet ondergaan.

Kennelijk hebben ze van de tuchtzaak op 8 december 1835 niet veel geleerd, want de aanklacht nu liegt er ook niet om. 

Helaas zijn de vruchten het het vele-handen project Post van Weldadigheid nog niet in volle glorie beschikbaar op alledrenten.nl, en dus kunnen we het verhaal vandaag nog niet afronden. Maar Eén aantekening in de bevolkingsregisters van Veenhuizen is duidelijk.
Hier zien we dat het gezin Mulder op 3 april 1837 is terug geplaatst naar Kolonie 3 (Willemsoord). Dit is een aanwijzing dat het voorval hen de kop heeft gekost op Ommerschans, maar dat daar toch nog meer dan drie maanden overheen is gegaan.

Koloniale Munt

In de kantlijn van de brief van Mulder lezen we dat Mulder -voor zover hij de geldwissels uitbetaalde aan de kolonisten, ze uitbetaalde in Koloniale Munt. Wat was dat? Welnu, de Maatschappij van Weldadigheid had een eigen munt, die in waarde in principe gelijk was aan het normale geld, maar met dit verschil, dat ze alleen in de winkel van de Maatschappij besteed kon worden. Gedwongen winkelnering noemen we dat. Je kwam het niet alleen tegen in de Maatschappij, die daartoe zelfs fraai muntgeld liet slaan, maar je vond het ook 5 kilometer verderop, in het veen van Dedemsvaart, waar veenarbeiders hun loon niet in geld kregen uitbetaald, maar die voor de waarde van het geld eten, drinken en andere zaken konden kopen in de winkel van de veenbaas. Buiten de Maatschappij van Weldadigheid werd dit systeem algemeen verfoeid. Binnen de poorten van Ommerschans en Veenhuizen was het heel normaal.
Het bijzondere aan dit verhaal is dat hierin helder wordt beschreven dat kolonisten werden ondersteund door familie of vrienden buiten de Schans. Als je kijkt naar de bedragen die genoemd worden: koloniste Jans Voogt had voor meer dan 36 gulden aan steun van buiten ontvangen. Volgens de calculator van het Instituut voor Social History komt dat bedrag overeen met een bedrag van EUR 1.800 in 2016. In elk geval een enorm bedrag als je bedenkt dat bedelaars met een netto oververdienste van 25 gulden voor ontslag in aanmerking kwamen. In de periode 1830-1836 werden deze koloniale munten binnen Ommerschans zelf geslagen.

Jannetje Voogt

De zieke koloniste Jannetje Voogt is 36 jaar oud als ze in het hospitaal wordt ondervraagd. Ze is in 1800 geboren in Broek in Waterland en aldaar in 1823 gehuwd met. Ze krijgen samen drie kinderen, waarvan één doodgeboren en de beide ander jong overleden. Als dan ook haar echtgenoot overlijdt, dan komt Jannetje aan lager wal en op 14 april 1836 is ze voor de eerste maal ingeschreven op de Ommerschans.
Vandaag is ze dus 8 maanden op de Schans en we zien dat zij al op 24 maart 1837, dus binnen een jaar, ontslagen wordt. Maar ze slaagt er niet in om een normaal leven op te bouwen en op eerste kerstdag 1837 wordt ze opnieuw ingeschreven. Een jaar later wordt ze overgeplaatst naar Veenhuizen, alwaar ze op 10 maart 1840 is overleden.

Zaalopziener Mulder en zijn vrouw

Terug in de Vrije Kolonien krijgt de familie Mulder een woning toegewezen in Willemsoord, gemeente Steenwijkerwold. Daar zien we in het bevolkingsregister van 1850-1850 dat Gerard Mulder het beroep van looper (bode) uitoefent. Op 22 september 1857 is hij daar overleden. Zijn vrouw overleed daar in 1871, 82 jaar oud. Hun vier kinderen zijn allen gehuwd.

Reacties