Geplaatst door: 
Verhaal

15 mei 1841 - Onzedigen omgang met anderen

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Met enige regelmaat komt er een zedenzaak voor de Raad van Tucht. Meestal worden in deze zaken alleen de vrouwelijke kolonisten terecht gewezen. Het lijkt erop dat vandaag ook de mannelijke partij gestraft wordt, vanwege zedeloze omgang met maar liefst drie vrouwen.

Het is zaterdag 15 mei 1841. De zaterdag is de normale vergaderdag van de Raad van Tucht. Vandaag staan drie bedelaar-kolonistes voor de Raad, Ze hebben zich schuldig gemaakt aan onzedelijken omgang met anderen, waardoor twee van hen hoogzwanger zijn en de derde ziek is geworden. We lezen de notulen.

Zitting van Zaturdag den 15 Mei 1841
De President opend de vergadering daar alle Leden tegenwoordig zijn, behalve de onder Directeur Krieger als zijnde met verlof.
Verschijnen voor de zelve de Kolonisten Johanna Leijssel No 3062, Catharina Passier No 956 en Alida de Hatert No 465 alle schuldig aan onzedigen omgang met anderen, waar door de 2 eerste in eenen zwangere staat verkeeren en de laatste eenigen tijd in eene ziekelijke toestand heeft verkeerd; Zij weeten niets ter hunner verschoning in te brengen, worden dien ten gevolge gelast af te treeden.
Gezien Art. 16 van het Reglement van Tucht luidende als volgt. "Onzedelijk gedrag in woorden als vloeken, schelden, razen enz. of met daden door zedenloozen omgang met anderen, zal met verplaatsing in de Discipline Zaal van een tot acht dagen worden gestraft, en bij herhaling daar van met opsluiting zoo noodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag".
Na gehouden deliberatie wordt door den Raad beslooten de schuldige te straffen ieder met acht dagen opsluiting.
Zij worden wederom binnen gelaten, de secretaris maakt hen het vonnis bekend, en worden ter opsluiting weggebracht.
Op rondvraag van de President niemand der Leden iets meer te verhandelen hebbende, sluit men de Vergadering.
Heden gedaan op dato als boven. was getekend, A. Huls, P. Postema, G. Steenbeek, Otterbein, Borman en L.W. Uhl, alle Leden der Raad.
In kennisse van mij, Stous, Secretaris.

Meteen nadat de Raad haar zitting gesloten heeft, gaat het gezelschap in aangepaste samenstelling verder in vergadering in haar hoedanigheid als Raad van Policie en Tucht voor de kolonisten huisgezinnen

Raad van Policie en Tucht voor de kolonisten huisgezinnen, gehouden op Zaturdag 15 mei 1841.
De Leden zijn tegenwoordig. de Voorzitter opent de Raad.
Verschijnd voor de zelve Johannes Petrus van Keulen, ingedeelde wees bij de wijkmeester van den Bosch.
Schuldig aan onzedelijke omgang met anderen, en wel in eene verregaande graad.
De President ontevreeden over zijn gehouden gedrag, bekent hij dadelijk zijn misdrijf.
De Raad, gelet op Art. 2 Lett. f. van het Reglement luidende als volgt:
"Onzedelijke Omgang met of Verleiding tot Onzedelijkheid van anderen, zal ingevolge Art.3 Sub.2 gestraft worden voor eenen onbepaalden tijd naar de Ommerschans".
De schuldige wordt buiten gelaten.
De Raad besluit J.P. van Keulen voor een onbepaalde tijd te verwijzen naar de Ommerschans, waarop de goedkeuring van de Permanente Commissie zal worden ingewacht.
De beschuldigde binnen geroepen zijnde wordt hem het vonnis door de secretaris kenbaar gemaakt waarna hij aftreed.
Niemand op rondvraag van den Voorzitter iets meer hebbende voor te stellen wordt de vergadering geslooten.
Aldus gedaan op dato als boven. was getekend, A. Huls, P. Postema, C. de Bruin G. Steenbeek, H. Nak en Blokland, alle Leden der Raad.
Mij present, Stous, Secretaris.

 

Johanna Leijsen

De dertigjarige Johanna Leijsen, in het proces verbaal vermeldt als Leijssel, is in 1810 geboren in het Noordbrabantse Hoeven. Ze is een jaar geleden, op 8 mei 1840, ingeschreven op de Ommerschans.

Dat Johanna vandaag - 15 mei- hoogzwanger is blijkt drie weken later, als ze het leven schenkt aan een zoon, die de naam Jan krijgt.De sterfte onder zuigelingen is hoog en ook Jan zal het niet halen. Op 30 oktober 1841 overlijdt hij op de Schans.Johanna Leijsen wacht hetzelfde lot als haar zoon. Zij overlijdt vier maanden later, op 26 februari 1842.

Catharina Passier

De 35-jarige Catharina Passier is afkomstig van Den Bosch, waar ze op 12 mei 1806 gedoopt is. Ze heeft tenminste drie zussen en een broer die gehuwd zijn. Op 9 november 1838 is Catharina vanuit haar woonplaats naar de Ommerschans gebracht. Ze is dus al twee en een half jaar binnen de poort. Catharina is inmiddels ook al voorgedragen voor ontslag, maar nu ze veroordeeld is wegens onzedigen omgang, vraagt de directie zich af of dat ontslag gewoon doorgang kan vinden.
Frederiksoord, 21 mei 1841
De bedelaars kolonist C. Passier No 956, tot wier ontslag, onder anderen, bij resolutie van den 1e dezer maand No 4, autorisatie is verleend, is den 13 dezer maand bekend geworden onzeedelijken omgang te hebben gehad, ten gevolge waarvan zij in zwangeren staat verkeerd, waarop zijn den 15, ingevolge het Reglement van Tucht, voor 8 dagen in de Strafkamer is opgesloten geworden.
Dien ten gevolge heb ik de eer UWEdGeb te vragen, of door dat haar wangedrag, na het opmaken der voordragt gehouden of bekend geworden, de autorisatie tot ontslag niet als vervallen moet worden beschouwd en in dergelijken gevallen steeds zoodanig moet worden gehandeld onder kennisgave daarvan aan UWEdGeb.
De Directeur der Kolonien
J. van Konijnenburg
Aan de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid te s' Gravenhage

De Reactie van de P.C. op dit schrijven heb ik nog niet gezien. Wel zien we dat Catharina op 1 juni 1840 -een week eerder nog dan Johanna Leijsen- bevalt van een zoon, die de naam Johannes krijgt.
Een maand later, op 3 juli, krijgen Catharina en haar zoon alsnog het ontslag uit de Ommerschans.

Helaas blijkt Catharina niet in staat om op het rechte pad te blijven. Het jaar erop, op 29 juni 1842, is ze met Johannes terug op de Schans. Ze is andermaal vanuit Den Bosch opgezonden. Op 6 oktober wordt ze met haar zoon doorgestuurd naar Veenhuizen. Daar komt twee maanden later ook Johannes Huijgen met zijn vrouw en vier kinderen binnen vanuit Middelburg. Op 2 februari 1843 overlijdt hun jongste kind en op 4 januari 1844 overlijdt Johannes' vrouw, Eva van Tilburg.

In de loop van 1844 bloeit de liefde op tussen Johannes Huijgen en Catharina Passier. Ze krijgen toestemming van de Permanente Commissie om te trouwen en op 1 april 1845 wordt in het gemeentehuis van Norg het huwelijk tussen de twee gesloten. Dat is precies één dag na hun ontslag uit de kolonie Veenhuizen. Ze vestigen zich in Bergen op Zoom en leven nog lang en gelukkig...

Nou ja, niet helemaal, want Catharina Passier treffen we in 1854 aan de strafgevangenis te Breda, veroordeeld tot één maand gevangenisstraf door de Arrondissementsrechtbank aldaar, vanwege "Misbruik van Vertrouwen".En zoals de ouden zongen, piepen de jongen. Ook onze kleine Johannes, vandaag over twee weken geboren, vinden we terug in het gevangenisregister van Breda, waar hij in 1859 ook één maand moet brommen vanwege diefstal.Het laatste teken van leven van Johannes Passier vind ik vooralsnog in 1860 in het inschrijvingsregister voor de Nationale Militie in zijn woonplaats Bergen op Zoom.

Catharina Passier overlijdt in 1900 te Bergen op Zoom, 94 jaar oud!

Ida van den Hatert

De bedelaar-koloniste Alida de Hatert is in 1814 in het Gelderse Ochten geboren als Ida van den Hatert. Haar vader is mandenmaker. Hoewel ze de jongste is van de drie die vandaag voor de Raad staan, is ze op Ommerschans de oudgediende van het stel. Op 19 februari 1833 wordt ze voor de eerste maal ingeschreven onder haar meisjes roepnaam: Daatje. Ze is opgebracht vanuit Rotterdam.
Na ruim drie jaar Ommerschans wordt Daatje overgebracht naar Veenhuizen, waar ze nog 2 en een haf jaar verblijft tot aan haar ontslag op 13 mei 1839.
Haar vrijheid duurt geen jaar: op 10 februari 1840 wordt ze opnieuw te Ommerschans ingeschreven, deze keer opgezonden vanuit Nijmegen.

Welke klachten ze heeft overgehouden aan haar onzedigen omgang zal wel niet duidelijk worden. Alida blijft het langst van de drie op de Schans. Op 1 april 1843 krijgt ze haar ontslag. En dan blijkt dat haar straf vandaag er niet voor heeft gezorgd dat ze voor altijd het gezelschap van mannen zal ontwijken. Want twee dagen voor haar ontslag is de 44-jarige Benjamin de Booij ontslagen van de Schans. Hij wacht Alida buiten de Schans op en op 2 juni 1843 trouwt het stel in Echteld.

Zeven weken later wordt het stel opnieuw ingeschreven op de Schans. Ze komen nu uit Dedemsvaart, wat betekent dat ze vermoedelijk uit eigener beweging aan de poort hebben aangeklopt. Ze worden volgens de regels van elkaar gescheiden, maar gaan op 3 augustus wel samen naar Veenhuizen. Daar bevalt Alida, die deze keer is ingeschreven onder de naam IJda, op 23 november van een doodgeboren kind. Ze was dus waarschijnlijk al twee maanden zwanger toen ze de laatste maal ontslagen werd.
Het stel wordt in Veenhuizen op 1 april 1846 ontslagen.

Benjamin en Ida blijven vermoedelijk in de buurt van de Schans, want op 6 maart 1847 bevalt Ida te Zwolle van een dochter, Hendrika. In Zwolle laten zij zich korte tijd later oppakken, waarop ze op 3 april weer in de Ommerschans worden ingeschreven. Daar overlijdt hun dochter op 10 mei 1847. Ook met Ida gaat het niet goed. Zij overlijdt op 6 augustus 1847. Zo rusten er al weer vier mensen uit dit verhaal op de begraafplaats van de Schans.

Benjamin de Booi zal na het overlijden van zijn vrouw nog een aantal malen de gestichten in en uit gaan. Hij overlijdt tenslotte op 16 februari 1868 te Veenhuizen.

Johannes Petrus van Keulen

En dan de vermoedelijke aanstichter van het kwaad, de slechts 19-jarige Johannes Petrus van Keulen. Na het overlijden van zijn ouders in 1830, wordt hij op 29 juli 1830 met zijn zusje Elizabeth genomineerd voor Frederiksoord. Hij is op 22 oktober 1830, daags voor zijn 9e verjaardag door het Algemeen Armbestuur van Rotterdam als wees inbesteed te Frederiksoord in het gezin van kolonist Zandwijk op Hoeve 20. Daarna woont hij achtereenvolgens bij twee andere kolonisten totdat hij op 29 januari 1839 wordt ingedeeld bij hoevenaar en wijkmeester Willem van den Bosch te Ommerschans. Daar woont hij vandaag nog, maar als het aan de Raad van Tucht ligt niet voor lang. Wat zal de Raad bedoelen met Schuldig aan onzedelijke omgang met anderen, en wel in eene verregaande graad? Zal hij werkelijk onzedelijke omgang met deze drie vrouwen hebben gehad? Ik heb in de Post van Weldadigheid gezocht naar een brief aan de Permanente Commissie. Die heb ik ng niet gevonden, maar wellicht duikt deze nog eens op. Gelet op de voornamen van de twee jongens: Jan en Johannes, is het aannemelijk dat dit zijn kinderen zijn.
Feit is dat van Keulen op 10 juli 1841, dus 8 weken na vandaag, is overgeplaatst naar de Strafkolonie. Daar heeft hij iets meer dan een jaar gezeten: op 10 september 1842 is hij in militaire dienst gegaan en is hij doorgehaald in de registers van de Schans.

Die militaire dienst is voor van Keulen waarschijnlijk de spreekwoordelijke redding geweest. Hij maakt daar een nette carrierre en brengt het tot de rang van sergeant-majoor. Op 29 mei 1856 trouwt hij te Nijmegen met Catharina Maria Maas. Na negen maanden krijgt het stel daar een zoon en kort daarna wordt van Keulen overgeplaatst naar Leeuwarden. In Leeuwarden overlijdt van Keulen hij op 9 juni 1858.
Zijn vrouw is dan hoogzwanger: zij bevalt op 2 oktober van een dochter. Dit meisje heb ik verder nog niet terug gevonden. De zoon, ook Johannes Petrus genaamd, wel. Hij wordt letterzetter en overlijdt in 1931 in Castricum. Waarschijnlijk is er thans nog levend nageslacht van Johannes Petrus van Keulen. 

 

afbeelding boven het artikel: Johannes Chrysostomos doet boete, gravure van Luca Cranach, 1509. Rijksmuseum Amsterdam

Reacties