Geplaatst door: 
Verhaal

16 september 1840 - Zoals de ouden zongen

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Is de kans om op Ommerschans te belanden groter als je familie daar al gezeten heeft? Meestal denk ik van niet, maar vandaag sluit ik het niet uit. De familie Swarts uit Leeuwarden onder het vergrootglas. En eindelijk zo'n beroemde signalementskaart met foto: het uithangbord van het Rijksgesticht.

Meestal vergadert de Raad van Tucht op Ommerschans op zaterdag. Nog even de puntjes op de i voordat de zondag begint. Maar vandaag, woensdag 16 september 1840, is de Raad ook bijeen voor een drietal zaken. De eerste twee zaken betreft het normale werk: desertie voor de de tweede maal. Dat wordt 14 dagen opsluiting in boeijen en de drie eerste en drie laatste dagen "te water en brood". En natuurlijk aansluitend de verplichting om het "destinctief custuum" aan te trekken (in 1840 heet dat het onderscheidend pak) opdat alle kolonisten zien dat je gestraft bent. Ik vraag me nog altijd af of dat pak werkelijk een straf was, of dat het als ereteken werd gezien onder de kolonisten.

En dan de derde zaak, tegen drie kolonistes.

Drie dagen opsluiting voor "het ontvreemden van Uijen uit de kolonietuin", waarin zij werkzaam waren, onder de belofte "dat zij het niet meer zullen doen". Met die lichte straf komen ze er vandaag van af, Jeltje Swart, Jansje Klok en Cornelia Adriana Lammerts. Jeltje is de veterane van de drie. Zij is voor de tweede maal in Ommerschans en heeft de uienoogst van 1839 al meegemaakt. De andere twee, 37 en 38 jaar oud, zijn in februari van dit jaar voor het eerst op de Ommerschans geplaatst. We gaan het vandaag vooral over Jeltje hebben, maar natuurlijk hebben ook Jansje en Cornelia hun verhalen.

Jansje Klok

Jansje Klok heet ook wel Jannetje van der Klok. Zij is een vondelinge uit Amsterdam en moet rond de eeuwwisseling geboren zijn, zo lezen we in een acte van bekendheid die in 1835 is opgemaakt ten behoeve van haar huwelijk met de timmerman Willem van der Meer.

Bij een vondeling denk ik toch meteen aan een pasgeborene die in een rieten mandje op de stoep van het politiebureau of het weeshuis wordt gevonden. Maar hier lezen we toch echt dat Jansje op 31 januari 1806 als vondeling in het Aalmoezeniersweeshuis te opgenomen "ter dier tijd zeven jaren oud".

Ik heb geen kinderen van dit stel gevonden. Op 25 februari 1840 komen ze samen aan op de Ommerschans, op 7 november gaan ze samen naar Veenhuizen en 26 april 1841 worden ze ontslagen. Dat patroon herhaalt zich nog vier maal en altijd zijn ze samen.

Wat we in de bedelaarskolonies veelvuldig zien bij recidivisten, is dat ze dikwijls slechts enkele weken of maanden vrij zijn om dan weer door een rechter naar de Schans te worden gestuurd. Als ze worden ingeschreven, komend vanuit Dedemsvaart of Avereest, dan hebben ze waarschijnlijk aan de poort geklopt om te worden binnen gelaten.
Wat ik in bovenstaande "staat van dienst" herken is dat zij, zoals zovele recidivisten, vaak slechts heel kort -enkele maanden- vrij waren om vervolgens weer ingeschreven te worden. En als we als plaats van herkomst Dedemsvaart of Avereest zien, dan is de kans groot dat ze vrijwillig aan de poort van Ommerschans aanklopten.

Na het overlijden van Willem in 1868 -ze zijn dan al 8 jaar op vrije voeten- maakt Jannetje nog éénmaal haar tour langs Ommerschans en Veenhuizen. Daarna woont ze nog jaren in Utrecht, waar ze in 1888 overlijdt. In de acte staat dat ze 81 jaar oud is, maar als de informatie uit het aalmoezeniersweeshuis juist is dan is ze eerder 88 jaar oud. Zeven jaar verschil...

Cornelia Adriana Lammerts

Ze is volgens het inschrijfregister geboren in het Gelderse Heukelum aan de Linge. Ook zij komt samen met haar man -Johannes Dusch- naar Ommerschans, drie weken eerder dan Jannetje van der Klok. Ze zijn gestuurd door het bestuur van hun woonplaats Gorinchem. En ook zij hebben,  voor zover ik thans kan overzien- geen kinderen.
Hier zien we een hard bewijs voor het scheiden van echtparen: Johannes Dusch wordt al op 15 februari 1840 doorgezonden naar Veenhuizen, waar hij twee weken later, op 3 maart, overlijdt. Cornelia blijf op de Ommerschans.

Het gemeentebestuur van Norg heeft het er maar druk mee. Bij elk overlijden moet ook een memorie van successie worden opgesteld. Daartoe moet worden nagetrokken of de overledene bezittingen heeft. Ik heb geen idee of hiertoe uitgebreid onderzoek werd gedaan of dat men gemakkelijk aannam dat een bedelaar geen bezittingen heeft. Administratief ziet het er in elk geval goed uit.

Wanneer en op welke wijze zal Cornelia het nieuws over het overlijden van haar man in Veenhuizen te horen hebben gekregen?

Na de diefstal van uijen, waarvoor Cornelia vandaag veroordeeld wordt, blijft ze nog 14 maanden op de Schans. Op  30 november 1841 krijgt ze ontslag en vermoedelijk keert ze terug naar haar woonplaats Gorinchem. Daar bevalt ze op 8 december 1842 van een buitenechtelijk kind, een zoon, die de naam Johannes krijgt.

Hier zien we dat we de geboortedatums zoals die in de inschrijfregisters van de Maatschappij van Weldadigheid worden genoteerd, niet klakkeloos voor waar mogen aannemen: in de registers heeft deze Johannes, die op 22 april 1843 met zijn moeder in de Ommerschans wordt ingeschreven, als geboortedatum 20 oktober 1842.

Hun verblijf binnen de Schans is van korte duur: vier dagen later worden ze doorgezonden naar Veenhuizen.

Ruim drie jaar later worden Cornelia en haar zoon ontslagen. Dat lijkt geen goed plan: op 30 mei 1846 zijn ze terug in Ommerschans, opgezonden vanuit Zwolle. Cornelia zal daar waarschijnlijk haar hand hebben opgehouden met haar ziekelijke zoontje op schoot. Twee weken later worden ze doorgezonden naar Veenhuizen waar een maand later de kleine Johannes overlijdt

Drie jaar later overlijdt Cornelia zelf te Veenhuizen. Zo eindigt zij in 1849 op dezelfde plaats als haar man en haar kind: op het kille Vierde Gesticht van Veenhuizen.

Jeltje Ruurds Swart


En dan de hoofdpersoon van vandaag, Jeltje Ruurds Swart. Zij is net als de twee andere daders van dit ernstige vergrijp gehuwd en kinderloos. Echter, haar man is naar het zich laat aanzien gewoon thuis in Leeuwarden, terwijl zij voor de tweede maal op de Schans zit. Ze is met haar 29 lentes de jongste van de drie.

Jeltje is op 14 maart 1811 te Leeuwarden geboren als dochter van Ruurd Jans Swart en Antje Roos. Op 27 maart 1811 is ze in de Hervormde kerk te Leeuwarden gedoopt. Ze heeft drie oudere broers, waarvan de jongste overlijdt als Jeltje 9 maanden oud is. Haar vader is in 1818 overleden. Haar twee broers, Jan en Willem Sixtus (beide vernoemd naar de twee grootvaders) zijn dan 19 en 21 jaar oud en zullen in staat zijn geweest hun moeder en zusje financieel bij te staan. Beide broers trouwen, in 1822 en 1826 en zijn op dat moment fuselier (soldaat). Beide stichten ook grote gezinnen. Jan is aanvankelijk zadelmaker, later kamerbehanger en ook een aantal van zijn zoons verdienen de kost later als kamerbehanger (behang van Swart, dat zit apart!). Willem Sixtus is metselaarsknecht en later "justitie dienaar". Dat zien we in 1836 als hun moeder overlijdt. Ook in latere geboorte aangiftes tot 1847 geeft hij hetzelfde beroep op.

Zeven maanden na het overlijden van haar moeder, trouwtje onze hoofdpersoon, Jeltje Ruurds Swart, met Johannes Jetzes Sunt.

We zien in de huwelijksacte dat de vader van de bruidegom, hoewel woonachtig te Leeuwarden, zijn toestemming voor het huwelijk per notariele actie geeft. Als ik dat zie dan denk ik onmiddellijk: Wil hij niet bij de huwelijksvoltrekking aanwezig zijn, of is hij verhinderd? Via de voortreffelijke website zoekakten.nl plukken we de notariele acte uit de huwelijksbijlagen.

Bingo! Vader Jetse Sunt, timmerman, is thans gedetineerd in het huis van Reclusie en Tuchtiging te Leeuwarden. En dus "verhinderd".

We kunnen er naar gissen hoe de broers Swarts tegen het huwelijk van hun zusje hebben aangekeken. Feit is dat ze niet als getuige optreden bij het huwelijk, terwijl ze daarvoor 9 maanden eerder wel geoefend hebben.

Hoe het ook zij: het liep niet van een leien dakje bij Jeltje Swarts. Op 16 november 1838, nog geen twee jaar gehuwd, wordt ze ingeschreven in de Ommerschans, opgezonden vanuit Leeuwarden. Waarschijnlijk heeft ze daar in februari 1840 haar beide medeplichtigen van vandaag nog leren kennen, voordat ze zelf op schrikkeldag 1840 haar ontslag krijgt. Waarschijnlijk is ze in één streep terug naar huis gegaan. Wat ze daar aantrof dat weet ik niet, maar het heeft in elk geval geen duurzame stabiliteit gegeven, want op 2 augustus 1840 is ze terug op de Ommerschans. Terwijl ze langs de kolonietuin liep moet ze het in één oogopslag gezien hebben: de uien staan er prachtig bij dit jaar...

Op 2 september 1842 krijgt Jeltje ontslag en op 5 juni 1843 wordt ze opnieuw door Leeuwarden naar Ommerschans gebracht, waar ze tot 6 juni 1846 verblijft. Daardoor loopt ze de begrafenis van haar schoonvader Jetse Sunt mis.

Wat opvalt in deze acte is dat de aangevers Johannes Godhelp en Adam Ulrich beide werkzaam zijn in het huis van opsluiting en Tuchting te Leeuwarden. De familie Sunt moet daar enige bekendheid genieten...

Zoals we in bovenstaand overzicht kunnen zien, is Jeltje de rest van haar leven weinig op vrije voeten geweest. Na elk ontslag volgde al spoedig een veroordeling, zoals in 1850 in Heerenveen.

Hier zien we dat Jeltje veroordeeld is voor bedelarij.

Intussen woont haar man "gewoon" in Leeuwarden. Hij krijgt later dat jaar drie maanden gevangenisstraf wegens mishandeling en verwonding van twee agenten.

Wel iets om over na te denken: voor mishandeling ben je na drie dagen verzorging in je eigen stad weer thuis en voor bedelen krijg je drie jaar ver weg...

Nog één maal wordt Jeltje ontslagen -in 1854- en weer is ze een maand later terug op de Ommerschans. Het zijn de laatste loodjes... op 10 maart 1856 overlijdt Jeltje Zwarts, 45 jaar oud, te Ommerschans.


Haar man Johannes Sunt trouwt 12 jaar later opnieuw en overlijdt in 1886.

Is het verhaal hier mee af? Neen, want van wie is nu dat portret boven aan dit artikel?

Jeltje's broer Willem Sixtus, van 1836 tot na 1847 van beroep Justitie Dienaar, staat in 1862 zelf voor het hekje in de arrondissementsrechtbank van Leeuwarden, beschuldigd van bedelarij.

Volgens het rolboek krijgt hij veertien dagen gevangenisstraf. Maar daar blijft het niet bij. Kennelijk komt hij aan het zwerven want op 5 oktober 1863 wordt hij ingeschreven in de Ommerschans, opgezonden vanuit Zwolle. Op 11 november wordt hij doorgezonden naar Veenhuizen en op 31 augustus 1864 overlijdt hij daar.

En de geschiedenis herhaalt zich helaas nog een generatie. Willem Sixtus' jongste zoon Pieter Swarts is 17 jaar oud als zijn vader in Veenhuizen overlijdt. Hij bekwaamt zich in het beroep van zijn opa en zijn neven: kamerbehanger. Hij trouwt in 1870 met Maaike Pas. Ze krijgen tenminste 8 kinderen die geboren worden in Leeuwarden, Rotterdam en Amsterdam. In 1897 wordt Pieter ingeschreven in Veenhuizen, waar men er inmiddels toe is overgegaan om de gedetineerden te fotograferen. Hieronder de vier bladzijden van zijn persoonskaart uit 1897.

Vanaf dit punt lijkt het leven van Pieter Swarts een grote gelijkenis te vertonen met dat van Suzanna Jansen's overgrootvader Johannes Keijzer, die eveneens zijn Amsterdamse gezin in de steek liet en wiens portret uit 1901 dankzij het Pauperparadijs grote bekendheid kreeg. Beiden werden door dezelfde rechtbank in Utrecht naar Veenhuizen gezonden. Pieter Swarts zwierf ook door het land en werd bijvoorbeeld in 1911 nog veroordeeld door de rechtbank Leeuwarden voor bedelen.

Op 2 juni 1915 is hij overleden in het hospitaal van de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen.
Terwijl het verlaten Derde Gesticht in gereedheid werd gebracht voor de opvang van vele honderden Belgische evacuees, op vlucht voor the Great War, kwam een einde aan de persoonlijke grote oorlog voor Pieter Swarts. Ook hij eindigde op het Vierde Gesticht, waar ergens ook zijn vader en zijn tante Jeltje begraven zijn, en niet te vergeten Cornelia Lammers en de kleine Johannes Lammers, die vijf jaar eerder geboren was dan hemzelf. Hij had er geen weet van. Niemand had er weet van. Ashes to Ashes. Dust to Dust.

Reacties