Geplaatst door: 
Verhaal

18 april 1843 - Een zwart schaap met blauw bloed

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

De zaalopziener op Ommerschans moet een voorbeeld zijn voor de bedelaar-kolonisten die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. Dronkenschap is dus uit den boze, en helemaal als je die misstap begaat, een dag voordat de directeur voor inspectie naar de Schans komt.
Het kost mijn oud-betovergrootvader, zaalopziener Adolph Daniël Otterbein, zijn baan bij de Maatschappij.

In de familie van mijn moeder, Ria Froeling, was de naam Otterbein niet onbekend. Mijn overgrootvader Adolf Daniel Froeling had een broer, "de kolonel" die in Maastricht woonde. Dat was de deftige kant van de familie en Otterbein had er iets mee te maken. Dat was waarschijnlijk adelijk voorgeslacht. In de kartonnen doos met foto's en bidprentjes bij mijn ouders zat ook het bidprentje van de Kolonel.
Als het formaat van de snor een maat voor voornaamheid is, dan moet de kolonel een belangrijk man geweest zijn.

Op de R.K. begraafplaats van Dedemsvaart staat een grafsteen de die relatie tussen Froeling en Otterbein duidelijk maakt.
Het zijn mijn betovergrootouders Froeling, ouders van de Kolonel en mijn overgrootvader Adolf Daniel Froeling. Henriette Otterbein is een dochter van zaalopziener Adolph Daniel Otterbein. Ze is geboren in het gesticht de Ommerschans en is de eerste negen jaar van haar leven opgegroeid tussen de kolonisten.

Begin jaren '90 kreeg ik op een verjaardag van mijn ouders het boek, "Genealogie Otterbein", in 1927 geschreven door de arts C.S. Lechner (zijn moeder was een Otterbein). In dit boek stonden Jan Froeling en Henriette Otterbein als jongste generatie en het spoor leidde terug tot stamvader Johann Otterbein die omstreeks 1640 in Salzschlirf onder Fulda moet zijn geboren en die later fürstlicher berittener Feld- und Hoftrompeter te Dillenburg was bij de graven van Nassau. Dit klinkt wel flink Oranje, maar het was al ruim een eeuw nadat hier prins Maurits van Oranje ter wereld kwam.

Zoon Johann Philipp Otterbein (1665-1734) studeerde theologie en was ondermeer conrector aan de gereformeerde latijnse school te Dillenburg en "preaceptor V Classis" te Herborn. Kleinzoon Phillipp  Henrich Otterbein (1716-1776) was rector aan de latijnsche school te Emmerich. Mensen dus met een zekere opleiding en positie, maar zeker geen adel. Weliswaar werd in de familie Otterbein een familiewapen gevoerd, dat de kop van dit artikel siert, maar genealoog Lechner geeft niet aan sinds wanneer dit wapen is ingevoerd en een wapen is ook geen bewijs voor adelstand. Kortom: de suggestie van blauw bloed in de familie van de kolonel moeten we met een forse korrel zout nemen.

Achterkleinzoon Daniel Eberhard Otterbein (1766-1823) studeerde  theologie aan de Hoogeschool te Duisburg en promoveerde in 1801 tot theologisch Doctor. Hij werd in 1790 beroepen als predikant naar Ooy en Persingen, in 1791 naar Beuningen en in 1795 naar Emmerich. Hij was in 1815 veldprediker in het leger van Blucher tegen Napoleon en in 1817 brigade- of garnizoenspredikant te Mons en Charleroi. Hij kreeg in 1819 de Pruisische medaille voor de veldtocht van 1815 naar Waterloo. Hij is in 1823  te Mons overleden aan een ontsteking in de hersenen.

Adolph Daniel Otterbein

Adolph Daniël Otterbein werd geboren te Emmerich op 8 september 1798. Op 23 november 1813 meldde hij zich, 15 jaar oud, vrijwillig aan bij het Pruisische leger bij 't Pruisische Dragonder Regiment. In 1813 heerste de Pruisische gedachte sterk in Duitsland en Oostenrijk, als reactie tegen de Duitse vorsten en Napoleon. Adolph vroeg en kreeg ontslag op 30 april 1814, 10 dagen na de verbanning van Napoleon naar Elba, en werd vrijwilliger bij het Uhlanenregiment op 9 April 1815. Twee maanden later werd Napoleon bij Waterloo verslagen. Adolph Daniël nam op 31 december 1815 ontslag en ging over in Nederlandse dienst. Hij werd op 26 augustus 1817 sergeant bij 't 5e Bataillon Artillerie Nationale Militie Op 17 juni 1818 werd hij bevorderd tot 2e luitenant en op 20 juli 1825 tot 1e luitenant. Na een paar overplaatsingen werd hij op 23 mei 1828 op non-activiteit gezet, waarna hij op 23 mei 1828 werd gepensioneerd, 31 jaar oud. Volgens familie-overlevering zou zijn paard onder hem zijn doodgeschoten en hij zou daarbij aan het been gewond zijn, aan welke wond hij zijn leven lang geleden zou hebben.

Op 15 april 1829 trouwde Adolph Daniel Otterbein in Namen met Angelique Marie Jeanne Joseph Tichon. Sinds enige tijd staan de actes van de Burgerlijke Stand van Belgie online op Familysearch en met behulp van zoekakten.nl is het me al een paar maal gelukt een acte te vinden. Zo ook dit huwelijk, gesloten in het franstalige deel van de Zuidelijke Nederlanden.
Het is de eerste maal dat ik het handschrift van mijn oud-betovergrootmoeder Angelique Tichon zie. Daar is helemaal niets mis mee! bruidegom Adolph Daniel zet zijn rang, 1e Luitenant, in zijn handtekening.
Het eerste jaar van hun huwelijk heeft het stel waarschijnlijk in Namen door gebracht, want daar is op 14 mei 1830 hun eerste kind geboren; zoon Adolphe Henri. In die tijd moet het plan ontstaan zijn om aan de slag te gaan bij de Maatschappij van Weldadigheid. In de Post van Weldadigheid vind ik talloze open sollicitaties uit het gehele Koninkrijk. Die van Adolph Daniel Otterbein heb ik nog niet gevonden. Feit is dat Otterbein op 25 oktober 1830 optreedt als getuige een huwelijk in Avereest. Als beroep geeft hij op ontvanger te zijn.
In het algemeen waren er in een gemeente twee ontvangers: de Rijksontvanger die belast was met het innen van de rijksbelastingen, en de gemeente ontvanger die hetzelfde moest doen voor de gemeentelijke belastingen. Ik heb geen officiële aanstelling van Otterbein voor een van deze posities in Avereest gevonden.

Op 7 juli 1831 doet Adolph Otterbein in de herberg van assessor Meine Jelkes Kruizinga aangifte van de geboorte van zijn zoon Ferdinand Daniel Andries. Hij geeft aan geen beroep te hebben en in zijn handtekening staat opnieuw zijn rang: gepensioneerd 1e Luitenant.
Opvallend is dat dit kind gedoopt wordt in de R.K. kerk te Ommerschans. Daaruit concluderen we enerzijds dat de protestants opgevoede Adolph Otterbein zich bij zijn huwelijk met Angelique Tichon moet hebben bekeerd tot de Roomsch Catholieke kerk. Maar ook bijzonder is dat hij zijn kind niet in Dedemsvaart laat dopen, maar binnen de gesloten kolonie Ommerschans. Dat is toch wel een aanwijzing dat Adolph nadrukkelijk solliciteert naar een baan binnen de kolonie.
Op 1 juni 1832 is dit kind overleden en uit de overlijdensacte maken we op dat het gezin Otterbein nog steeds te Avereest woonachtig is.

Ommerschans

In de "Genealogie Otterbein" wordt met geen woord gerept over de carrierre van Adolph Otterbein binnen Ommerschans. Daarom bezocht ik, niet lang nadat ik het boek gekregen had, voor de eerste maal de studiezaal van het Drents Archief, waar het archief van de Maatschappij van Weldadigheid zou liggen. In die tijd was ik nog niet erg nauwkeurig met het vastleggen van toegangnummers en inventarisnummers en daardoor weet ik nog steeds niet waar ik het volgende brieffragment van directeur Jan van Konijnenburg heb gevonden:

 Frederiksoord, 4 augustus 1832 (No 1514)

gebleken is dat zaalopziener Wijshoven te Ommerschans inderdaad bedrog heeft gepleegd. Besloten is hem te ontslaan. Het onderzoek naar Otterbein is positief uitgevallen. Besloten is hem in dienst te nemen.

Je zou verwachten dat deze brief in de Post van Weldadigheid moet zijn terug te vinden. Ik heb inmiddels diverse brieven van Jan van Konijenburg van 4 augustus 1832 gevonden, met nummers lager en hoger dan 1514. Maar niet deze brief. Wel kom ik Simon Wijshoven tegen als zaalopziener op Ommerschans. Hij is als begonnen als vrije kolonist te Frederiksoord en in 1830 overgeplaatst naar Ommerschans als arbeidershuisgezin en waar hij als zaalopziener te werk wordt gesteld.
Het heeft me de nodige hoofdbrekens gekost om Simon Wijshoven op te sporen, want behalve bedrog op de Ommerschans pleegde Simon ook identiteitsfraude: Eigenlijk heet hij Jan Jimkes, een fout die na zijn overlijden wordt rechtgezet, waardoor al zijn kinderen onder de naam Jimkes verder door het leven gaan.

Op Ommerschans staat Simon op 10 september 1832 voor de Raad van Tucht "wegens opzettelijk geplaagde valsiteiten en het daardoor weten te bekomen van gelden, hetgeen hij vanaf 1 December 1831 tot en met Ult. Juny 1832 ter ter prejudice van den Onderdirecteur binnen heeft vol gehouden en dat over dat tijdstip eene aanmerkelijke Som van f 174,- heeft bedragen". Wijshoven wordt gestraft met 8 dagen opsluiting in de strafkamer en een boete van twee maal 174 gulden. Hij wordt uit zijn bezetting als zaalopziener gezet en met zijn gezin in de strafkolonie geplaatst op de wal van Ommerschans.

In dezelfde zitting straft de Raad ook Simon's oudste zoon, de 17-jarige Jan Wijshoven, die dus eigenlijk ook Jimkes heet, die onzeedelijk geleefd heeft met het nichtje van zaalopziener Franciscus Adam Kraemer, waardoor zij zwanger is geworden. Omdat zijn ouders, broers en zussen al voor straf naar de strafkolonie moeten, wordt hij als individuele strafkolonist binnen de Ommerschans geplaatst. Het is me het dagje wel!

En dankzij deze misstappen krijgt Adolph Daniel Otterbein zijn langgekoesterde aanstelling als zaalopziener op de Schans. Hij wordt aangenomen op een bezoldiging van vijf gulden en twintig cent per week, hetzelfde salaris dat alle zaalopzieners op dat moment verdienen.
Het twee verdiepingen hoge bedelaarsgesticht in de Ommerschans is rond een grote binnenplaats van 80 bij 80 meter gebouwd. De zalen waarin de bedelaar-kolonisten gehuisvest zijn, zijn alleen vanaf deze binnenplaats toegankelijk. De zaalopzieners wonen met hun gezin tussen de zalen en in hun woonvertrek is ook de keuken waarin voor de kolonisten van de zalen wordt gekookt.

Vrouwenvleugel

Otterbein is opzichter in de vrouwenvleugel van Ommerschans, waar vrouwen en kinderen zijn gehuisvest. Er zijn er altijd wel een aantal zwanger -veelal ongehuwd- en regelmatig maakt Otterbein de wandeling naar Ommen om aangifte te doen van een geboorte. In de tien jaar dat hij op Ommerschans werkt tekent hij 42 keer voor de aangifte van een kolonisten-kind.

Zo is hij getuige bij de aangifte van geboorte van Petrus Flap, buitenechtelijk kind van de strafkoloniste Trijntje Flap. Het oudere zusje van Petrus, Anna Pieters Flap, zal omkomen op 29 november 1836 als vier zalen in de vrouwenvleugel instorten tijdens een vliegende storm.

Adolf Daniel Otterbein wandelt niet alleen naar Ommen voor de aangifte van geboortes. Veel vaker wordt hij daar gezien om het overlijden van één of meerdere bedelaar-kolonisten of familie van ambtenaren aan te geven. Op dit moment (2018) is nog maar een klein deel van de aangevers en getuigen in de overlijdensactes van Ommerschans in de database gestopt, maar Otterbein komt er al meer dan 70 maal voor. Zo zien we hem in 1842 bij de aangifte van het overlijden van Leentje Mieras, voormalig koloniste en echtgenote van collega zaalopziener, sergeant-majoor Johan Wilhelm Muller.
Het gezin Otterbein groeit snel in de Ommerschans: er worden 7 kinderen geboren, waarvan er twee jong overlijden.

1. Adolpe Henri, geb. Namen 14-5-1830
2. Angelique Elizabeth Marie, geb. Ommerschans 9-10-1832, ovl. Ommerschans 5-7-1835
3. Henriëtte Dorotheé Marie, geb. Ommerschans 5-2-1834
4. Ferdinand Gustaaf, geb. Ommerschans 8-7-1835
5. Angelique Louise Marie, geb. Ommerschans 15-12-1836
6. Elise Marie, geb. Ommerschans 5-3-1839, ovl. Ommerschans 5-10-1842
7. Theophile Louis, geb. Ommerschans 19-9-1840
8. Emilie Maria, geb. Ommerschans 1-5-1843

het ontslag

We schrijven dinsdag 18 april 1843. Adolf's vrouw is hoogzwanger van hun achtste kind. Hij mag 's ochtends zijn oudste zoon, Adolf Henri, juist 13 jaar geworden, voor 't eerst naar de Franse school aan de bovenvaart brengen. Deze Franse school aan de Kalkwijk in de jonge veenkolonie Dedemsvaart, bedoeld als vervolg op de lagere school, is juist het jaar ervoor, in 1842, opgericht en staat onder leiding van de 'instituteur' Nierhoff. Ze wordt bezocht door kinderen van de 'beter gesitueerden' uit de omgeving. Veel kinderen, waaronder mogelijk Adolf Henri, verblijven door de week op het internaat bij de school.
Tijdens de 5 km lange wandeling terug naar Ommerschans bezoekt Adolf, blij dat zijn zoon een plaats heeft verworven op de school, een 'lokaal' alwaar hij een verfrissing neemt. Een alcoholische verfrissing, en wellicht nog enkele daarna. Het gevolg: na de middag komt hij ladderzat aan op de Ommerschans. Dit blijft niet onopgemerkt: nee Adolf komt wankelend het terrein op, en valt bij de katoenspinnerij temidden van een groep kolonisten op de grond.
Nu wil het toeval dat nog dezelfde week, op vrijdag, de directeur van de Maatschappij, Jan van Konijnenburg, de Ommerschans zal bezoeken voor een inspectie. De kans dat dit geruchtmakende voorval zo kort na het gebeuren onopgemerkt zou blijven is minimaal en onderdirecteur Jan Fredrik Krieger ziet zich dan ook genoodzaakt rapport op te maken van het gebeurde.Ommerschans den 18e april 1843
Weledele heer!
Bij deze heb ik de Eer U.W.Edele te berigten dat den zaalopziener Otterbein heden omstreeks één uur beschonken is tehuis gekomen, zoodanig dat hij ten aanzien van een aantal kolonisten op de plaats voor de katoenfabriek is ter neder gevallen; aangenaam zal het mij zijn indien U.W.Edele omtrend hem zoodanige maatregelen neemt, strekkende tot voorbeeld der ambtenaren, en tot een bewijs voor de bevolking dat dergelijke overtredingen door ambtenaren in geen gestigt gelijk den Ommerschans kunnen geduld worden.
Met achting heb ik de Eer te zijn.
De onderdirecteur


Nog dezelfde dag komt Adolf, letterlijk ontnuchterd, bij de onderdirecteur om zijn verontschuldigingen aan te bieden. Daar smeekt hij om het voorval met de mantel der liefde te bedekken, zich realiserende dat met de berisping van enkele jaren ervoor, voor hetzelfde vergrijp, dit zijn ontslag zou kunnen betekenen. Bovendien schrijft hij de volgende dag een brief aan de onderdirecteur.
O.S. 19 April '43
Mijn Heer!
Ik waag het om UwE. nogmaals excuses te vragen wegens gisteren. Mijn Heer hebt toch de groote goedheid van geen rapport te maken, want anders ben ik met vrouw en kinderen ongelukkig. Doet het mijn Heer uit medelijden en ik smeek UwE. hart zich zal bewegen; nooit zal ik het vergeten en steeds met de dankbaarste gevoelens U.E. mijn groot berouw betonen. Ik smeek UwE. -om mijnen vrouw en kinderen- maak ons niet ongelukkig, het is in Uwe magt, mijn Heer gebruikt menschlievendheid en houdt UE overtuigt dat het nooit meer zal plaats hebben.
In de hoop van vergeving blijf ik,
Uw D.W. onderdanige dienaar Otterbein


Hij krijgt echter te horen dat het rapport inmiddels is ingediend. De onderdirecteur raadt hem aan een smeekschrift te sturen aan de directeur. Adolf doet dat op de 21e, de dag dat van Konijnenburg juist de Ommerschans bezoekt.
Mijn Heer!
Met een gevoel van het diepste berouw, waag ik het UwE. edelmoedigheid aan te spreken, UwE. menschlievendheid in te roepen, en mij een misstap te vergeven, -of met een kleine straf te gelieven te bestraffen-, dewelke niet met opzet of anderszins is begaan. De Hr Adjunct Directeur zal UwH wel rapport aangaande mijne persoon gemaakt hebben en dus overtuigt van de rechtvaardigheid des Heeren Adj.Directeurs, zal ik U.W.E. met de zaak zelve niet op ophouden: alleen is hiermede mijne bedoeling U.W.E. ootmoedigst onderdanigst excuse te vragen, en mij het voor dit maal met een kleine straf gelieve te vergeven. Hierdoor maakt UwE. een huisgezin van acht menschen gelukkig, die altoos met de dankbaarste gevoelens aan UwE. zullen verkleeft blijven, maar ik ook in't bijzonder beloof UwE. in den striksten zin des woords mij in acht te zullen nemen, op dat er nooit zoo iets weder voorvalle. In de hoop dat U.E. mijn smeekschrift gelieve in aanmerking te willen nemen, noeme ik met de grootste achting Uw D.W. Dienaar
Otterbein
O.S. 21 April '43


Van Konijnenburg bespreekt bij zijn bezoek tal van zaken, en maakt daarvan rapport op de 26e april. Hierin komt ook de zaak Otterbein aan de orde:
Aan de Heeren Hoofdambtenaren
bij de Maatschappij van Weldadigheid
tijdelijk belast met het bestuur der loopende zaken
Ik heb de eer UwEd verslag te doen van mijn bezoek te Ommerschans op den 21 en 22 van deze maand....

.... Ik zie mij verpligt hiernevens nog te moeten overleggen een rapport van den OnderDirecteur, over bevonden dronkenschap van den zaalopziener Otterbein, met twee brieven om verschoning aan den Adjuct Directeur en aan mij. Dat hij altoos tot misbruik van sterken drank overhelde was overbekend. Deze keer was hij bij zekere gelegenheid buiten de kolonie geweest. Anders verzekert men mij, dat hij nimmer in zulke eenen beschonken staat gezien wordt; zoo dat men van hem zeggen kan, dat hij zich doorgaande wel weet te betomen. Ik kan mij dus wel met de plaatselijke Directie vereenigen in het voorstel, dat hij voor deze en voor de laatste keer gestraft worde met veertien dagen werkelijke suspenen, zoo dat zijne werkzaamheden door eenen anderen zaalopziener, tegen genot van zijn tractement, worde waargenomen, op dat de kolonisten zijne bestraffing zouden waarnemen.
De directeur der Koloniën
J. van Konijnenburg


Bij dit verslag worden dus de smeekschriften van Otterbein gevoegd, wat wellicht in zijn nadeel kan werken. Immers: heeft hij niet gesmeekt aan de onderdirecteur om hem niet op rapport te zetten? De Permanente Commissie behandeld zijn zaak op 9 mei, een week nadat Adolf opnieuw vader is geworden van een dochter. In de notulen (die niet online staan) lezen we:

'gelezen eene brief van de Directeur van 26 april/1147, betrekkelijk de Ommerschans, waaruit onder andere blijkt, dat de zaalopziener Otterbein zich heeft schuldig gemaakt aan het misbruik van sterken drank. besluiten:
1. den genoemden zaalopziener uit de dienst der Maatschappij te ontslaan.
2. den Heer Dir. der Maatsch. uit te noodigen om te zijner vervanging eene voordragt in te zenden.


De onderdirecteur, hiervan op de hoogte gesteld, kan niets anders doen dan Adolf zijn ontslag aan te zeggen. Wel krijgt Adolf nog de kans een verweerschrift in te dienen, hetgeen hij dan ook doet.
Aan de permanente
Commissie van Weldadigheid
te 's Gravenhage
Met den verschuldigden eerbied neemt de zaalopziener Otterbein de vrijheid zich tot de permanente Commissie te wenden. Tot mijn innigst leedwezen door den Hr adjunct vernomen te hebben, dat ik wegens mijnen beganen misstap uit mijne betrekking alhier zoude geraaken, zoo waagt het de ondergetekende het, ootmoedigst daaromtrent excüse te vragen; diep betreurende zijne fout en verzekerende met het oprechste berouw dat nooit een diergelijk iets weder zal plaats hebben, zoo als dan ook door mij aan mijne overige superieuren verklaardt is en dezelve overtuigdt zijn. Zedert tien jaren heb ik den permanente commissie getrouw en eerlijk gediendt, en stiptelijk alles in acht genomen, wat mijne superieuren ordonneerden, hetwelk stellig des benodigd zoude moeten bekend worden. Gelieve buiten dit echter de Permanente Commissie de ongelukkige positie te gevoelen, en in aanmerking te nemen dat ik bij een definitief ontslag met vrouw en zes kinderen broodeloos ware, want mijn klein pensioentje is niet toereikende om acht menschen te huisvesten en te voeden: om deeze rede smeek ik de Pr Commissie voor dit maal uit menschlievendheid mij te pardonneeren, verzekerende ik mij nooit aan diergelijk misdrijf weder zal schuldig maken, weshalve ik de Pr Commissie smeek aan mijn smeekschrift een gunstig gevolg gelieve te geven.
de zaalopziener
Otterbein


De P.C. behandeld dit verzoekschrift op 8 juni, en besluit om het adres van Otterbein, om in betrekking te blijven, af te wijzen. Het ontslag wordt bekrachtigd.

De directeur, die kennelijk toch aarzelt, stuurt op 12 juni een brief aan de P.C. met daarin de vraag of het ontslag nu dadelijk uitgevoerd dient te worden. Hij verwacht dat er moeilijk een geschikte opvolger gevonden kan worden. Op 20 juni bekrachtigt de P.C. nogmaals het ontslag en laat aan de directeur weten dat er desnoods een tijdelijke voorziening getroffen moet worden Het is duidelijk: Adolf vliegt eruit!

Adolf is ten einde raad, en er zijn er meer die deze gang van zaken betreuren. De Pastoor van de Ommerschans, Antonius Lammers, besluit om een brief naar de P.C. te sturen om hen alsnog op andere gedachten te brengen.
aan de Hoog Edele Gestrenge
Heeren Leden van de Permanente
Commissie des Maatschappij
van Weldadigheid te 's Gravenhage
Hoog Edele Gestrenge Heeren!
Een vader van een talrijk gezin van vrouw en zes kinderen op het punt staande van uit zijne betrekking van zaalopziener alhier te worden ontslagen, zoo wil de ondergetekende als pastoor dezer Gemeente, een laatsten stap wagen, door zich tot de Permanente Commissie te wenden, ten einde de barmhartigheid omtrent dit ongelukkig huisgezin in te roepen en het totaal verderf van hetzelve trachten voor te komen.
De zaalopziener Otterbein heeft zich schuldig gemaakt aan misbruik van sterken drank, en daarover door de Directie alhier aangeklaagd en zijn ontslag aangevraagd, van dat treurig gevolg, dat hij elk oogenblik, zoo als hem zulks reeds aangezegd is, zijn ontslag te wachten heeft, niet willende ontkennen dat hij zijne verwijdering verdiend, daar hem reeds ettelijke jaren geleden, de vermaning van wege de Permanante Commissie was gedaan, van bij de eerste komende klagten te zullen worden ontslagen; zoo zij het den onder geteekende als geestelijk herder evenwel vergund, ten gunste van dezen zaalopziener in te brengen - dat op den dag, toen de drank zich van hem meester had gemaakt, uit oorzake gesproten is, als hij zijn oudste zoontje voor het eerste


ter fransche school naar de bovenvaart, een groot afstand van de schans, met een blij vaderlijk hart leidende, des morgens nuchteren de deur is uitgegaan en bij zijne terugkeer onderweg een verfrissching zonder eenigen spijs nemende, dat natuurlijk gevolg bij hem teweeg heeft gebragd dien drank hem naar het hoofd is geslagen zonder juist buitengemeen veel daar van te hebben gebruikt. Ik wil hem om deze redenen weliswaar niet vrijspreken, hij had zich daar voor in allen geval moeten wachten, maar een mensch is zwak en hij heeft zich te sterk geacht, en die nadeelige gevolgen niet vooruit gezien. Thans heeft hij het volmaaktst berouw over het gebeurde, wanhoopend is hij, ja wanhoopend is zijne vrouw, en dat bij het zien van hunne telgen zoo groot in getal, wat moet er van dit waarlijk ongelukkig huisgezin worden: indien de Permanente Commissie geen weder buitengewoon meedoogen en menschlievender oog op hetzelve werpe, dan de Directie alhier, die hem meer gunstig had mogen zijn, en de verwijdering van den zaalopziener voortgang hebben, uit de kolonie door eigen toedoen ontslagen, zulks laat ik aan het betere oordeel der Permanente Commissie over! Kan dan deze altijd beklagenswaardige man snel gemakkelijk of zelfs snel ooit buiten dezelve eenig bestaan vinden? Hij is toch een geëerd gepensioneerd Luitenant der Artillerie van Zijne M. Leger, de uniform en de Epauletten dragende, wiens penzioen op vere na niet toereikende is, dit zwaartallig huisgezin het zoo wel benoodigde te verschaffen, indien men dit alles dan wel overweegt, moet men dan met den ongelukkigen geen ontferming hebben? en zoude men dan nog niet eenmaal de proeve willen nemen hem naar de laatste maal eene voorbeeldelaaren correctie gevende, in zijne betrekking te laten verblijven, de zelfvoldoening overblijvende daar eindelijke beproeving, het geluk van dit thans medoogs
medoogsdwaardig gezin te hebben gewaarborgd.
Ik meende mij meer geneigd ten gunste van A.Otterbein bij de Permanente Commissie aan te dringen, daar ik wel overtuigd ben van de goede godsdienstige gevoelens die hem bezielen, de ordenlijke en goede opvoeding die hij zijnen kinderen geeft, hem dikwijls in het huiselijke bezoekende, zijne weinige verkering met anderen dat hem mogelijk in deze niet vele vrienden veroorzaakt, de zindelijkheid en de goede orde die ten allen tijde in zijne zalen heerscht, de zijner onderhebbende kolonisten groot in getal, in vergelijking van sommige andere zaalopzieners, tot betrachting van hunnen plicht en het gehoorzamen hunner superieuren, zoo mede in de betrekking tot het bewonen van alle godsdienstoefeningen en het naleven van alle godsdienstige verordeningen, dit zijn alle redenen die den ondergeteekenden doen hoopen de rijpe en nadere overweging over het lot van de Zaalopziener Otterbein waardig te zullen worden gerekend.
Ten laatst de Permanante Commissie nog moetende betuigen dat A.Otterbein daarenboven door zijne onderhebbende algemeen geacht wordt, bemind, hier algemeenen wensch bestaat in het behoud van den zelven als hunnen zaalopziener door zeer velen aan mij reeds te kennen hebben gegeven daar zijn vertrek hun ter oore was gekomen.
De ondergeteekende, de Perm.Commissie hierop eene gunstige beschikking tot behoud van den zaalopziener Otterbein met eene voorbeeldelaren correctie verzoeke verblijft met innigste hoogachting
Hoog Edele Gestrenge Heeren!
UWEG Gehoorzame Dienaar
Ommerschans A.Lammers
den 18 junii 1843 R.C.P.


Op 22 juni komt deze brief in de vergadering van de P.C. In de notulen wordt kortweg vastgesteld dat men geen boodschap heeft aan het verzoek van de geestelijke. Voor de vorm stuurt men hem een uitgebreid antwoord.

22 juni 1843
aan A.Lammers, R.C.Pastoor te Ommerschans
Wel eerwaarde Zeer Geleerde Heer!
Uw Ew.Missive van den 18en dezer beantwoorden wij gaarne met de betuiging dat wij hoogen prijs stellen op de Uw hart vereerende gevoelens van deelneming en menschlievendheid, waarvan de missive een blijk oplevert, gelijk wij ook allezins aan Uw goede bedoelingen regt laten wedervaren. Wij moeten UwEd daarbij echter verzoeken, in aanmerking te nemen, dat het misbruik van drank van Otterbein de oorzaak is, waardoor zoovele kolonisten uit vroegere beteren toestand tot hunne tegenwoordigen maatschappelijke laagte zijn vervallen, dat het de ondeugd bij voortduring is, waardoor zoovele ongeschikt zijn om in de gewone maatschappij heur bestaan te vinden en dat het derhalve in de bedelaars Gestichten niet met te veel gestrengheid kan worden te keer gegaan.
UwEd is ongetwijfeld met ons overtuigd, dat daar inzonderheid het voorbeeld van een Ambtenaar, die zich aan sterken drank te buiten gaat, allerverderfelijkst moet werken. Intusschen is de zaalopziener Otterbein niet tengevolge eener eerste verkeerdheid van dien aard ontslagen. Integendeel, zulks is, uit medelijden met zijn talrijk huisgezin, te zijner aanzien toegewend geweest en heeft hem bij vroeger gelegenheid ernstig gewaarschuwd. Thans is het zover gekomen dat het besluit tot zijn ontslag genomen is en dat de Heer Directeur der Koloniën, die het nog onuitgevoerd had gelaten, is aangeschreven het onmiddelijk ten uitvoer te leggen. Dit alles beschouwende, zal UwEd gevoelen, dat hij nu niet meer in de dienst der Maatschappij kan worden behouden.

 

Dedemsvaart

Het laatste dat we in de zaak Otterbein lezen in de archieven van de Maatschappij der Weldadigheid van 28 juli 1843 handelt over de aanstelling van zijn opvolger, J.H.Boon, die in dienst komt, net als 12 jaar eerder Adolf Daniël Otterbein, omdat zijn voorganger oneervol is ontslagen. Op 31 juli 1843 vertrekt het gezin daadwerkelijk uit de kolonie Ommerschans, terug naar de gemeente Avereest. Daar huurt Otterbein een woning van scheepstimmerman Hermannus Weener aan de Kruizinga's Wijk. Dat concluderen we als deze woning in 1847 wordt geveild vanwege het faillissement van Weener.
Aan de hand van de kadastrale aanduiding in de advertentie, sectie D nr 932, is het niet moeilijk om de locatie te herleiden. In onderstaand kaartje is in de groene circel de locatie aangegeven van de woning.
Uit de smeekschriften in 1843 krijgen we de indruk dat Adolf Daniel Otterbein bepaald geen vermogend man was in die dagen. Toch weet hij omstreeks 1850 een woning te kopen aan de Kruizinga's of Langewijk (thans nr 82, in de gele circel aangegeven in het kaartje hierboven), even ten westen van de huurwoning. Hier wonen Adolf en Angelique de rest van hun leven.
Regelmatig treedt Adolf op als getuige in de Burgerlijke Stand. Als beroep geeft hij dan op: particulier, gepensioneerd officier of gepensioneerd 1e luitenant. Zo te zien is hij vanaf zijn 45e levensjaar daadwerkelijk gepensioneerd.
Waarschijnlijk hebben alle drie zoons de Franse school van meester Nierhoff bezocht en afgemaakt. In de voetsporen van hun vader hebben ze degelijke militaire carrières ver buiten Dedemsvaart. Alleen de oudste, Adolph Henri, trouwt. Hij krijgt 1 zoon die jong overlijdt.

De drie dochters blijven dicht bij huis. De middelste, Angelique, trouwt in 1856 -19 jaar oud- met metselaar Antonius Wibier, kleinzoon van hoevenaar Gabriel Wibier. Ze krijgen 12 kinderen en wonen hun leven lang in Dedemsvaart.

De jongste dochter,  Emilie, trouwt in 1865 met schoenmaker Cornelis Marianus Froeling uit Zwolle. Zij krijgen zes kinderen en vertrekken in 1884 van Dedemsvaart om uiteindelijk in Groenlo neer te strijken. Zo ontstaat een Gelderse tak in de familie Froeling.

Tenslotte trouwt ook de oudste dochter, Henriëtte in april 1868 met een broer van haar zwager,  Jan Froeling uit Zwolle. Haar vader, Adolf Daniël is twee maanden eerder, bijna 70 jaar oud, overleden.
Jan Froeling trekt bij zijn schoonmoeder in aan de Langewijk te Dedemsvaart. Het stel krijgt een dochter en twee zoons. Het meisje overlijdt jong.

In 1880 overlijdt Angelique Tichon, de weduwe Otterbein.Vier jaar later overlijdt Jan Froeling, 48 jaar oud. Henriette Otterbein staat er alleen voor met haar twee zoons van 13 en 7 jaar oud. In 1887 vertrekt de oudste zoon,  Johannes Adolf Ferdinand, naar het instructiebataljon in Kampen om zijn dienstplicht te vervullen. Hij zal het ver schoppen in het leger. We kennen hem als de Kolonel. Hij trouwt in 1906 met Esther Rutten, die in Dedemsvaart "tante Ster" wordt genoemd. Ze wonen in Maastricht en ze krijgen zeven kinderen. 

De andere zoon, Adolf Daniël Froeling, heeft een handelsgeest. Op 19-jarige leeftijd sticht hij in 1895 een boterfabriek te Slagharen, waaruit later de zuivelfabriek 'de Vooruitgang' is ontstaan. In 1900 laat hij een nieuw voorhuis bouwen voor de ouderlijke woning aan de Langewijk. Op de foto hieronder staat hij met zijn moeder, Henriette Otterbein, omstreeks 1902. Hij is dan agent in levensverzekeringen maar ook timmerman en handelaar in meststoffen.
In 1903 trouwt hij met Maria Juurlink. Ze krijgen samen 2 zoons en 3 dochters. Adolph Daniel Froeling is dan jarenlang handelsreiziger. Hij handelt ondermeer in naaimachines. In onderstaande foto zien we het gezin Froeling bij het zilveren huwelijksfeest in 1928 naast de woning aan de Langewijk. 
De oudste zoon, mijn opa Hendrik Froeling (op de foto rechtsboven), bekwaamt zich in de Twentse machine-industrie als machine-bankwerker, totdat zijn vader in 1934 plotseling overlijdt. Hendrik besluit terug te keren naar Dedemsvaart, waar hij in de voetsporen van zijn vader treedt als kruidenier en handelaar. Met name de handel in eieren neemt grote vormen aan in huize Froeling. In 1935 trouwt Hendrik met Mina Jansen, dochter van caféhouder Gradus Johannes Jansen. De helft van het woonhuis aan de Langewijk wordt omgebouwd tot kruidenierszaak en Hendrik sluit zich aan bij de SPAR inkoopcentrale.
In het drukke kruideniersgezin wordt mijn moeder in 1939 als derde van negen kinderen geboren. In haar jeugd is Adolf Daniel Froeling niet meer dan een portretfoto aan de muur en de naam Otterbein heeft alleen de glans van een rijk verleden. De zwarte bladzijde op Ommerschans is in het geheugen van de familie uitgewist.

Reacties