Geplaatst door: 
Verhaal

18 november 1825 - Gronings Goud

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Zo moet Johannes van den Bosch het bedoeld hebben. Je zit diep in de ellende, je stapt in het warme bad van de Maatschappij van Weldadigheid, je wordt opgevoed tot een goed burger, je verlaat de Maatschappij en je leeft nog lang en gelukkig.
Toch jammer van al die ellende...

Mina Rosenberg groeide op in de stad Groningen. Bij haar geboorte, op 2 april 1818, was haar vader, Jan Rosenberg, 30 jaar oud en haar moeder, Hinderkien Lamberts, 20 jaar. Mina was bijna 2 jaar toen broertje Jochum geboren werd. Maar na Jochum's tweede verjaardag werd hij ziek en een poosje later overleed hij. Dat was heel naar. Gelukkig vertelde moeder een paar maand later dat er nog een broertje of zusje kwam. Niet lang na Mina's vijfde verjaardag kwam het kind, een meisje, dat de naam Hinderkien kreeg, net als moeder.
Mina's vader maakte prachtige sierraden van goud en zilver. Dat vak -gouddraadwerker- had hij van zijn vader geleerd. Die sierraden hadden ze niet thuis, maar vader had Mina een paar keer laten zien wat hij aan het maken was.

Prachtige dingen maakte hij. En ze konden er goed van leven. Wat kan er mis gaan?

Het antwoord is simpel en van alle tijden: ziekte en dood.

Op slag veranderde het onbezorgde leven. Moeder was in rep en roer. Wat moest ze beginnen? 

Welnu in de stad Groningen wisten ze met deze nood wel raad. Reeds in januari 1823, koud na de opening van het bedelaarsgesticht in de Ommerschans, werd een eerste groep van 35 Groningers, meest weduwen met hun kinderen, naar de Schans gestuurd. Wil Schackmann besteedde hieraan aandacht in zijn boek De Bedelaarskolonie. De voortvarendheid van het Groninger stadsbestuur had de nodige kritiek gegeven, maar het mechanisme van verslappende publieke aandacht is de afgelopen twee eeuwen niet wezenlijk veranderd. Groningen bleef doorgaan met het wegbrengen van behoeftige eenouder gezinnen en dus was er nu ook een oplossing voor de weduwe Rosenberg.

En zo werden Henderica Lammers en haar dochters Hinderica Harmina en Henderkien op 2 oktober 1825 ingeschreven in de Ommerschans. Ze kregen de hoofdelijke nummers 1344, 1345 en 1346.
Wat een schok moet het voor de 7-jarige Mina Rosenberg zijn geweest. De overgang naar het enorme gesticht met de zalen waar je met 40 mensen moet eten en slapen.

Het gaat niet goed met haar zusje Henderkien. Dokter Douwe Petrus van Steenwijk is al een paar maal bij haar geweest, maar het wordt niet beter. Een paar weken geleden is Henderkien naar de ziekenzaal gebracht maar alle zorg ten spijt gaat het kind achteruit. Vandaag, 18 november 1825, half één, na de middagklok, dooft het kaarsje.
Moeder is er kapot van. Het ging al niet goed met haar sinds het overlijden van vader. Ze zei wel steeds tegen Mina dat zij zich flink moesten houden, maar Mina zag aan het gezicht van haar moeder dat het haar zelf niet goed lukte om flink te blijven. Twee weken later lag ook moeder in de ziekenzaal en ook zij gleed langzaam weg.
En zo bleef Mina alleen achter. In een 9 maanden vader, moeder en zusje verloren.

Je zou misschien verwachten dat Mina onmiddellijk zou worden opgenomen in één van de wezengestichten in Veenhuizen. Maar dat gebeurde niet. Mina bleef voorlopig op de kinderzaal van de Ommerschans. Ik vermoed dat de reden hiervoor is dat een administratieve is: de wezengestichten werden betaald uit een contract met de landelijke overheid, terwijl de verpleging van bedelaar-kolonisten werd betaald door de woonplaats van de kolonist, in dit geval de stad Groningen.

Precies drie jaar na haar komst op Ommerschans, op 1 oktober 1828, werd de inmiddels 10-jarige Mina Rosenberg overgebracht naar het Tweede Etablissement te Veenhuizen, oorspronkelijk gebouwd als wezengesticht, maar sinds 1825 in gebruik als dependance van de Ommerschans. In het inschrijvingsregister zien we dan ook dat Mina werd gedetacheerd te Veenhuizen.
In het register zien we ook dat Mina op 1 juli 1829 in ontslagen. Huh, ontslagen? Je zet een kind van 11 toch niet buiten de poort?

Neen, gelukkig niet. Dit ontslag is een ambtelijke term. Mina werd ontslagen als bedelaar-kolonist en tegelijkertijd ingeschreven in het wezengesticht. Kennelijk had men de financiering daartoe rond gekregen.
Er is in het register keurig vermeld dat ze afkomstig is uit het bedelaarsgesticht. En dan het belangrijkste nieuws: op 6 april 1838 is Hendrica Harmina Rosenberg, net 20 jaar oud, ontslagen uit het wezengesticht. Opvoeding afgerond, terug naar de grote maatschappij. Terug naar Groningen. Tenminste... Dat is waar ik haar 15 jaar later terug vindt, als ze op 9 juni 1853 trouwt met de weduwnaar Stephanus Deloor, tapper te Groningen. Zijn vrouw, Aaltje Cornelis van Slogteren, overleed op 8 februari 1852, waardoor hij achterbleef met drie kinderen, resp. 8 jaar, 4 jaar en 2 maanden oud. Het jongste kind overleed drie maanden later.
Bijzonder detail: deze kinderen hebben als achternaam de Loor, maar in zijn huwelijk met Mina wordt als naam Deloor gebruikt. Deze naam is daarmee ook de familienaam voor de kinderen die ze zelf later krijgen. Overigens verandert ook Mina bij deze gelegenheid van naam: Ze heet nu Rozenberg met een z.
Wat ook onjuist in de akte staat, is dat haar ouders te Groningen overleden zijn. Deze fout is te begrijpen, omdat het overlijden van haar moeder ook in Groningen is ingeschreven, maar als men die akte even had gelezen dan had de ambtenaar toch moeten opmerken dat de overlijdensplaats de Ommerschans was. Niet alles in Groningen is Goud...

In 1854 bevalt Mina, inmiddels stiefmoeder voor twee kinderen, van een levenloos kind. Het jaar erop schenkt ze het leven aan dochter Anna. In 1858 is ze 7 maanden zwanger als haar man op 20 februari overlijdt. Op 25 april bevalt ze van een gezonde zoon, die -vanzelfsprekend- de naam Stephanus krijgt.

De geschiedenis lijkt zich te herhalen: een weduwe met kinderen in Groningen. Wat moet er gebeuren? Terug naar de zorg van de Maatschappij van Weldadigheid? De Maatschappij die financieel wankelt als nooit te voren en die het jaar erop de gestichten te Ommerschans en Veenhuizen uit handen geeft aan de Staat der Nederlanden? Neen, in de registers kom ik haarzelf en haar kinderen niet tegen. En als je hoog over de gegevens vliegt dan ziet het vervolg er prima uit. Haar stiefkindren trouwen in 1868 en 1875 en haar eigen kinderen in 1880 en 1885. Wat wil je nog meer.

Als je inzoomt op de details dan komen er toch wat rafeltjes in beeld. In de huwelijksacte van stiefdochter Johanna Elisabeth de Loor met schrijnwerkersknecht Jelte Staal, op 9 april 1868, zien we dat de bruid toestemming voor het huwelijk krijgt van de voogden over het Weeshuis der Nederduitsche Hervormde gemeente te Groningen. Is Mina er niet in geslaagd haar stiefdochter op te voeden tot volwassenheid?

We zien dat Jelte en Johanna Elisabeth samen 9 kinderen krijgen, waarvan 6 meisjes. Geen van deze zes wordt vernoemd naar Harmina Hinderika Rozenberg. Dat is een teken dat de band in de tussenliggende tien jaren verwaterd is.

Als Stiefzoon Derk de Loor in 1875 huwt, is hij al 31 jaar oud en dus is hij niet afhankelijk van toestemming. Hij krijgt drie kinderen waarvan 1 meisje, Aaltje, dat ook niet -volgens de normale ongeschreven regels- vernoemd wordt naar Derk's schoonmoeder, maar -het is suggestief- naar de Derk's eigen moeder Aaltje van Slogteren.

Een postitief beeld krijgen we bij het huwelijk van Mina's zoon Stephanus Deloor in 1880.
Hier zien we dat Mina wel aanwezig is bij het huwelijk van haar zoon, en haar toestemming geeft en de akte ondertekent. Als het goed is dan is er in Ommerschans en Veenhuizen de nodige aandacht aan haar schrijfvaardigheid besteed. Maar dat betaalt zich hier niet echt uit.

Als tenslotte dochter Anna Deloor in 1885 trouwt, zien we dat zowel haar stiefbroer Derk de Loor als haar broer Stephanus als getuige van de partij zijn. Een teken dat de kinderen het onderlinge contact niet verloren zijn. Anna krijgt drie zoons, dus uit het vernoemen kunnen we geen conclusies trekken.

Harmina Hinderika Rozenberg overlijdt tenslotte op 12 december 1901 in het Academisch Ziekenhuis te Groningen, op de gezegende leeftijd van 83 jaar.

Er leven vrijwel zeker een groot aantal nakomelingen van haar. Zo vond ik het huwelijk van haar kleindochter Jantina Egberdina, die als tienjarig meisje het overlijden van haar grootmoeder moet hebben meegemaakt, met touwslager Johannes Wellink in mijn woonplaats Oldenzaal. De touwslagerij van Wellink was meer dan een eeuw een toonaangevende onderneming. Zo zie je maar weer: geschiedenis komt altijd kort bij.

 

 

 

 

 

Reacties