Geplaatst door: 
Verhaal

20 juli 1829 - Zitting van de Raad van Tucht te Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Het is nog maar drie dagen geleden dat de Raad van Tucht te Ommerschans bijeen zat. Kolonist Dirk Ophoop werd veroordeeld tot 12 rietslagen en 5 dagen opsluiting omdat hij tegen bezoekers, die de Schans kwamen bezichten, uitbraakte dat alle geëmployeerden Schelmen en Gauwdieven waren. Dat soort streken moet je een kolonist natuurlijk snel afleren. O ja, en de vrouwelijk kolonisten Maria Teepen en Petronella van den Berg waren betrapt op ontvreemding en verpanding van Koloniale Goederen. Die zaten nu ook in het cachot, om de andere dag in de boeijen en te water en brood. Opdat ze het voor eens en altijd zouden afleren...

Vandaag had voorzitter Paulus van der Wal, adjunct directeur en daarmee de hoogste in rang op de Schans, de Raad bijeengeroepen om drie deserteurs te straffen. Het was niet moeilijk om van de Schans weg te komen. Veldwachter Jan Bladder kon onmogelijk het hele terrein dag en nacht in de gaten houden en als bij het appel bleek dat een kolonist ontbrak, dan had ie meestal een flinke voorsprong. Toch kwamen vrij veel gevluchte kolonisten na korte of langere tijd terug, omdat ze overal in het land opvielen als vreemdeling of omdat ze al snel aan het bedelen sloegen.

Onder de notulen zien we aan het aantal handtekeningen dat de Raad van Tucht een zwaar comité moet zijn geweest.

Een oudgediende in de Raad was de 55 jarige zaalopziener Johann Wilhelm Muller, die sinds 1822 op de Ommerschans werkte. Muller was al twee jaar weduwnaar en stond alleen voor de opvoeding van twee kinderen, zijn zoon van 9 jaar en zijn dochter die volgende week 12 jaar oud werd. En daarnaast oefende hij het toezicht uit over twee zalen met elk 80 kolonisten. Dat was hard werken. Sinds hij op de Ommerschans werkte was hij al meer dan 100 keer naar Ommen gewandeld om aangifte te doen van een geboorte of overlijden op één van zijn zalen.

Arnold Heinrich Vormann, 45 jaar, ook zaalopziener, was sinds 1825 aan de Schans. Ook hij was samen met vrouw en kinderen naar de Schans gekomen en hij was nu juist een jaar weduwnaar. Hij kon vandaag niet bevroeden dat hij over 11 maanden zelf het tijdelijke voor het eeuwige zou verwisselen.

Zaalopziener Martinus Mensink, 53 jaar, werkt net als collega Muller sind het najaar van 1822 op de Ommerschans. Het grote gesticht was kort daarvoor opgeleverd en in korte tijd tot de nok gevuld met kolonisten. Mensink had het geluk dat zijn vrouw in leven was -zij overleed in 1832 op de Schans-. 

De 33-jarige Gerardus ten Broek heeft twee oudere broers, Klaas en Loog, die ook gewerkt hebben voor de Maatschappij van Weldadigheid. Ze kwamen van oorsprong uit Nijkerk en woonden later in Scherpenzeel. Klaas was spinbaas in Frederiksoord en toen zijn broodheren besloten om afscheid van hem te nemen, kreeg Gerardus zijn baan, tegen hetzelfde salaris van 500 gulden per jaar. Gerardus had vier kinderen toen hij in 1829 naar Ommerschans kwam om daar baas te worden over de spinnerij, waar vlas werd bewerkt tot linnen. De oudste twee kinderen waren nog in Scherpenzeel geboren, de jongste 2 in Frederiksoord. Vandaag zag het leven er prima uit voor Gerardus. Hij kon niet bevroeden dat in het komende half jaar 3 van zijn 4 kinderen op de Schans zouden overlijden. Kindersterfte op de Schans was niet exclusief voorbehouden aan de klasse van bedelaar-kolonisten. Op 22 juli 1830 kreeg Gerardus nog wel een dochtertje, maar op 10 april 1832 overleed hij zelf op de Schans. Zijn vrouw en twee kinderen keerden terug naar Scherpenzeel.

Jan Fredriks, 44 jaar, afkomstig uit het Utrechtse Vreeland,is sind 1826 onderdirecteur binnen op de Schans, Hij is de eerst verantwoordelijke voor het gesticht. Hij is gehuwd en voor zover bekend kinderloos. In 1831 eindigt zijn loopbaan bij de Maatschappij.

De 55 jarige Johann Franz Philip Schnatz werkte sinds 1826 met zijn vrouw op de Schans. Hij overleed in 1833, waarna zijn vrouw hertrouwde met zaalopziener Franciscus Adam Kraemer, zie zijn vrouw op 17 januari 1829, een half jaar geleden dus, verloren had. U ziet: van het uitgangspunt dat de zalen bestuurd werden door een vitaal echtpaar kwam in de praktijk niet zo veel terecht.

De notulen worden opgemaakt en als laatste ondertekend door  Jan Hendrik Stous, 37 jaar en onlangs aangesteld als boekhouder op de Schans. Hij trouwt in 1832 met een dochter van zaalopziener Hendrik Meeuwessen. Ze krijgen 6 kinderen waarvan er 4 jong overlijden op de Schans. Zijn vrouw overlijdt daar in 1840 en hijzelf eindigt ook op het kerkhof van de Schans in 1851, na een dienstverband van 22 jaar.

En dan de beklaagden van vandaag:

Allereerst verschijnt Gerardus Joannes Josephus Wolbers voor de Raad. Hij is afkomstig uit de stad Groningen, 38 jaar oud, van beroep kastenmaker, gehuwd en vader van 3 kinderen. De kleine Catharina is ruim een jaar geleden geboren. Gerardus is 4 weken geleden op de Schans aangekomen en hij wil maar 1 ding: naar huis.

In het inschrijvingsregister zien we de nodige details. Gerardus is 1 meter 62 lang en heeft een blozende kleur. Blaakt hij van gezondheid of schaamt hij zich dood?

We zien dat hij al na 14 dagen de benen nam en een week later terug werd gebracht op de Schans. In de notulen van de Raad van Tucht lezen we dat hij voor de 2e maal is gedeserteerd. Dat is 1 desertie meer dan in het register is vermeld. Waarschijnlijk was hij die andere keer al tijdens zijn vlucht in de kraag gevat.

Hij krijgt de standaard straf voor 2e desertie: 10 dagen opsluiting in de boeijen en de laatste 2 dagen te water en brood. Daarna moet hij het destinctief pak dragen ter afschrikking van mede kolonisten. Zou dat echt werken? Of kan het ook als ere-teken worden gezien voor de dapperste kolonisten?

In het inschrijvingsregister zien we dat hij een jaar later, op 21 juli 1830, opnieuw is gedeserteerd en ook nu wordt hij na een week terug gebracht. En zo staat hij op 9 augustus 1830 weer voor de Raad van Tucht en wordt hij opnieuw veroordeeld voor desertie voor de tweede maal...

op 12 october 1830 tenslotte is hij succesvol gedeserteerd. Ook deserteren moet je leren... Thuis in Groningen wordt hij met open armen ontvangen. 6 weken later is zijn vrouw zwanger. Gerardus heeft zijn lesje geleerd: we zien hem niet terug op de Schans.

Tweede beklaagde vandaag is de 19-jarige koloniste Wihelmina Winterhalte. Ze is in 1810 te Nijmegen geboren als Willemina Josephina Anna Winterhalder. Ze is ongehuwd en verblijft sinds 7 november van het vorig jaar op de Schans. Haar desertie voor de eerste maal is niet in het inschrijvingsregister vermeld. Waarschijnlijk was het niet meer dan een poging. Zij krijgt 5 dagen opsluiting en ook zij moet daarna het distinctief pak dragen. In het inschrijvingsregister zien we dat zij een jaar later, op 1 juli 1830, is gedetacheerd -zeg maar overgeplaatst- naar Veenhuizen. Daar moet ze nog tot 1837 blijven in afwachting van haar ontslag.
Niet lang na haar ontslag is ze zwanger. Ze bevalt in Arnhem van een buitenechtelijke dochter die na 8 weken overlijdt. In 1842 is ze opnieuw zwanger. 4 maanden na de geboorte van deze zoon trouwt ze met Godefridus Christiaanse, die het kind bij die gelegenheid als het zijne erkend. Opmerkelijk is dat als deze zoon in  1869 zelf trouwt, er in de huwelijksacte wordt vermeld dat hij een buitenechtelijk kind is en dus geen vader heeft...

De laatste beklaagde vandaag is Aagje Meinderts Miedema. Ze moet geboren zijn in het Friese Mantgum, gemeente Baarderadeel, op 26 maart 1785 en is ongehuwd. We komen haar de eerste maal tegen in het inschrijvingsregister deel F op 8 mei 1828. Daar lezen we ook dat ze op 9 september 1828 gedeserteerd is. En omdat ze na 3 maanden niet terug is wort haar hoofdelijk nummer vervolgens voor een andere kolonist gebruikt.

Daarna wordt ze op 6 januari 1829 weer in de Schans gebracht. Opvallend is dat ze niet vanuit Leeuwarden of Assen wordt binnen gebracht -meestal de aanwijzing dat ze door een rechter is veroordeeld- maar vanuit haar geboorte-gemeente Baarderadeel.

We zien in het signalement van Aaltje dat ze een groote neus en mond heeft en dat ze als merkbaar teeken een wrat voor het voorhoofd heeft.

Haar desertie in 1829, waarvoor ze vandaag voor de Raad staat, is niet ingeschreven in het register. Waarschijnlijk is ze tijdens haar vluchtpoging opgepakt. We is duidelijk waarom ze voor de tweede maal gedeserteerd is; die eerste keer was die uit 1828 die aanvankelijk zo succesvol leek. Op 1 april 1830 is Aaltje overgebracht naar Veenhuizen. In het register zien we verder dat ze op  29 juli 1831 opnieuw is gedeserteerd. Nu is ze binnen de drie maanden terug -17 september 1831- in de Ommerschans. We vinden hierover niets terug in de notulen van de Raad van Tucht. Dat wil niet zeggen dat haar desertie niet voor de Raad is gebracht. Het is eerder een aanwijzing dat niet alle notulen bewaard zijn gebleven: Het zijn veelal losse blaadjes die in de map bij elkaar zijn gelegd...

We zien in register G tenslotte dat ze in 1836 (5 jaar later!) opnieuw naar Veenhuizen is overgebracht. Ze is in dit register niet uitgeschreven, en dus moeten we verder zoeken in het vervolg register. In register H vinden we haar weer keurig terug, inclusief alle mutaties. Daar zien we dat ze tenslotte op 26 juni 1838 is ontslagen te Veenhuizen. Voor zover we nu weten is ze daarna niet in de gestichten terug geweest.

Alle bekende gegevens van Aaltje vinden we op haar genealogische kaart.

Hier zien we alle gebeurtenissen, gekoppeld aan haar Historisch Burger Service Nummer, die in de bronnen van Ommerschans gevonden zijn, chronologisch weergegeven. Zo ontstaat vanzelf een tijdslijn waarbij we direct naar de bron kunnen springen bij elke gebeurtenis.

Eén bijeenkomst op een maandag in 1829. Eén A4-tje. En een handvol verhalen.

Reacties