Geplaatst door: 
Verhaal

21 augustus 1840 - Desertie en Drank

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

De Raad van Tucht te Ommerschans vergadert op vrijdag. Vandaag staan drie kolonisten terecht. Eén wegens desertie voor de tweede maal en twee wegens dronkenschap voor de eerste maal. De straffen zijn verschillend. Hun verhalen ook. Maar hun einde zal hetzelfde zijn: een kerkhof binnen de Koloniën van Weldadigheid. Weldadigheid....

Ruth Giele

Zitting op vrijdag den 21 Augustus 1840. De Raad is te zamen gekomen en wordt door den President geopend.
Wordt voor den zelve gebragt  de Kolonist Ruth Gielen. No 1055, deserteur voor de 2e maal. den zelve geeft voor ontvlugt te zijn door zucht voor Vrouw en Kinderen, doch verklaard het niet weer te zullen doen, uithoofde hij telkens weder wordt opgebragt.
Men laat hem buiten gaan. Gezien art. 11 van het Reglement van Tucht vroeger vermeld.
Den schuldige wordt gestraft  volgens algemeen stemmen met veertien dagen opsluiting waarvan de drie eerste en drie laatste te water en brood, en het dragen van een distinctief pak voor den tijd van vier maanden.

Zo op het eerste gezicht is er weinig mis met de achtergrond van Ruth Giele. Hij komt uit een doorsnee gezin in het Zuidhollandse Rhoon. Hij trouwt in 1827 in Zegwaart en krijgt daar zes kinderen plus twee levenloos geboren kinderen. Als je zijn genealogische kaart bekijkt dan is het enige opvallende, dat hij in 1847 in de gemeente Stad Ommen is overleden.
Maar onder aan de kaart zien we iets opvallends voor iemand uit Zuidholland: Hij komt 13 maal voor in de bronnen op bonmama.nl Dat ie een veeg teken! En wat zien we: terwijl zijn vrouw met drie kleine kinderen thuis zit, wordt Ruth op 26 maart 1840, komend vanuit Rotterdam, ingeschreven in de Ommerschans.
Na drie weken, op 21 april. knijpt hij er tussenuit samen met kolonist Jacob Olof uit Wormerveer die sinds 20 maart in de Schans zit, eveneens met een gezin thuis. Ze worden na een dag bij Oldebroek in hun kraag gevat en terug gestuurd naar Ommerschans. Op 24 maart staan ze samen terecht voor de Raad van Tucht.

Ondanks de veertien dagen gevangenisstraf, waarvan 6 op water en brood, knijpt Ruth er op 8 mei weer tussen uit. Deze keer met meer succes en volgens de regels wordt hij na 3 maanden, op 8 augustus, "geroyeerd". Alsof je lid bent van de Maatschappij van Weldadigheid...

Slechts 12 dagen later, op 20 augustus, wordt hij opnieuw ingeschreven in Ommerschans, opgezonden vanuit Leijden. Daags erna staat hij voor de Raad van Tucht waar hij plechtig belooft niet opnieuw te zullen vluchten. Voor zover bekend houdt hij zich aan deze belofte. Op 27 juni 1842 wordt hij naar Veenhuizen gezonden en daags voor kerst van dat jaar krijgt hij z'n ontslag, opdat hij terug kan keren naar zijn gezin in Zegwaart. Daar is hij niet veel later aangekomen, want zijn vrouw bevalt van een levenloos kind op 16 december 1843. In 1844 wordt dochter Anna geboren. Het kind overlijdt na korte tijd. Op 3 februari 1845 wordt er opnieuw een levenloos kind geboren. Daarna gaat het niet goed met Ruth. Hij komt op 16 december 1845 weer binnen in Ommerschans, veroordeeld in Rotterdam. En dit keer is Ommerschans zijn laatste halte. Hij overlijdt op 2 februari 1847, 51 jaar oud. Zijn vrouw overlijdt thuis in Zegwaart in 1849 en 2 dagen later overlijdt ook zoon Johannes. De twee overgebleven kinderen trouwen in 1850 en 1851 en leiden hun levens in Zuid Holland.

Jan den Arend de Jonge

Ten Tweede verschijnt den Kolonist Jan den Arend, No 1393, schuldig aan dronkenschap voor de eerste maal.
De President zeer ontevreden over zijn gehouden gedrag, verklaard hem strafbaar, ingevolge art. 10 van het Reglement van Tucht, vroeger reeds voorschreven.
Den schuldige geeft voor den drank te hebben gekregen van een goede kennis welke langs de kolonie tuin ging waarin hij werkzaam was. Men laat hem aftreden.
De Raad besluit Jan den Arend te straffen met vijf dagen opsluiting.

Jan den Arend is in 1796 te Zwijndrecht geboren en daar opgegroeid. Hij trouwde in 1817 met de 12 jaar oudere weduwe Elisabeth Euser. Zij had uit haar eerste huwelijk een dochter, en na het overlijden van haar eerste echtgenoot in 1809 kreeg ze in 1815 een buitenechtelijke dochter. Met Jan den Arend kreeg ze drie kinderen, waarvan de eerste twee jong overleden. Op 12 januari 1826 overleed Elisabeth. Zes maanden later, op 25 juli, werd Jan voor de eerste maal ingeschreven in Ommerschans. Voor zover thans bekend kwam hij zonder zijn 4-jarige zoon Andries.
In het schaduwregister lezen we dat Jan tot voor vier jaren (dat zou dan 1822 zijn) in Zwijndrecht heeft gewoond en dat hij daarna heeft rondgezworven. 

De waarheid is genuanceerder. Dat kunnen we concluderen als we het verzoek tot ontslag lezen, dat Jan den Arend op 10 juli 1827 aan Z.M. de Koning richt.
Jan voert aan dat hij aan alle eisen voor ontslag voldoet en daarbij verhaalt hij over de ellende waarin hij met zijn gezin terecht kwam toen hun woning in s'Gravendeel in juli 1825 afbrandde. Ook vertelt hij dat in het jaar erna zijn vrouw en drie kinderen van ellende gestorven zijn. 

Een blik in de kranten van juli 1825 op Delper.nl leert dat op 20 juli 1825 een groot deel van de plaats 's Gravendeel in de as is gelegd door een enorme brand. Daarbij hebben ca 800 inwoners hun huis verloren. Gelukkig is er bij deze brand niemand om het leven gekomen. Maar omdat het merendeel van de woningen onverzekerd was, dreigde armoede voor veel mensen die tot aan de brand hun leven netjes op orde hadden.

In het land vond een grote inzameling plaats en ook Z.M. de Koning schonk 2.000 euro ten bate van de slachtoffers van deze ramp. Maar kennelijk wist Jan den Arend hiervan niet of onvoldoende te profiteren.

Op 9 augustus 1825, amper drie weken na de brand, deed Jan aangifte van het overlijden van zijn zoon Jan.
We zien dat het gezin in een hut woonde aan de Strijenschedijk.

Op 12 januari 1826 deed hij aangifte op het gemeentehuis van 's Gravendeel van het overlijden van zijn vrouw, gestorven anderhalve dag nadat zij een levenloos kind gebaard had.
Het lijkt er op dat het gezin op dat moment weer een echt onderkomen had. Maar het kraambed was doodsoorzaak nr 1 bij jonge vrouwen en zo stapelde de ellende zich op voor Jan den Arend. Als hij al gezworven heeft dan is dat niet lang geweest. De Ommerschans was dan de logische bestemming in het Nederland van 1826.

Het verzoek tot ontslag werd -zoals we in de kantlijn al lezen kunnen- niet onmiddellijk ingewilligd. En zo moest Jan er nog een jaar lang het beste van maken op de Ommerschans. En dat deed hij. Zo meldde hij zich op 7 maart 1828 op het gemeentehuis van Ommen om aangifte te doen van de geboorte van zijn buitenechtelijke zoon Jan.
Bijzonder is dat Jan kennelijk zonder begeleiding (bewaking) naar Ommen mag gaan om aangifte te doen en ook bijzonder is dat hij het vaderschap heel duidelijk opeist. Kennelijk oordeelt men dat Jan niet vluchtgevaarlijk is en wellicht speelt mee dat hij al op de rol staat om ontslag te krijgen.

De moeder, Johanna Harmelink, is een dochter van Bernardus Harmeling, de hoevenaar van Hoeve No 4. Dit is de hoeve die na 1838 het nummer 11 heeft gekregen, 400 meter ten westen van de Schans. Harmeling is in 1818 door de subcommissie van Weldadigheid in de proefkolonie Frederiksoord geplaatst en in augustus 1822 als hoevenaar met zijn gezin naar de Ommerschans gekomen en hoort daarmee bij de eerste lichting hoevenaars aan de Schans. Dat zijn dochter in 1828 ongehuwd zwanger is, strekt niet tot zijn eer. En ze hadden met Johanna al zo veel meegemaakt. In 1821 werd ze al ongehuwd moeder van een dochter, die in Amsterdam geboren werd. Daarna kreeg ze op de Schans een relatie met opziener Johan Frederik Rausch. De overeenkomst met Jan den Arend is dat ook Rausch het vaderschap van drie kinderen opeiste, zonder dat het tot een huwelijk kwam. Rausch is op 26 mei 1826 overleden. Twee maanden later komt Jan den Arend op de Schans aan. Twee wanhopige jonge mensen...

Jan den Arend wordt kort na de geboorte van zijn zoon ontslagen, op 13 juli 1828. Hij blijft in de buurt van de Schans hangen en op 18 december 1829 meldt hij zich in het gemeentehuis van Ambt Ommen, ook te Ommen, om aangifte te doen van de geboorte van zijn buitenechtelijke zoon Lodewijk, die geboren is aan de Vaart (het latere Dedemsvaart). De grote vraag is waarom hij niet is gehuwd met Johanna Harmelink. Wellicht speelt mee dat hij protestants is en Johanna katholiek.

Het gezin weet zich in Dedemsvaart niet te redden. Op 18 mei 1830 wordt Johanna Harmelingh in de Ommerschans ingeschreven met vier kinderen: haar 8 jaar oude dochter Maria,  Bernardus (7) en haar twee jongsten, Jan en Lodewijk. Heel opmerkelijk is dat een week eerder, op 11 mei 1830, Andries den Arend, de zoon van Jan uit zijn eerste huwelijk, op de Ommerschans is ingeschreven -8 jaar oud- komend uit Avereest. Kennelijk heeft zijn vader hem in de afgelopen periode van 's Gravendeel naar Dedemsvaart gehaald. Jan den Arend meldt zich tenslotte op 18 juni 1830 vrijwillig aan de poort van de Schans. Wat daarna volgt is een drama: Johanna Harmeling overlijdt op 15 juli, Lodewijk op 16 juli en Jan Jr tenslotte op 27 november. Opmerkelijk is daarbij dat de vader, Jan den Arend, inmiddels van de Schans vertrokken is: hij is op 6 november uitgeschreven "als in dienst bij de 18e afdeeling".
We vinden de inschrijving van Jan den Arend in de militaire stamboeken eenvoudig via zoekakten.nl. Hier lezen we dat hij op 27 oktober 1830 vrijwillig is geëngageerd als soldaat voor den tijd van zes weken. In de rechter kantlijn lezen we vervolgens dat hij op 19 april 1831 veroordeeld is tot vervallen verklaring van den militairen stand en gecondemneerd (veroordeeld) tot een jaar kruiwagenstraf wegens diefstal in de Combree.

Jan zal in april 1832 zijn straf hebben uitgezeten en weer op vrije voeten gezet. Maar die vrijheid was niet aan hem besteed. Op 27 september is hij terug in de Schans. Zoon Andries zat daar inmiddels niet meer: die was op 20 oktober 1831 naar Veenhuizen overgebracht. Maar daar zien we weer iets opmerkelijks: op 1 mei 1833 wordt Andries terug geplaatst van Veenhuizen naar Ommerschans. Ik durf te stellen dat men er in toestemde dat hij bij zijn vader werd gebracht. In elk geval zien we dat vader en zoon op op maart 1834 samen ontslag kregen. Een week later, op 1 april, zijn vader en zoon al weer terug op de Schans vanuit Elburg. Waarschijnlijk stonden ze daar te bedelen. Dit keer zitten ze samen op de Schans tot 10 juli 1835. En als ze nu ontslag krijgen weten ze nog sneller dan een jaar eerder weer binnen de poort te staan: op 15 juli worden ze weer ingeschreven, komend vanuit Avereest. Het kan heel goed betekenen dat ze aan de poort gesmeekt hebben om weer te worden opgenomen. Deze keer mogen ze blijven tot 28 maart 1837. Ook dan worden ze samen ontslagen,

Nu lopen de wegen van vader en zoon uit elkaar: Op 13 juni 1837 wordt Jan den Arend weer ingeschreven, veroordeeld te Rotterdam. Zoon Andries volgt op 20 juli. Hij klopt gewoon bij de poort aan. Tenminste... hij komt uit Avereest. Maar als hij dan zo vrijwillig binnen is, waarom deserteert hij dan op 17 november 1838? Op 5 december is hij terug van desertie. In de notulen van de Raad van Tucht heb ik geen zaak tegen Andries gevonden. Maar dat is niet vreemd, want reeds 1 dag na terugkomst wordt hij uitgeschreven als aangemonsterd bij de Mariniers. In de Militaire stamboeken heb ik hem nog niet kunnen vinden. 

En zo breekt het jaar 1840 aan. De situatie voor Jan den Arend is uitzichtloos als hij op 21 augustus het matje moet komen bij de Raad van Tucht, omdat hij dronken is aangetroffen. De opgelegde straf van 14 dagen maakt hij niet af, want op 29 augustus wordt hij voor het eerst naar Veenhuizen gestuurd. Daar krijgt hij op 22 maart 1841 ontslag. Maar de vrijheid is geen optie meer voor Jan en op 12 mei is hij al weer terug op de Schans. Voor de 7e maal ingeschreven.  Daarop volgen nog een 8e maal en een 9e maal.

Op 10 februari 1851 wordt hij in Veenhuizen voor de 9e maal ontslagen. Een bijzondere dag. Want het is zijn trouwdag! Hij trouwt met Trijntje Boot, weduwe van Cornelis van Dijk. Zij heeft vanaf 1820 in de vrije kolonie Willemsoord gewoond en brengt haar oude dag door in het derde gesticht te Veenhuizen. Van 10 februari wonen ze samen in "appartement No 87" van het derde gesticht.
Daar overlijdt Jan ruim een jaar later, op 2 mei 1852. Hij wordt begraven in het Vierde Gesticht, de bijnaam voor de enorme begraafplaats te Veenhuizen.

Zoon Andries trouwt op 21 januari 1852 te Rotterdam met Catharina Baerveldt. In de acte staat dat vader Jan den Arend de Jonge op dat moment te Norg woont en van beroep tuinder is. Niets aan gelogen...

Andries en Catharina krijgen in de periode 1851-1861 vijf kinderen, waarvan er drie jong overlijden. Ze wonen te Rotterdam. Dan wordt het gezin op 22 september 1862 ingeschreven te Ommerschans. En de geschiedenis lijkt zicht te herhalen als ze in 1863 en 1868 voor een 2e en derde maal worden ingeschreven. En op 12 januari 1870 overlijdt Andries te Veenhuizen in het derde gesticht. Ook hij wordt in het Vierde Gesticht begraven. Zijn vrouw en kinderen worden later dat jaar ontslagen en keren terug naar Rotterdam...

Jasper van Zwieten


We vervolgen de Zitting van de Raad van Tucht op 21 augustus 1840:

Ten derde verschijnt voor den Raad Jasper van Zwieten, No 671, schuldig aan dronkenschp voor de eerste maal, gepaard geweest met grove vloeken.
Hij verklaard de drank te hebben gekregen van iemand die lang het Gesticht kwam en welke drank hem dadelijk bevangen heeft, dat hij niet wist wat hij deed.
Hij wordt buiten gelaten.
De Raad besluit op hem te moeten toepassen art 10 hiervoren reeds omschreven, zoo mede art. 16 luidende als volgt:
Onzedelijk gedrag in woorden, als vloeken, schelden, razen enx. of met daden door zedenloozen omgang met anderen zal met verplaatsing in de disciplinezaal van een tot acht dagen worden gestraft en bij herhaling daarvan met opsluiting, zoo nodig in boeijen en te water en brood om den anderen dag. HIj wordt dienvolgend gestraft met tien dagen opsluiting.
zij worden allen wederom binnen gelaten, de secretaris leest hun de vonnis voor, waarna zij aftreden.

Jasper van Zwieten komt ogenschijnlijk uit een keurig nest. Zijn vader is binnenloods te Rotterdam en de oudere broer en zussen leiden voor zover ik kan overzien normale levens. Jasper trouwt in 1826 te Rotterdam met Grietje van Osch. Ze krijgen in de periode 1826-1834 vijf kinderen, waarvan er vier jong overlijden.
En dan komt Jasper op 11 april 1840 binnen op de Schans, opgezonden vanuit Amersfoort. Hij is dus "nieuw" binnen de Schans als hij op 21 augustus voor de Raad van Tucht verschijnt. Hij wordt samen met Jan den Arend op 29 augustus 1840 naar Veenhuizen gezonden, alwaar hij op 4 maar 1843 wordt ontslagen.

Op 12 mei 1843 wordt hij al weer ingeschreven te Ommerschans, opgezonden vanuit Arnhem. Twee weken later gaat hij door naar Veenhuizen waar hij nu blijft tot 14 augustus 1846. Het is vreemd dat zijn vrouw daarvan niet op de hoogte is, zo blijkt uit de volgende advertentie in de Rotterdamsche Courant op 26 september 1844:
Kortom: Grietje van Osch heeft er genoeg van en wil scheiden van Jasper van Zwieten.

Feit is dat deze procedure niet tot echtscheiding heeft geleid. De reden hiervoor is mij nog niet bekend. Jasper kwam op 13 oktober 1846 weer terug op de Schans vanuit Rotterdam, ging op 31 oktober weer door naar Veenhuizen en werd 13 februari 1850 weer ontslagen. Tenslotte kwam hij 18 mei 1850 weer op de Schans vanuit zijn woonplaats Rotterdam, ging 30 november door naar Veenhuizen, waar hij op 31 augustus 1852 is overleden in het tweede gesticht, slechts 44 jaar oud. Ook hij werd begraven in het vierde gesticht.

Met zijn dood kwam de weg vrij voor Grietje van Osch om te hertrouwen met Cornelis Post. Japer's zoon Pieter trouwde in 1855, kreeg 7 kinderen waarvan er drie volwassen werden en huwden.

Als achtergrond voor dit artikel heb ik een stuk gebruikt uit de huwelijksbijlagen van Samuel van Zwieten, Jasper's oudste broer. Het betreft een uittreksel van het overlijdensregister van Brielle, waar vader Jacob van Zwieten in 1833 is overleden. Ik wil hiermee de aandacht vestigen op de huwelijksbijlagen in het algemeen: je vindt er de mooiste documenten. Kijk eens naar de tweede pagina met de prachtige lakzegel!

Tenslotte


Op rondvraag van den President niemand der Leden iets meer te hebben voor te stellen, wordt de vergadering gesloten.
Alsdus gedaan op dato alsboven.
was getekend: A. Hulst, Adjunct Directeur en President, J.F. Krieger en P. Postema, onder Directeuren, G. Steenbeek, fabrieksbaas, Blijstra, Bourlard, Muller, zaalopzieners, allen leden der Raad.
De secretaris, Stous.

 

Reacties

afbeelding van Catrien Bijleveld
Erg leuk verhaal!