Geplaatst door: 
Verhaal

23 april 1837 - Diefstal van rogge

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Het verhaal van de bedelaarskolonie Ommerschans kan niet los van de kolonieën in Drenthe geschreven worden. Dat zien we vandaag maar weer aan de hand van een proces verbaal over een voorgenomen diefstal van Rogge bij hoevenaar Jacobus van Blokland.

Het verhaal van vandaag, 23 april 1837, speelt zich af op hoeve nummer 15, waar hoevenaar Jacobus van Blokland de scepter zwaait. Hij is in 1807 geboren in Nieuwerkerk aan de Amstel en op 28 september 1807 gedoopt in de Rooms Katholieke kerk van Amstelveen. Op 7 augustus 1814 overlijdt zijn moeder, Geertruij de Lange. Twee weken later overlijden op dezelfde dag zijn 2 jaar oudere zus Anna en z'n broertje Johannes. Anderhalf jaar later hertrouwt zijn vader, de in Montfoort geboren landbouwer Cornelis de Lange, met de twintig jaar jongere Jantjen van de Wetering. Zij krijgen samen tenminste twee kinderen, dochter Alijda in 1818 en zoon Egbert in 1822.

Waarom het gezin van Blokland in 1823 naar de Vrije Koloniën in Drenthe wordt gebracht, is nog niet opgehelderd, maar het zal niet van weelde zijn. We komen hun inschrijving tegen in een brief van Directeur Wouter Visser van 21 juni 1823, waar is vermeldt dat C. van Blokland met zijn gezin is geplaatst in Kolonie 4, Wilhelminaoord, Hoeve No 103. Er komen drie kinderen mee uit Amsterdam: naast 16-jarige Jacobus komen ook Alijda en Egbert mee naar Drenthe. Zoon Johannes (20) en dochter Alida (21) uit het eerste huwelijk zijn het huis al uit.
Hoeve No 103 lag onder Noordwolde aan de Oostervierdeparten. Op de website Koloniehuizen is het gezin van Blokland niet op deze hoeve te vinden, maar er kan geen misverstand over het adres bestaan want als Jantje van de Wetering op 11 februari 1824 overlijdt, wordt datzelfde hoevenummer vastgelegd in haar overlijdensacte in de gemeente Weststellingwerf. 
Twee maanden later overlijdt zoon Egbert op hetzelfde adres.

Enige tijd later moet het gezin verhuisd zijn naar Hoeve nr 59 in Wilhelminaoord, want daar komen we Cornelis van Blokland in december 1828 tegen in een overzicht van kolonisten die blijvend ongeschikt zijn voor het veldwerk. Gelukkig heeft Cornelis een gezonde zoon in huis: de 21-jarige Jacobus. Op de website Koloniehuizen is deze hoeve goed te vinden, inclusief de bewoners: het gezin van Blokland.
In een overzicht uit het voorjaar van 1830 zien we wat de hoevenaars in kolonie 2 dat jaar gaan verbouwen op het land bij hun hoeve. We vinden van Blokland daar op hoeve nr 59.
Zoals we in de staat zien, woont hoevenaar Joseph Maillij op hoeve nr 60, aan de overzijde van de straat. Hij is in 1823 met zijn gezin vanuit Charleroi in de Zuidelijke Nederlanden in Wilhelminaoord geplaatst en inmiddels barst de kleine hoeve uit met 8 kinderen. Jacobus van Blokland heeft een oogje op de oudste, dochter Marie Francoise.

Pauperparadijs

In de openluchtvoorstelling het Pauperparadijs wordt verbeeld hoe Teunis Gijben in het rijpe korenveld de liefde bedrijft met Cato Braxhoofden. Cato raakt zwanger en de twee trouwen, zij het met de nodige strubbelingen. Deze scene zou 1:1 op Jacobus van Blokland en Marie Francoise Mailly kunnen worden geplakt, want als het koren in september 1830 rijp is, raakt ook de dochter van Joseph Mailly zwanger. Wellicht heeft ze het laat ontdekt en/of lang verborgen gehouden. En misschien was een huwelijk ook hier niet een vanzelfsprekende zaak. Maar iedereen weet wat er gebeurt met zwangere kolonistendochters die niet trouwen: die worden naar de strafkolonie Ommerschans gestuurd.

Jacobus en Marie trouwen op 10 mei 1831 in het gemeentehuis van Wolvega. Net op tijd, want twee weken later wordt dochter Geertruida geboren. Jacobus wordt nu ook officieel de hoevenaar en zijn vader en zijn zus Alida wonen nu in bij Jacobus.

Wateren

Niet lang daarna moet het gezin van Blokland zijn overgeplaatst naar een hoeve bij het landbouwkundig instituut te Wateren, want de volgende drie kinderen worden daar, onder de gemeente Diever, geboren. In een overzicht van gezinshoofden in de kolonie Wateren van 2 oktober 1833 vinden we het gezin van Blokland als kolonisten te Grootwateren. In de drie geboorteactes die Jacobus daar ondertekent geeft hij aan dat zijn beroep arbeider is. Daarmee is het mij nog niet duidelijk wat zijn functie geweest is. Maar feit is dat hij in 1836 is geselecteerd om hoevenaar te Ommerschans te worden.

Ommerschans

Op 30 juli 1836 komt het gezin naar Ommerschans. De boekhouding in die dagen is niet erg duidelijk met betrekking tot de hoeve nummering. Maar gelukkig komen de hoeve nummers in veel andere documenten voor. Zo is in 1838 de Hoevenummering gewijzigd en bij die gelegenheid is een kaart gemaakt, waarop we zien dat van Blokland in Hoeve 15 woont, die dan wordt omgenummerd naar Hoeve nummer 19. Dit is de hoeve die we ook al tegen kwamen in het verhaal op 14 april over Gabriel Wibier. Na diens vertrek in 1830 vestigde zich hier Karel Mulder, die in 1832 plaats maakte voor Klaas Pieters Dijkstra. Dijkstra verhuisde in 1836 naar hoeve nummer 4, waarop Jacobus Blokland vanuit Wateringen naar de Ommerschans komt.
De tweede bevestiging dat het hier om Hoeve 15 gaat zien we vandaag, 23 april 1837, als Jacobus van Blokland een Proces Verbaal opstelt na aanleiding van een poging tot diefstal van Rogge. Meestal lezen we dit soort vergrijpen in de notulen van de Raad van Tucht. Maar deze notulen zijn niet volledig bewaard gebleven. Gelukkig kom je dit soort zaken incidenteel ook op een andere manier tegen, zoals nu in de Post van Weldadigheid. Dat Blokland gewend was om een proces-verbaal op te stellen zagen we al op 3 september 1836, toen hij al problemen had met zijn personeel.

Maar nu het Proces Verbaal van vandaag.Proces-Verbaal
De ondergetekende Jacobus van Blokland, Bouwboer, wonende op de Hoeve No 15 te Ommerschans, gelegen onder de gemeente Ambt Ommen.
Verklaart dat hem op den drie en twintigsten april achtienhonderd zeven en dertig is te wete gekomen, dat zekere bedelaars kolonist met name Hendrik Vermeer bij hem als stalknecht geplaatst, het plan gemaakt had, met zekere Roelof, de paardekoper genaamd, woonachtig aan de Noordzijde van den weg van de kolonie naar Nieuwleuzen, om van hem Hoevenaar Rogge van daar te zullen ontvreemden.
De ondergeteekende bouwboer die genoemde personen op de daad willende betrappen heeft zich in den avond van 23e voornoemd in den Hooiberg van gemelde Hoeve verborgen.
Omstreeks ruim Elf ure, is dan Roelof den paardekooper genaamd, gekomen en zich in den Hooiberg voornoemd willende verbergen, is mij Bouwboer zoo nagekomen waar ik mij verborgen had, dat ik mij niet schuil meer konde houden. heb toen dien -per-

persoon trachten in arrest te houden, dat mij echter is mislukt, met assistentie van den Veldwachter Pollet, wiens hulp ik had ingeroepen, en heeft dit Proces Verbaal mede bekrachtigd.
Intusschen had den Stalknecht Vermeer voernoemd, de zak met Rogge in de schuur van de Hoeve verborgen, met oogmerk zoo als hij zelve verklaart, om die aan zijnen medeplichtigen over te geven, het geen echter niet gebeurt is.
De meergemelde stalknecht is toen met de zak met Rog in arrest gehouden, en heeft daarbij verklaart, dat hij werkelijk het voornemen heeft gehad, om met Roelof den paardekooper genaamd, bewusten zak met Rogge te ontvreemden.
Dit Proces Verbaal is door ons ondergeteekenden opgemaakt, en gesteld in handen van den onderdirekteur buiten te Ommerschans, en vervolgens aan den Heer Adjunkt Directeur de Geus, om daarmede te handelen als dezelve zullen vermenen nodig te wezen.
Aldus ten dage en Jare voorschreven.
Was getekend J. van Blokland; P. Pollet
Voor eensluidend afschrift
de Adjunct Directeur
Ads de Geus

Bijzonder in deze verklaring is dat de heler, Roelof, den paardekooper genaamd, niet met achternaam wordt genoemd. van Blokland weet precies waar de man woont en dus zou je verwachten dat er ook een naam bekend zou zijn. Maar helaas, met deze aanduiding lukt het mij niet om de antecedenten van Roelof na te trekken. Wellicht vinden we Roelof ooit in een andere bron met naam en toenaam.

Hendrik Vermeer

Over de bedelaar-kolonist, stalknecht Hendrik Vermeer, is -met dank aan de bewaarzucht van de Maatschappij van Weldadigheid- wel degelijk iets te zeggen.
Zo zien we dat Hendrik geboren is te Geldermalsen en dat hij gehuwd moet zijn met Carolina van der Pers, met wie hij in Nijmegen woont en tenminste zes kinderen krijgt. Als het jongste kind 14 jaar oud is, wordt Hendrik vanuit zijn woonplaats Nijmegen opgezonden naar Ommerschans. Regelmatig worden er complete gezinnen naar Ommerschans gestuurd, maar ik vind geen aanwijzingen dat zijn gezinsleden ook in de Schans hebben verbleven.
Vandaag zit Hendrik dus al bijna drie jaar op de Schans en ondanks het feit dat hij bevoorrecht is met een baan als stalknecht bij hoevenaar van Blokland, is hij er nog niet geslaagd om de 25 gulden oververdienste bij elkaar te sparen, die nodig zijn om na minimaal 1 jaar verblijf in de Schans voor ontslag in aanmerking te komen. Er zijn toch genoeg voorbeelden van bedelaar-kolonisten die dat na ruim een jaar wel lukt. Wellicht is het de uitzichtloosheid van zijn situatie die Hendrik in de verleiding heeft gebracht om de Rogge van zijn hoevenaar te ontvreemden.

Ongetwijfeld zal Hendrik een week zijn opgesloten na de poging tot diefstal en vrijwel zeker zal hij zijn baantje als stalknecht zijn kwijtgeraakt, waardoor hij weer op het veld aan het werk moet of in de spinnerij. In elk geval heeft hij een jaar later, op 2 juni 1838, zijn ontslag gekregen.

Je zou dan hopen dat de heropvoeding zijn vruchten afwerpt. Maar helaas, zoals in zo vele gevallen zien we Hendrik weer terug. Op 9 augustus 1840 wordt hij opnieuw vanuit Nijmegen naar de Schans gestuurd. Deze keer wordt een nieuwe strategie ingezet: op 31 oktober 1840 wordt hij doorgestuurd naar Veenhuizen. Daar verdient hij z'n ontslag in drie jaar bij elkaar, waarop hij op 27 september 1843 wordt ontslagen. Terug in Nijmegen blijkt dat zijn vrouw enkele maanden daarvoor, op 24 april, is overleden.

Bijna vier jaar blijft Hendrik Vermeer -voor zover ik kan overzien- op vrije voeten, althans buiten de Maatschappij van Weldadigheid. Maar op 23 mei 1847 wordt hij voor de derde maal binnen gebracht op de Schans. Zijn laatste maal, want op 5 maart 1849 overlijdt hij, 76 jaar oud.

Petrus Franciscus Pollet

Over de veldwachter die het proces verbaal mede ondertekend, Petrus Franciscus Pollet, is ook het nodige te vinden in de online archieven van de Maatschappij. In de Post van Weldadigheid van 25 augustus 1828 zien we dat een verzoek van den kannonnier Pollet om te mogen trouwen wordt afgewezen omdat hij minder dan 6 maanden in dienst der Maatschappij is. Tevens beschikt hij niet over de benodigde gelegaliseerde documenten om zijn identiteit te bewijzen en om te bewijzen dat de vorige echtgenoot van zijn verloofde werkelijk overleden is.
Op een overzicht van veteranen van 17 augustus 1829 zien we Pollet op dezelfde lijst staan als Thobias Braxhoofden, de "vader van het Pauperparadijs". Inmiddels zijn eindelijk alle formaliteiten vervuld om het huwelijk met Maria Anna Margant Riego te voltrekken, hetgeen drie weken later, op 5 september dan ook gebeurt.
Zoals we lezen in de acte, erkent Pieter Pollet de vader te zijn van dochter Catharine Josepha, geboren te Charleroi in 1827.

Het huwelijk van Pollet is van korte duur. Op 9 januari 1830 bevalt zijn echtgenote van een dochter, Francisca, en op 15 januari overlijdt zij, ongetwijfeld aan de gevolgen van complicaties bij de bevalling. Het kind overlijdt 3 maanden later.

Een bijzondere brief vinden we in de Post van Weldadigheid van 10 januari 1831, als directeur Jan van Konijnenburg het verzoek van Pollet overbrengt aan Mr Jeremias Cornelis Faber van Riemsdijk, lid van de Permanente Commissie, om zijn invloed aan te wenden om zijn doofstomme kind onder te brengen in het instituut te Groningen "dat hem te aangenamer zijn zoude, naardien hij eerstdaags een tweede huwelijk denkt aan te gaan". Misschien interpreteer ik de tekst verkeerd, maar het klinkt toch alsof de aanwezigheid van dit kind niet gewenst is in zijn nieuwe huwelijk. Het kind in kwestie is de 10-jarige Jean Pieter Vaubaillon, een stiefzoon uit zijn eerste huwelijk.
In een volgende brief van Jan van Konijnenburg over deze zaak zien we dat er een onderzoek is ingesteld, waarbij gebleken is dat Jean Pieter Vaubaillon geschikt wordt geacht om op het Instituut te Groningen te worden geplaatst. Wil Schackmann schreef tijdens het velehanden project Post van Weldadigheid al over Jean Pieter Vaubaillon, die daadwerkelijk op het Guyot instituut is geplaatst en daar opgeleid is tot schilder, waarna hij binnen de Vrije Kolonien is opgenomen. Vaubaillon is daarna driemaal gehuwd en vrijwel zeker loopt er nageslacht van hem rond. 

Daarmee is de "afgedankte" stiefzoon van Pieter Pollet meer succesvol dat de veteraan-veldwachter zelf. Die hertrouwt op 9 april 1831 met de weduwe van een andere veteraan en dient de Maatschappij tot 15 juli 1839, als hij "met gagement" uit de kolonie wordt ontslagen. Daarna ontbreekt vooralsnog elk spoor van Pieter, zijn echtgenote en zijn dochter.

Jacobus van Blokland

En hoe is het verder gegaan met Jacobus van Blokland?
Jacobus en Marie hebben samen 14 kinderen gekregen, waarvan er -voor zover ik kan overzien- slechts één jong overleden is.
Daar staat tegen over dat slechts drie kinderen gehuwd zijn, die samen voor 23 kleinkinderen hebben gezorgd. Ergens rond 1850 is het gezin verplaatst naar Hoeve 10. Zo vinden we van Blokland in de Vergelijkende Staat van de Opbrengsten der Hoeven te Ommerschans over 1855 op een verdienstelijke 6e plaats staan, op Hoeve nummer 10.

Op Hoeve Nr 10 blijft van Blokland zijn werkzame leven wonen. Hier waaien de kinderen de één na de ander uit. Hier overlijdt ook zijn vrouw, Marie Francoise Maillij, op 4 oktober 1871.Aangevers zijn de buren, hoevenaar Antonie Hakkert van Hoeve No 9 en Lambert Heidema van Hoeve No 11. Heidema is een zwager van Cato Braxhoofden, de hoofdrolspeelster uit het Pauperparadijs. Op Hoeve 11 overlijdt in 1874 Christina Koene, de weduwe Braxhoofden. Zo zien we alle verhalen in de Koloniën van Weldadigheid door elkaar vlechten.

Jacobus van Blokland vertrekt op 5 april 1877, bijna 70 jaar oud, met twee dochters naar Avereest, waar ze "op stand" aan de Kalkwijk in Dedemsvaart gaan wonen (tegenwoordig Julianastraat). Begin 1880 is Jacobus verhuist naar wat tegenwoordig de Moerheimstraat is. Daar is hij op 19 februari 1884 overleden, 76 jaar oud.

In 1881 heeft Jacobus nog wel mee moeten maken dat zijn zoon Cornelis, die dan koster is te Veenhuizen, overlijdt. Zijn vrouw Johanna van Munster blijft met vier kinderen achter. Zij neemt de baan van haar man over maar in 1887 overlijdt zij ook. De kinderen worden bij ooms en tantes ondergebracht, waar drie van hen jong overlijden. Drama's zijn niet het exclusieve recht van de Maatschappij van Weldadigheid...

Reacties