Geplaatst door: 
Verhaal

26 februari 1842 - Twee gulden boete voor vloeken en tieren in de zakkenweverij

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Meestal staat er een bedelaar-kolonist voor de Raad van Tucht te Ommerschans. Vandaag is de Raad bijeen in een speciale zitting voor arbeiders-huisgezinnen. De zoon van een zaalopziener en twee zoons van een veteraan-veldwachter hebben in de koffie-balen weverij het slechte voorbeeld gegeven door te vloeken en schelden.


De jute zakken van Ommerschans gaan de hele wereld over. Ze worden bijvoorbeeld verscheept naar Nederlands Indie om gevuld met koffiebonen en andere landbouwprodukten terug naar Nederland of naar andere landen te worden gestuurd. Ze worden vervaardigd in de weverij op de binnenplaats van het bedelaarsgesticht en inmiddels staan de weefgetouwen ook al op de zolders van het gesticht.

Dankzij de notulen van de Raad van Tucht weten we dat er in de weverij niet alleen bedelaar-kolonisten te werk worden gesteld. Ook de opgroeiende zoons van de beambten op de Schans leren er werken. Maar van die jongelui verwacht je dat ze in hun gedrag het goede voorbeeld geven voor de kolonisten. En als er dus drie van die knapen lopen te tieren en schelden "als groten' dan moeten ze ter verantwoording worden geroepen.

En zo staan vandaag de 22 jarige Frederik Jacobus Muller, de 18 jarige Christiaan Koene zijn 15-jarige broertje Andries Koene voor de Raad van Tucht.
Zitting van Zaturdag 26 February 1842
Raad van Policie en Tucht voor de Kolonisten Huisgezinnen
De Leeden zijn alle tegenwoordig, de President opend de Vergadering.
De Voorzitter brengt ter Kennisse van den Raad; dat bij hem zijn ingekomen klagten tegen de 2 Zoonen van de veteraan Koene en de zoon van den Zaal Opziener Muller zijnde alle 3 als Wevers werkzaam op de zakkeweverij, dewelke zich niet ontzien hebben om onderling op de fabriek te vloeken, en schelden.
Men laat hun binnen komen.
De President, zeer misnoegd over hun gehouden gedrag, geef hun te kennen dat zulke soort van kwade jongens, welke een ander tot voorbeeld moeten strekken, niet op de fabriek kan dulden, waarop zij te kennen gave, dat het ene woord het andere gedaan heeft, en om verschoning verzochten.
Zij worden buiten gelaten.
De Raad overwegende, dat zulke, zoo als men het noemen mag Brood dronken Jongens moeten gestraft worden, besluit met eenfrangheid van stemmen hun te straffen met ieder f 2,= in te houden van hun verdiensten als Zakkenwevers, en indien zij de minste disordre of front weer veroorzaken, zij onmiddelijk van de fabriek zullen gezet worden.
Men laat hun binnen komen. de Secretaris leest het vonnis voor waarna zij aftreeden.
Niemand op rondvraag van de President iets meer hebbende voor te stellen, wordt de vergadering geslooten.
Aldus gedaan op dato als boven. /was getekend
/

Koene

De gebroeders Koene zijn kinderen van Veteraan-veldwachter Derk Koene, wiens naam volgens de bevolkingsadministratie van de Maatschappij van Weldadigheid eigenlijk Theodorus Coonen moet zijn. Onder die naam vinden we hem ook in het militaire stamboek. Daar lezen we dat Theodorus vanaf 1797 actief is als fuselier (soldaat) en dat hij deel nam aan diverse veldtochten in Oostenrijk en Pruissen.
BIj de geboorte van zoon Christiaan in 1824 in de Noordbrabantse garnizoensplaats Heusden, doet de 38-jarige fuselier Dirk Coenen zelf aangifte, hoewel hij niet gehuwd is met de moeder van zijn zoon.
In de kantlijn zien we dat Derk zijn kind wettigt bij zijn huwelijk met Antje Smits, op 3 juli 1828 te Heusden. Bij die gelegenheid wordt ook zoon Andries (1826) erkend. Een paar maanden later, op 26 september,  is Koene gedetacheerd bij de Maatschappij van Weldadigheid. Hij krijgt met zijn vrouw en twee zoons een woning aan de buitenzijde van het derde gesticht te Veenhuizen, op dat moment in gebruik als wezengesticht. Op 1 juni 1830 wordt Koene voorgedragen voor de functie van veldwachter, als plaatsvervanger voor de kolonist-Veldwachter Hoeboer.
Koene is vermoedelijk omstreeks 1832 overgeplaatst naar Ommerschans, waar het gezin is geplaatst in één van de limiethuisjes binnen de gemeente Avereest. Daar werd op 8 januari 1833 een dochter geboren, die de bijzondere voornaam Maria van Dotmond kreeg.
De eerste getuige bij deze aangifte, Nicolaas Verhulst, heeft in 1833 al een flinke historie binnen de Maatschappij achter de rug.

In 1840 vinden we het gezin Koene in het oudste bevolkingsregister van beambten in de Schans.
We zijn nu twee jaar verder en de beide jongens zijn aan het werk gezet in de koffiebaalweverij op de binnenplaats van het gesticht. En vandaag zijn ze berispt vanwege hun "kwade jongens" gedrag.

In mei 1842 -dus drie maanden na deze berisping- heeft Christiaan de kolonie verlaten "zonder voorkennis der directie". Hij gaat vrijwillig in militaire dienst. En dat loopt niet goed voor hem af. Hij overlijdt op 13 december 1844 in het garnizoens hospitaal te Vlissingen. Hij was flankeur in de 3e compagnie 4e bataillon 7e regiment infanterie.

Wellicht heeft Christiaan's overlijden vader Dirk Koene zo aangegrepen dat het ten koste van zijn gezondheid is gegaan. In elk geval overlijdt Dirk op 24 september 1845.
Binnen 14 dagen moet de weduwe Koene met haar twee kinderen de woning bij Ommerschans verlaten. Ze worden overgebracht naar Veenhuizen. Daar hertrouwt Anna Smits in 1853 met veteraan en weduwnaar Everard Honings. Honings heeft 20-jarige zoon, Teunis, die in 1861 trouwt met zijn stiefzuster Maria van Dotmond. Ik heb uit deze relatie geen kinderen gevonden. Uit een later huwelijk heeft Maria wel twee kinderen.

De andere "kwade jongen", Andries, overlijdt ongehuwd in 1873 in Assen, op 47-jarige leeftijd, slechts twee maanden na het overlijden van zijn moeder.

Voor de derde "Brood Dronken" jongen die vandaag gestraft is, ziet de toekomst er ogenschijnlijk zonniger uit.

Muller

Vader Johann Wilhelm Muller is in 1774 geboren te Burg Friedberg in Hessen, even ten noorden van het Duitse Frankfurt a/d Main.
Muller heeft net als collega Koene een militaire achtergrond. Maar in tegenstelling tot Koene heeft hij de dienst al verlaten als hij in 1822 zijn opwachting maakt op in de Ommerschans. Hij behoort tot de eerste groep zaalopzieners in het nieuwe gesticht.
http://www.bonmama.nl/postvw.php?pag=13171In dit document zien we de namen van de eerste lichting zaalopzieners op de Schans, Joost Christiaan Evers, Sergeant Majoor Johann Wilhelm Muller, Gerrit Reemst, Jan Honing Jr en Hermanus Honing. De gebroeders Honing, in deze brief aangeduid als de twee jonge Heeren Honing, zijn zoons van de baas van de Spinnerij, Jan Honing Sr die formeel de positie van onderdirecteur bekleedt.

Muller is in 1816 te Groningen gehuwd en in de jaren daarna is hij als militair in de Zuidelijke Nederlanden gestationeerd. In Gent worden zijn twee zoons geboren. Een paar maanden voor hun komst naar Ommerschans wordt een dochter geboren, die op 30 november 1822 te Ommerschans is overleden. Muller's echtgenote overlijdt op 6 januari 1827. Vier jaar later, op 2 juni 1831 hertrouwt Muller met de voormalige bedelaar-koloniste Leuntje Mieras, die al op 25 juli 1823 op de Schans is ingeschreven en die op 16 augustus 1827 haar ontslag kreeg. Waarschijnlijk is Leuntje daarop niet terug gekeerd naar haar geboortegrond in Zeeland, maar op de Schans gebleven. Als ze op 2 juni 1831 trouwt met Muller, is ze hoogzwanger, want 12 dagen later schenkt ze het leven aan een zoon.
Dit kind overlijdt op 11 mei 1832. Daarna breekt een "rustige" periode aan van 10 jaar, waarin de twee kinderen uit het eerste huwelijk van Muller opgroeien. Dochter Carolina Bernardina trouwt op 11 september 1840 met Martinus Johannes Favie, kleinzoon van Jacobus de Wals. De Wals kwam in 1818 als proefkolonist vanuit Geertruidenberg naar Frederiksoord en vervolgens op 4 april 1837 met zijn schoonzoon Jan Willem Mulder naar de kolonie Ommerschans, waar Mulder als hoevenaar werd aangesteld op Hoeve No 16.
De huwelijksacte van 11 september 1840, een plechtigheid die geleid is door de ambtenaar der Burgerlijke Stand van Avereest, Frederik Boterman, bevat opmerkelijke gegevens: Er staat duidelijk dat de ouders van de buidegom, Johannes Fague en Maria de Wals, in Avereest woonachtig zijn en bij het huwelijk aanwezig, "hun toestemming gevende". Maar ik kan niet anders dan tot de conclusie komen dat vader Jan Hendrik Favier in werkelijkheid in 1832 overleden is te Gouda en dat moeder Maria de Wals in 1840 nog steeds te Gouda woonachtig is. Dit is -tot dat iemand mij een goede verklaring kan geven- een zeer opmerkelijk feit. Dat wordt nog eens versterkt door de verklaring van bruidegom en bruid dat zij niet staat zijn om bewijzen van hun geboortes te overleggen. Voor de bruid is dat verklaarbaar: zij is in Gent geboren en in 1840 wil de Nederlandse Overheid nog geen "zaken doen" met de autoriteiten in de afgescheiden Zuidelijke Nederlanden. Maar Favie of Faque is gewoon in Geertruidenberg geboren! In "de proefkolonie" van Wil Schackmann zien we dat kleinzoon Marten Johan Favie in 1818 met zijn grootouders mee komt naar Frederiksoord en dat zijn ouders daar niet worden ingeschreven. Dat betekent dat Martinus niet bij zijn natuurlijke ouders is opgegroeid en wellicht is hij ze helemaal uit het oog verloren. Maar dan nog is het niet te rijmen dat er op dat punt harde onjuistheden in de huwelijksacte worden gezet...

Overigens is ook Nicolaas Verhulst weer van de partij bij de huwelijksvoltrekking. Vrijwel zeker heeft hij met zijn fraaie handschrift de huwelijkacte opgesteld.

26 februari 1842

Het is nu 26 februari 1842. Amper vijf weken geleden is Leuntje Mieras, de tweede echtgenote van Johann Wilhelm Muller, overleden. En vandaag is zoon Fredrikus Jacobus 2 gulden inhouden op zijn loon wegens schelden en vloeken in de zakkenweverij. Dat vader Muller die schande nog moet meemaken aan het eind van zijn loopbaan. Twee weken geleden is hij 66 jaar oud geworden en binnenkort mag hij naar Veenhuizen om daar van zijn pensioen te gaan genieten.

En Fredrikus Jacobus? Die trouwt op 23 januari 1843 op het gemeentehuis van Ommen met Antje Thijses Hornstra, die als dienstbode inwonend is bij winkelhouder Martinus Mensink
Ze trouwen niet zonder reden, want 2 dagen na de voltrekking van hun huwelijk bevalt Antje van een zoon. Dat betekent dat Frederik niet lang na zijn berisping wegens vloeken en schelden een veel ernstiger daad moet hebben begaan: die van "den onzeedelijken omgang".
Opvallend is dat Frederik Jacobus Muller, die vier dagen geleden nog in de gemeente Stad Ommen woonde, nu ineens inwoner van Avereest is!. Verder zien we dat ook Nicolaas Verhulst weer van de partij is bij de aangifte.

Voor straf naar Veenhuizen

Of het stel formeel is gestraft voor hun onzedelijk gedrag -Aartje naar zijn Vaartje-, daar kan ik nog geen antwoord op geven, maar per saldo kwam die straf wel, want al op 9 februari 1843, dus twee weken na de geboorte van hun zoon, wordt het stel -met kind- als bedelaar-kolonist ingeschreven in de Ommerschans en een week later worden ze naar het derde gesticht in Veenhuizen gebracht. 
In Veenhuizen worden ze aanvankelijk binnen het Derde Gesticht geplaatst, wat betekent dat mannen en jongens gescheiden worden van vrouwen, meisjes en kleine kinderen. Maar in het bevolkingsregister van Veenhuizen zien we dat het gezin op 18 september 1843 als bedelaars-huisgezin is geplaatst aan de buitenzijde van het gesticht, in één van de vele woningen.
Daar in woning nr 91 worden tot 1854 nog vier kinderen geboren, terwijl het oudste kind in 1847 overlijdt.

Eerherstel

Op 16 april 1855 is het gezin Muller ontslagen te Veenhuizen en niet lang daarna is Frederikus Jacobus Muller als veldwachter aangesteld te Ommerschans. Voor de tweede maal in zijn leven wisselt hij van stand. In de kolonie Ommerschans worden nog drie kinderen geboren, waarmee het totaal op acht komt, waarvan er drie jong zijn overleden.
Via de genealogische kaart kan direct gesprongen worden naar 74 online bronnen waarin Fredrikus Jacobus Muller voorkomt. Zo zien we dat hij omstreeks 1870 moet zijn bevorderd tot onderbrigadier. Omdat het bevolkingsregister van Stad Ommen in de periode 1870 niet eenduidig is bijgehouden (alle geregistreerden zijn op zeker moment "ambtshalve doorgehaald"), is het onduidelijk wanneer Muller en zijn echtgenote van Ommerschans zijn vertrokken. Maar in de bevolkingsregisters van Veenhuizen komen we het stel weer tegen. Daar zien we dat ze op 15 november 1878 van Ommerschans naar Veenhuizen zijn gekomen. Op 1 oktober 1890 zijn ze van Veenhuizen naar Amsterdam vertrokken.

In het bevolkingsregister van Amsterdam zien we vervolgens dat ze daar op 9 oktober 1890 zijn ingeschreven op het adres Eerste Parkstraat no 65, van waar ze op 25 maart 1891 zijn vertrokken naar het Zuidhollandse Berlicum. Daar is Antje Hornstra op 19 februari 1897 overleden, 74 jaar oud. Het overlijden van onze "Kwade Jongen" heb ik nog niet gevonden. Hij is op 8 april 1897 vertrokken van Berlicum naar Hilligersberg, leefde nog in 1899 en is overleden voor 1908.

 

Reacties