Geplaatst door: 
Verhaal

27 augustus 1823 - De Onegte kinderen van Maria Rooks

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

In de periode 1823-1870 zijn er in Ommerschans 844 kolonisten-kinderen geboren, waarvan 497 "onegte" kinderen (na 1870 was Ommerschans een mannen-kolonie). Een groot deel van deze kinderen is jong overleden. Vandaag het verhaal over de koloniste Maria Rooks en haar onegte kinderen.

Maria Cornelia Rooks of Roox is geboren en gedoopt te Westerblokker op 15 april 1794, als dochter van Lambertus Roox en Hendrikje Rustenberg.

Maria was 6 jaar oud toen haar moeder overleed en op haar 14e werd ze wees, waarna ze in het R.K. wees- en armenhuis te Hoorn terecht kwam. Van daar ging ze naar het Werkhuis in Hoorn. In 1822 behoorde ze tot de eerste groep bedelaars die vanuit Hoorn naar het nagelnieuwe etablissement op de Ommerschans werd gebracht. Aan dat transport werd in Hoorn niet van harte meegewerkt, zo lezen we in "de Bedelaarskolonie" van Wil Schackmann. Weliswaar had de Koning in maart besloten dat alle bedelaars die in staat zijn te werken, naar Ommerschans zouden moeten worden gebracht: de Werkhuizen gaven daaraan geen actieve medewerking want daarmee zouden ze een belangrijke bron van inkomsten missen. Op 24 september 1822 was het enorme gebouw op de Ommerschans gereed. Op dat moment verbleven er al 11 bedelaars uit Delft. Op 10 oktober 1822 kwam een groep van 48 vrouwen en kinderen uit Hoorn aan in de Schans. Ze kregen de hoofdelijke nummers 23 t/m 70. Maria Rooks werd ingeschreven onder nummer 51.
We zien in haar signalement dat Maria een pokdalig voorkomen heeft en mank is aan de linkerzijde.

Het eerstvolgende dat we tot nu toe van Maria vinden, is de geboorte van haar zoon Jacobus, op 27 augustus 1823.

We lezen in de geboorte acte dat Maria ongehuwd is en dat niemand zich opwerpt als vader. Gelet op de geboortedatum mogen we concluderen dat het kind verwekt is op de Ommerschans. Je zou kunnen specularen of de tweede getuige in de acte, Antonius van Damme, misschien de vader zou kunnen zijn. Het is namelijk niet gebruikelijk dat kolonisten mee gaan naar Ommen voor een geboorte aangifte, tenzij ze de vader van het kind zijn. Ondersteunend bewijs igt er in de naam van het kind: Jacobus. We zien namelijk in de inschrijving van Antonius van Damme dat de voornaam van zijn vader Jacobus is. Verder zien we dat Antonius buiten deze aangifte slechts éénmaal vaker als getuige is opgetreden, bij de aangifte van de geboorte van Willem Hendrik Kast, de zoon van zaalopziener Salomon Kast.

Jacobus Rooks is het eerste binnen de Ommerschans verwekte onechte kind. Weliswaar beviel Antje Molewijk op 20 juni ook al van een onecht kind, maar zij was de dochter van hoevenaar Johannes Molenaar uit Frederiksoord. Toen duidelijk werd dat Antje zwanger was, werd zij in maart voor straf naar de Ommerschans gestuurd "uithoofde van haar onzeedelijke gedrag waarvan de gevolgen reeds zichtbaar en door haar erkend zijn". Antje en haar dochter zijn nimmer ingeschreven in het register van bedelaar-kolonisten.

Jacobus Rooks daartentegen is wel ingeschreven als bedelaar-kolonist, onder nummer 1142. Over deze inschrijving vinden we nog enige correspondentie in de Post van Weldadigheid.

Jacobus Rooks overleed op 18 jun 1824, ruim 9 maanden oud.


In onderstaande grafiek zien we de leeftijd van alle 5.800 overledenen binnen Ommerschans over de periode 1819-1890.

Hier zien we dat 8,9% van de overledenen jonger dan 1 jaar was. Hieruit mag je niet concluderen dat de kans om ouder dan 1 jaar te worden meer dan 90% was! Een groot deel van de jonggeborenen binnen Ommerschans werd overgeplaatst naar Veenhuizen en overleed daar op jonge leeftijd.

In het najaar van 1825 was Maria Rooks opnieuw zwanger. Haar zoon Dominicus werd op 22 april 1826 geboren.

Opvallend is de keuze van de naam voor haar zoon: Dominicus. Een weinig voorkomende naam. Maar op Ommerschans waren in 1826 een aantal mannen met deze naam: De 58 jarige hoevenaar Dominicus Meder, diens 26-jarige zoon Frans Dominicus Meder, en de 14 jarige kolonist Dominicus Colfs. De laatste was overigens in september 1825 met ontslag vertrokken. In de eerste versie van dit verhaal heb ik aannemelijk proberen te maken dat Frans Dominicus Meder de vader zou zijn van het kind. Echter, toen ik voor de zekerheid het R.K. doopboek van Ommerschans doorbladerde, werd mijn theorie keihard onderuit gehaald: de kersverse pastoor van Ommerschans, Antonius Tempelman, had Maria stevig ondervraagd, waarop zij had opgebiecht dat kolonist Constantinus Quicke, die op 13 maart 1823 uit het gesticht van Brugge naar de Ommerschans was gekomen, de verwekker van haar kind was. In het inschrijvingsregister zien we dat de vader van deze Quicke de naam Domie draagt, ongetwijfeld een afkorting van Dominicus. Onnavolgbaar is de inschrijving van de doop: Tempelman geeft daar de vader de naam Franciscus Dominicus Quicke.
Constantinus Quicke behoort bij de groep van 30 kolonisten die op 30 juli 1826 vertrokken naar Harderwijk, voor een zesjarig dienstverband in Nederlands Oost Indie. Vader en zoon hebben elkaar nimmer terug gezien.

Ik heb de eerste inschrijving van Dominicus Rooks in het inschrijvingsregister niet kunnen vinden. Toch is het aannemelijk dat hij op de Ommerschans is verbleven en dat hij samen met zijn moeder op 15 mei 1829 ontslag heeft gekregen. Want als Maria Rooks op 21 juli 1831 voor de tweede maal wordt ingeschreven op de Ommerschans, komt zoon Dominicus met haar mee. Wie we bij deze inschrijving missen is het derde kind van Maria Rooks, dochter Maria Hendrika, die intussen is geboren buiten de Ommerschans, in de gemeente Avereest, op 6 mei 1830. Vrijwel zeker moet het kind intussen overleden zijn, maar daarvan is het bewijs nog niet gevonden.

Bijzonder in deze acte is dat de tweede getuige, Nicolaas Verhulst, een oude bekende was van Maria: hij kwam met zijn gezin op 31 december 1822 in de Schans aan. Wil Schackmann schreef uitgebreid over Verhulst in de Bedelaarskolonie.

Vrijwel zeker had Maria Rooks tijdens haar tweede verblijf te Ommerschans de gelegenheid zelf voor haar zoon Dominicus te zorgen, want beiden werden tegelijk ontslagen op 23 juni 1838. En beide werden ook weer ingeschreven op 13 oktober van hetzelfde jaar. Opvallend bij deze inschrijving is dat zoon Dominicus nu onder de naam Franciscus Dominicus wordt geregistreerd. Die naam komt overeen met zijn doopnaam.
Op 15 december 1838 werden beiden overgeplaatst naar Veenhuizen, waar Dominicus op 18 april 1843 werd uitgeschreven: hij ging in dienst bij het 83e regiment.
Maria kreeg een jaar later, op 4 maart 1844, ontslag. Opnieuw slaagde ze er niet in een duurzaam bestaan buiten de koloniën op te bouwen en op 3 juli 1845 werd ze op Ommerschans opnieuw ingeschreven, opgezonden uit Zwolle. Dit keer bleef ze 5 jaar, tot 16 mei 1850. En na dit ontslag leek het lange tijd dat ze haar draai in de maatschappij kon vinden. Ze vestigde zich in haar geboorteplaats Blokker en op 17 juni 1853 was ze in Hoorn aanwezig bij de huwelijksvoltrekking tussen haar 27-jarige zoon Dominicus en Aagje Eijsscher.

Verderop in de akte zien we dat Dominicus en Aagje bij het huwelijk een kind erkennen dat in 1852 geboren is. Nu is het niet altijd zeker dat de bruidegom daadwerkelijk de biologische vader van een voorkind is, maar in dit geval is het wel aannemelijk, want Dominicus was zelf getuige bij de aangifte van zoon Gerrit.

De nabijheid van dit familiegeluk bleek geen garantie voor een stabiel leven voor Maria Rooks. Op 31 augustus 1855 was Maria voor de 5e maal terug op de Ommerschans, opgezonden uit Zwolle. Na een maand ging ze door naar Veenhuizen, waar ze op 31 december 1856 werd ontslagen. Op 31 januari 1857 werd ze opnieuw ingeschreven, andermaal uit Zwolle, waar de kantonrechter heel gemakkelijk een recept uitschreef voor de Schans. Opnieuw ging ze door naar Veenhuizen, waar ze deze keer kost en inwoning kreeg tot 17 mei 1861. In de zomer van 1861 redde ze zich buiten het gesticht, maar toen het blad van de bomen viel, hield Maria haar hand weer op in Zwolle en zo kwam ze op  8 oktober 1861 voor de 7e maal binnen op Ommerschans. Dit keer werd ze niet doorgezonden naar Veenhuizen. Nog één maal herhaalde zich het ritueel. Op 3 mei 1866 werd Maria ontslagen op de Schans en reeds op 8 juni werd ze weer binnen gebracht. Voor wie iets in nummers ziet: 8e maal op 8-6-1866. Het was genoeg nu. Eén jaar en 6 dagen later overleed Maria Rooks, 73 jaar oud, bijna 44 jaar na haar eerste binnenkomst op de Schans.

Toen Maria in 1824 haar dochter begroef was het kerkhof bij de Schans klein en leeg. Voor haar eigen begrafenis was het zoeken naar een plaats tussen 5.000 graven.

Waarschijnlijk was zoon Dominicus niet op de begrafenis aanwezig. Ook zijn leven verliep -hoewel buiten de Koloniën van Weldadigheid- niet gladjes. Zo zien we dat hij in 1869 in Leeuwarden werd ingeschreven, in de kost bij de weduwe Huppers en haar gezin. Intussen woonde zijn vrouw in Blokker. Zij overleed daar in 1874. In haar overlijdensacte lezen we dat ze de echtgenote was van Gerrit Rooks. In Leeuwarden schreef men keurig bij dat Dominicus weduwnaar werd. Hij hertrouwde in 1878 met Sibbeltje Huppers, dochter van zijn kostjuffrouw. Hij overleed in Leeuwarden in 1884.

DNA

Kleinzoon Gerrit Rooks zorgde voor een trendbreuk in de familiegeschiedenis. Hij had 8 kinderen -3 levenloos geboren kinderen niet meegerekend- waarvan er 5 huwden. Via deze smalle tak in Maria's levensboom is er alsnog een flink nageslacht geboren

Reacties