Geplaatst door: 
Verhaal

27 januari 1841 - Schuldig aan het verwaarlozen van zijn klompen

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

De Raad van Tucht is vandaag weer in vergadering bijeen. Nadat een deserteur de gebruikelijke straf heeft gekregen verschijnt bedelaar-kolonist No 2505 met de naam Johan Joachim Berner. Hij heeft uit baldadigheid zijn klompen stukgeslagen. Zijn verweer: die klompen zijn van slecht hout gemaakt...


We lezen de notulen van de Raad van Tucht van Ommerschans, vandaag bijeen.
Ten tweeden verschijnt voor den Raad Johan Joachim Berner No 2505 schuldig aan het verwaarlozen van zijn klompen, doordien hij dezelve uit baldadigheid stuk slaat of gooit als mede wegens brutaliteit jegens zijn zaalopziener. Naar ondervraging geeft hij te kennen dat de klompen van slegt hout gemaakt worden en meer andere praatjes. En dat het hem ook weinig kan verscheelen hoe het gaat .
Men laat hem aftreeden.
Gezien Art. 9 luidende als volgt:
Alle ongehoorzaamheid jegens de koloniale ambtenaren, zal met verplaatsing in de disciplinezaal van drie tot acht dagen worden gestraft en indien dezelve met brutaliteit gepaard gegaan is, met opsluiting voor denzelfde tijd in de provoost. Alsmeede Art. 13 hier voren gemeld.
De Raad neemt in overweging gemelde artikelen op hem te moeten toepassen, besluit den schuldigen te straffen met zes dagen opsluiting.

Wismar

Zijn naam is voluit Johann Joachim Friedrich Berner. Zijn wieg stond in 1810 in het Noordduitse Wismar. In deze stad werd in de 13e eeuw met buursteden Rostock en Lübeck de basis werd gelegd voor het Hanzeverbond. Bij de vrede van Munster in 1648 werd Wismar een Zweedse enclave. In 1803 werd Wismar door Zweden verpacht aan groothertogdom Mecklenburg en pas in 1903 werd de stad formeel Duits. Bij de geboorte van Berner stond Wismar dus onder "Duits" gezag.

De 30-jarige Berner wordt op 4 augustus 1840 ingeschreven op de Ommerschans, opgebracht vanuit Rotterdam. We zien in het register dat hij in Wismar onder Mecklenburg is geboren op 10 juli 1810.
In de kolom Aanmerkingen zien we dat Berner zich niet zondermeer schikt in zijn opzending naar de koloniën. Op 29 augustus 1840 wordt hij vanuit Ommerschans naar Veenhuizen gezonden, waar hij zes weken later deserteert. Een maand later wordt hij in Rotterdam weer in zijn kraag gevat en naar de Ommerschans terug gebracht, waar hij op 17 november, ruim twee maanden geleden, opnieuw is ingeschreven. Vandaag is hij veroordeelt tot zes dagen opsluiting. Dat is de milde variant: hij wordt niet op water en brood gezet en hij hoeft ook niet in de boeien.

Vervolgens zien we in het register dat hij op 22 maart opnieuw naar Veenhuizen is gebracht, waar hij op 19 juni 1841 is gedeserteerd. Nooit meer terug gezien in de koloniën...

Een kort verhaal dus deze keer, maar wel met een epiloog.

Zwolle

We schrijven 28 mei 1845, vier jaar later. Johann Joachim Friederich Berner, naar zeggen 33 jaar oud, meldt zich op het stadhuis van Zwolle. Hij is kuiper van beroep en woonachtig te Wismar. Hij verklaart dat de dag ervoor zijn vrouw Friederica Fertina Imken, ook woonachtig te Wismar, te Zwolle is bevallen van een kind van het mannelijk geslacht, dat de naam Friederich krijgt.

We zien onder de geboorte acte een keurige handtekening van de jonge vader, die doet vermoeden dat hij de pen regelmatig hanteert.

In een handelsstad als Zwolle wemelt het van de reizigers, meest handelslieden. Dat deze lieden hun vrouw meenemen is bijzonder en ook het beroep van kuiper lijkt me niet de meest voor de hand liggende. Wellicht is Berner na zijn ontsnapping uit Veenhuizen naar Duitsland terug gekeerd en daar gehuwd, waarna hij besloot terug te keren naar Nederland om daar zijn gezin te stichten. Het is speculatie, maar het pakte wel zo uit.

Borger

De volgende geboorte vinden we in 1848 de Drentse gemeente Borger, waar Frederik Berner, nog steeds kuiper van beroep en woonachtig te Drouwen, aangifte doet van de geboorte van zijn zoon Hermanus.Na zoon Herman worden er nog zes kinderen geboren, allemaal in Borger. Van de acht kinderen overlijden er vijf jong. De andere drie, twee jongens en een meisje, groeien op, trouwen en krijgen gezamenlijk in totaal 20 kinderen. Frederik Berner en Frederika Imken zijn bij alle huweljik van de partij. Ook bij de laatste, in 1883, ondertekent het stel de acte.
We mogen concluderen dat Frederik Berner na zijn roerige start in het Koninkrijk der Nederlanden opvallend stabiel is verder gegaan in zijn vaste woonplaats Borger. En misschien had hij gewoon gelijk dat de klompen op Ommerschans van een slechte houtkwaliteit waren gemaakt. Per slot van rekening ben je als kuiper gewend om met betere houtsoorten om te gaan.

Op 10 juli 1884 overlijdt hij thuis in Borger, 74 jaar oud en in het harnas: zijn beroep is tot op de laatste acte dat van kuiper.

Bet Stoet

Op de Genealogie Online pagina van Ad van Rosmalen vond ik een fraaie foto van Frederik's dochter Betje. Na het overlijden van haar echtgenoot Jannes Hindriks in 1894 ging zij als broodventster de deuren langs en daarbij kreeg ze de bijnaam Bet Stoet.

Klompen

Tot slot nog enige aandacht voor de klompen op Ommerschans.
In januari 1839 is Christoffel Antonij Geijs aangesteld als klompenmakersbaas. Hij is de zoon van een veteraan die in 1833 te Veenhuizen is overleden. Geijs trouwt in 1840 in Ommen met de hoogzwangere dochter van een zaalopziener en ze krijgen samen negen kinderen. Kort na de geboorte van zijn eerste kind verschijnt Berner op de Schans. Dat is nu vijf maanden geleden.
De klompenmakerij is gevestigd aan de oostzijde van het gesticht, tussen de koffiebaalweverij en de grote gracht.

De kritiek van Berner zal Geijs niet zijn aangerekend. Hij is 36 jaar lang de klompenmakersbaas op Ommerschans. In 1876 verlaat hij het gesticht om enige tijd later zijn intrek te nemen bij zoon Geerhardus Lambertus, die dan schoolhoofd is op de openbare school in wijk H te Avereest, gelegen aan de Sponturfwijk.

Reacties