Geplaatst door: 
Verhaal

3 december 1839 - Het varken eet erwtensoep

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Veruit de meeste zaken die in de Raad van Tucht ter tafel komen, zijn hamerstukken. De beklaagde is bij voorbaat schuldig. Maar vandaag eindigt de zaak in een onbeslist. Een ernstige zaak. Want het gaat over... erwtensoep.

De Raad van Tucht te Ommerschans houdt zitting op Dinsdag 3 december 1839. Eerst worden twee bedelaar-kolonisten betrapt voor diefstal en verkoop van oud ijzer. Dat wordt de maximum straf: 14 dagen in de boeijen, waarvan de drie eerste en de drie laatste te water en brood. En de waarde van het gestolen goed wordt ingehouden op hun tegoed, wat betekent dat hun verblijf op de Schans of in Veenhuizen weer veel langer gaat duren, want pas als ze 25 gulden netto oververdienste in hun boekje hebben staan, kunnen ze worden voorgedragen voor ontslag.

Als de mannen zijn afgetreden komt de zaak waarin we meekijken. We volgen het verslag van de Raad.
Ten Tweede verschijnt voor den Raad, Jan Willem Bruin, No 1591, oppasser in het Hospitaal, welke zich beklaagd over de koloniste Maaijke Hommes de Groot, No 1564, welke hem verweten heeft, dat hij het eten van de Menschen in het Hospitaal aan het varken van den opziener Kraemer gaf.
Men laat M. de Groot ontbieden en verschijnt, de President vraagt haar wat zij ten laste van Jan de Bruin heeft gezegd, waarop zij verklaarde, dat zij gezegd heeft dat J. de Bruin het Eeten aan het varken van Kraemer bragt dewijl eenige weken geleden, zij op Zondag om 12 uren een Portie Erwten Soep naar het Hospitaal had gebragt voor iemand welke nog voor die dag in de voeding bij den zaalopziener Otterbein was, hetzelves heeft overgegeven aan gemelde J. de Bruin, welke in plaatse van hetzelve in het Hospitaal te brengen zich niet ontzag gemelden Pot aan de overkant van den weg naar het Varkenshok te brengen veronderstellende dat de soep aan het bedoelde Varken zoude zijn gegeven.
De President vraagt haar verder wie daarbij tegenwoordig is geweest, waarop zij antwoorde niemand dan de Bruin en ik.

De President geeft haar te kennen dat, doordien zij geene getuigen kan bijbrengen, de zaak niet kan bewezen worden waarop zij nogmaals de verzekering geeft dat het was geschied zoo als zij heeft opgegeven.
Men laat hun beiden aftreeden.

De President vraagt ieder Lid in het bijzonder en men komt overeen, daar M. de Groot als een goed, geschikt en geloofwaardig Koloniste bij de Directie bekend staat, haar voor dit maal voor hare gezegdens bovengemeld, als niet kunnende bewijzen het waarlijk geschied is, van de Straf bepaald bij Art 17 van het Reglement van Tucht vrij te laten.

Zij worden wederom binnen gelaten.
Het besluit hun bekend gemaakt waarna zij aftreden.

Jan Willem Bruin

Zijn functie "oppasser in het Hospitaal" doet vermoeden dat Jan Willem Bruin een employee van de Ommerschans is. Echter, het nummer achter zijn naam: 1591 maakt duidelijk dat dat niet het geval is. Als er één aspect van het leven in de Ommerschans duidelijk wordt uit de notulen van de Raad van Tucht, dan is het wel dat een deel van de bedelaar-kolonisten op de Ommerschans een "baantje' krijgt, passend bij hun competenties. Je komt ze overal tegen: voerman of melkmeid bij een hoevenaar, kookvrouw bij de zaalopziener, hulp in de apotheek of de gestichtswinkel en oppasser in het hospitaal. Vaste mensen op vaste plaatsen. Deze baantjes geven meestal meer vrijheid en andere privileges. Maar dat maakt ook dat er regelmatig misbruik van de positie wordt gemaakt. De voerman haalt een lading mest van de Vaart en gaat zich te buiten aan een fles slechte jenever. De melkmeid is brutaal tegen de kinderen van de hoevenaar. En vandaag laat Jan Willem Bruin even zien dat hij de macht heeft om het pannetje erwtensoep aan het varken te voeren van zijn baas, zaalopziener in het hospitaal Franciscus Adamus Kraemer. Je kunt niet uitsluiten dat het de instructie van Kraemer was om het varken goed te voeren met eten dat voor de patienten bedoeld was. Maar het is natuurlijk niet handig om dat voor het oog van de camera te doen...

Zijn ouders -beiden in Duitsland geboren- zijn in 1786 te Amsterdam gehuwd. Op de website van het stadsarchief Amsterdam is het niet moeilijk de huwelijksacte te localiseren.
In het doopboek van de Lutersche Kerk van Amsterdam vinden we 9 kinderen van dit echtpaar. Jan Willem is de jongste van het stel.In de huwelijksbijlagen bij het huwelijk van zijn broer Fredrik Willem in 1816, zien we dat vader Bruijn in 1809 begraven is op het Leydsche Kerkhof. Dat betekent dat Jan Willem zijn vader niet gekend heeft. 

In 1816 leefde Jan Willem's moeder nog wel, maar als zijn zuster Charlotta in 1835 trouwt, dan is zijn moeder intussen overleden. Bij die huwelijksplechtigheid is Jan Willem niet aanwezig, want dan zit hij al vier jaar op de Ommerschans. Hij is daar namelijk op 12 november 1831, 23 jaar oud, voor de eerste maal ingeschreven, als enige uit het gezin.
We zien hier dat Jan Willem na 5 en een half jaar ontslag heeft gekregen, een relatief lang verblijf voor een jonge kolonist. Er zijn er genoeg te vinden die binnen 2 jaar de verplichte oververdienste van 25 gulden in hun boekje hebben staan.

Daar komt nog bij dat het ontslag -zoals zo vaak- niet duurzaam is. Buiten de poort lopen genoeg gasten rond die je helpen die 25 contante guldens te verbrassen en dan ben je terug bij af. Op de genealogische kaart van Jan Willem zien we dat hij ruim zeven weken na zijn ontslag weer aanklopt bij de hoofdpoort. 
Mijn veronderstelling dat hij zich vrijwillig meldt baseer ik op de aantekening in het register dat hij afkomstig is uit Avereest, de gemeente die op 300 meter voor de hoodpoort begint..

Op zijn kaart zien we dat Jan Willem in totaal 5 maal is ingeschreven op de Ommerschans. Vandaag -3 december 1839- zit hij nog in zijn tweede periode, die zal duren tot 11 juli 1840. Op de kaart zien we verder dat hij na 8 maanden na dat ontslag, op 17 maart 1841, te Amsterdam is gehuwd met Antje Hagevelt. Het is heel goed mogelijk dat hij haar op de Ommerschans heeft ontmoet. Want zoals we op haar kaart zien, zat zij hier van 1 juni 1835 tot 25 april 1836. Zij wist dus -in tegenstelling tot haar latere echtgenoot- binnen het jaar ontslag te krijgen.
Als we de kaarten van Jan Willen en zijn echtgenote vergelijken, dan zien we dat ze op 12 juli 1841, minder dan 4 maanden gehuwd, samen op Ommerschans worden ingeschreven. Een verschijnsel dat we veel vaker zien op de Schans. Zie bijvoorbeeld het verhaal van 1 augustus. Echter, ze worden niet tegelijk naar Veenhuizen verplaatst: Antje gaat drie weken eerder dan Jan Willem. Op 1 mei 1844 worden ze wel samen ontslagen.

Een jaar later, op 9 juni 1845, is Jan Willem weer terug op de Schans. Vrijwel direct wordt hij doorgestuurd naar Veenhuizen. Antje volgt pas op 17 maart 1846 en een paar dagen later is het stel "samen" in Veenhuizen. Jan Willem wordt daar op 15 juni 1847 ontslagen terwijl Antje gewoon moet blijven. Antje wordt daar op 15 juni 1849 ontslagen. Daarna belandt Jan Willem op 15 januari 1850 weer op de Schans en via Veenhuizen wordt hij tenslotte voor de laatste maal ontslagen op 21 april 1854.

Waarom weet ik zeker dat dat ontslag voor de laatste maal is? Wel, in het bevolkingsregister van Amsterdam vinden we het stel aan de Reguliersgracht, inwonend bij zus Charlotte. Ze worden daar in mei 1854, dus aansluitend op zijn ontslag ingeschreven,

En daar zien we dat hij op 4 november 1856 is overleden. In de kantlijn zien we een aantekening waardoor we kunnen concluderen dat hij de laatste 2 jaar van zijn leven niet werkelijk met zijn echtgenote heeft samen gewoond: zij verblijft 1850 in het werkhuis.
Met behulp van de website zoekakten.nl is de overlijdensacte van Jan Willem snel gevonden.
Jan Willem Bruijn werd 48 jaar oud en liet voor zover ik kan overzien geen kinderen na.

Je kunt in zijn geval niet zeggen dat zijn bestaan aan de onderkant van de maatschappij onontkoombaar voort kwam uit het nest waarin hij opgroeide. Zo trouwde zijn zus Aaltje Maria met zeildoekfabrikant Jan Janszoon van Eden. Dat het dit gezin voor de wind ging, mag je bijvoorbeeld concluderen uit het huwelijk dat dochter Anna Maria sluit met predikant Jan Willem van der Linden.

Meike Hommes de Groot

Wat is de achtergrond van de vrouw die vandaag door de Raad van Tucht is vrijgesproken, mede omdat zij als een goed, geschikt en geloofwaardig Koloniste bij de Directie bekend staat.

Meike is in 1787 geboren in de Groningse gemeente Veendam als dochter van schipper Homme Heines de Groot. Ik vond tot nu toe vier gehuwde kinderen van Homme. Meike is de oudste van die vier. Ze is dus ruim twintig jaar ouder dan Jan Willem Bruijn. Sterker: ze is gehuwd toen Jan Willem in de wieg lag.

Meike Hommes de Groot is op 14 mei 1808 te Groningen in ondertrouw gegaan met kastelein Doede Pieters.
Het huwelijk is op 5 juni 1808 bevestigd. 

Ogenschijnlijk staat het gezin van kastelein Pieters letterlijk en figuurlijk midden in de samenleving van de stad Groningen. Ik kan me voorstellen dat zijn nakomelingen -voor zover ze onderzoek naar hun roots hebben gedaan- niet bijzonders hebben gezien. Sterker: als jouw voorouder Christina Pieters in 1814 is geboren in een woning aan de Grote Markt van Groningen als dochter van een tapper, dan ziet dat er netjes uit.
Toch vallen er hier al een paar zaken op. Zo zien we dat Doede, die op 14 augustus 1825 veel te jong overlijdt, niet zijn leven lang kastelein is gebleven. Hij is bij zijn overlijden sjouwer. Op het moment van zijn overlijden leven er nog twee van de zes kinderen en buiten de 10-jarige dochter Christina is dat de peuter Pietertje, die een jaar later overlijdt in het Tweede Etablissement van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen in de gemeente Norg. Dat is Hommeles!

We weten dat de gemeente Groningen een actief uitzetbeleid voor weduwen met kleine kinderen hanteerde. En zo zien we dat Meike met haar dochter Pietertje op 3 december 1825 op contract met de Stedelijke Regeering van Groningen naar de bedelaarskolonie is gezonden. 
Tot het schrijven van dit artikel ging ik er van uit dat kolonisten altijd op Ommerschans werden ingeschreven, en dat de uitzonderingen hierop duidelijk zijn vermeld in de inschrijvingsregister ("te Veenhuizen aangekomen"). Echter, wat zien we in dit geval: dochter Pietertje overlijdt op 16 maart 1826 en de overlijdensacte liegt niet: het is Veenhuizen.
En de overlijdensacte is duidelijk: Meike Hommes de Groot, de moeder van de overledene, is coloniste in het Tweede Etablissement te Veenhuizen.

Nu kijk ik met een andere blik opnieuw naar het inschrijvingsregister: In het vak met de naam zien we een duidelijk V staan. Dat moet dus betekenen dat de twee te Veenhuizen verblijven. En als niet uit het register blijkt dat ze van Ommerschans naar Veenhuizen zijn gebracht, dan kunnen we concluderen dat ze in Veenhuizen zijn ingeschreven.

Opvallend is ook dat dochter Christina niet met haar moeder en zusje is meegekomen naar de armenkolonie.

Op de genealogische kaart van Meike zien we dat zij vier periodes in de koloniën heeft verbleven.
Of Meike in 1837 werkelijk is ontslagen, of dat haar inschrijving ten onrechte is doorgehaald en in 1838 is hersteld (op een ander nummer omdat haar oude nummer al weer in gebruik was voor een andere kolonist), is niet helemaal duidelijk. Wat wel duidelijk is, is dat Meike vandaag, 3 december 1839, in haar laatste periode binnen de Koloniën zit. Daarna zal ze uit de greep van de Maatschappij weten te blijven.

We zien dan ook een positief teken van leven op 21 juli 1844, als haar dochter Christina te Groningen op 29-jarige leeftijd trouwt met de 23-jarige verwer Tjerk Wiggerman. Ik geef de beide bladzijden van deze acte volledig weer.
We zien dat Meike Hommes bij de huwelijksvoltrekking aanwezig is en zelfs de acte ondertekent, terwijl haar dochter de schrijfkunst niet beheerst. Misschien was het toch beter geweest als ze haar opvoeding binnen de Maatschappij had gekregen, want daar leren alle kinderen lezen en schrijven.

Hier loopt voor mij vooralsnog het spoor dood. In het gezin Wiggerman worden zes kinderen geboren, waarvan één doodgeboren. Drie kinderen trouwen en hebben nageslacht en er lopen anno nu ongetwijfeld veel nakomelingen van Meike rond. Echter, het overlijden van Meike heb ik nog niet kunnen vinden. Wie lost dit laatste stukje van de puzzel op?

Reacties