Geplaatst door: 
Verhaal

3 september 1836 - korte metten

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Op zaterdagochtend verlies je even je zelfbeheersing waardoor je je hoevenaar bedreigt.
's Middags sta je voor de Raad van Tucht en krijg je 14 dagen opsluiting aan je broek. Een voorbeeld van de snelle rechtspraak op de Ommerschans, en hoe een simpel verslag vol verborgen verhalen zit.


Extract uit de Notulen van het verhandelde in den Raad van Tucht, gehouden te Ommerschans op Zaturdag den 3e september 1836.

De Vergadering wordt door den President geopend daar alle leden tegenwoordig zijn. Wordt ter tafel gebracht een proces verbaal van den volgenden inhoud:

"Op heden den 3e September 1836 heb ik, J. van Blokland, bouwboer te Ommerschans buiten, den kolonist B. van Schaik, zijnde voerman op mijne Hoeve, gelast dat hij moest hooi rijden, hij gaf mij ten antwoord dat de ...... er niet waren, doch ik zijde tegen hem dat dat niet waar was, doch hij hield vol op eenen brutalen vloekenden toon, tot ik hem gelaste dat hij zoude voortrijden, het welk hij deed, zeggende het kan mij niet scheelen, al rij ik ook de boel aan stukken, dit horende liep ik na de wagen om hem het lijdsel af te nemen, zoo dat ik ongelukkig viel en de wagen mij over de voeten ging, toen sprong gemelde van Schaik van de wagen en greep de hooivork, ten einde mij daar mede te steeken, doch is hier in door de opziener van der Pol en de kolonist A. Hoek verhinderd geworden.
En heb ik hier van dit Proces Verbaal opgemaakt om te dienen, waar zulks behoord. Ommerschans 3 september 1836. was getekend J. van Blokland."

De Voorzitter laat de kolonist Bart van Schaik No 1282 ontbieden, den zelve verschijnt voor den Raad en wordt gehoord, verklarende het overeen komt het hier boven gemeld proces verbaal is geschied, doch dat hij den Boer niet wel gegreep en toen driftig wierd.

De President brengt hem ten ernstigste onder het oog de slegtigheid van zijne handelwijze en zoo de Kolonisten van der Pol en Hoek de hooivork niet gegrepen hadden, hij waarschijnlijk den Bouwboer een ongelukkige steek zoude hebben toegebragt, het welk voor hem een kwaad gevolg zoude geweest zijn, verklaart alzoo gezegde B. van Schaik strafbaar ingevolge Artikel 14 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt:

Verzetten tegen overheden of Veldwachters met dadelijkheden, zal met opsluiten met en zonder boeijen naar gelang dat omstandigheden, en des noods om den anderen dag te water en brood worden gestraft, en bij herhaling van dat misdrijf, met dezelfde straf, doch vooraf gegaan van tien tot twintig rietslagen.

Men laat hem buiten gaan. De Raad delibereerd en komt overeen hem te straffen met 14 dagen opsluiting, om den anderen dag in de boeijen.

Hij wordt wederom binnen gelaten, de Secretaris leest hem het vonnis voor, en wordt ter opsluiting weg gebragt.

Allereest heb ik een verzoek aan de lezers van dit verhaal: Er is één woord in het verslag dat ik niet thuis kan brengen, het is geel omkaderd in de tekst van het Proces Verbaal:Ik lees hier een woord als poosten of poorten, maar ik kan dat in de context niet plaatsen!

De 38-jarige Albertus van Schaik was bijna 6 maanden binnen op de Ommerschans toen deze zaterdug aanbrak. Hij is in 1824 in zijn geboorteplaats Jutphaas gehuwd met Metje van Winsen. In 1825 kregen ze een dochter die na anderhalf jaar overleed. Metje kreeg in 1829 opnieuw een dochter, maar het bijzondere in de geboorte acte is dat Albertus van Schaik afwezig is en dat in het naamregister van de Burgerlijke Stand dit kind de achternaam van Winsem kreeg.In de overlijdensacte, 7 maanden later, zien we ook dat Albertus niet als vader genoemd wordt: hij is dus vertrokken. Waar hij tot 1836 heeft uitgehangen, daar heb ik nog geen idee van. Hij werd vanuit Utrecht naar de Ommerschans gestuurd.

Ondanks dit voorval kreeg Albertus zijn ontslag reeds op 6 mei 1837, na amper 14 maanden op de Schans. Echter, na 7 weken, op 29 juni, was hij weer terug, opgezonden vanuit Arnhem. Nu bleef hij 2 jaar en 3 maanden op de Schans tot aan zijn ontslag op 30 september 1839. Op 20 januari 1840 werd hij voor de derde maal binnen gebracht, deze keer vanuit zijn woonplaats Jutphaas. Een jaar later, op 21 februari 1841, overleed hij op de Schans.

Jacobus van Blokland

Het bijna-slachtoffer van de impulsieve daad van Albertus van Schaik was hoevenaar of -zoals hij zelf schrijft- bouwboer Jacobus van Blokland, is in 1823 met zijn ouders vanuit Amsterdam naar Wilhelminaoord gekomen, zo zien we in de kolonisten database op Alledrenten.nl.  Jacobus trouwde in 1831 te Wolvega met kolonistendochter Marie Francoise Mailly. Het jonge gezin wam op 30 juli 1836 vanuit Wateringen naar Ommerschans, waar Jacobus was aangesteld als hoevenaar op Hoeve nr 3, in 1838 hernummerd naar nr 10.

Op deze zaterdag woonde het gezin van Blokland dus nog maar 5 weken in hun hoeve aan wat tegenwoordig de derde Schansweg heet. Het heeft hen niet ontmoedigd want Jacobus heeft tot aan zijn pensioen voor de Maatschappij aan de Ommerschans gewerkt.

En dan de twee helden in het verhaal, door wiens doortastende optreden een bloedbak voorkomen is.

Abe Jeltes van der Pol

Abe was 42 jaar oud, geboren in Sneek en woonachtig te Franeker. Hier moet een bijzonder verhaal achter steken. Abe trouwde in 1807 in Sneek en vestigde zich in Franeker, waar zonen Jelte en Eduard in 1810 en 1814 zijn geboren. Hij was koopman en kwam op 5 september 1829 in de Ommerschans terecht, opgezonden vanuit Leeuwarden. Zijn vrouw bleef in Franeker en was daar winkelierster. Pas op 13 april 1835 kreeg hij ontslag. Daardoor miste hij het huwelijk van zijn zoon Jelte, die klerk ter secretarie in Franeker was -niet het minste baantje-. In de huwelijksacte zien we dat er geen doekjes wordt gewonden om de verblijfplaats van Pa van der Pol:In 1835 was Abe slechts 3 weken vrij: op 6 mei werd hij opnieuw ingeschreven in Ommerschans, komend uit Avereest. Dit feit kan in veel gevallen vertaald worden in: hij stond aan de poort en vroeg of hij alstublieft weer naar binnen mocht. En dus zat hij in de Schans toen op 19 augustus 1835 zijn zoon Eduard, inmiddels veearts, in Utrecht trouwde, en tevens wij hij niet van de partij toen op 23 oktober 1835 zijn zoon Jelte overleed. In 1845 overleed ook zoon Eduard in het Friese dorp Witmarsum. De grote vraag is waarom zijn vader, die zich vandaag, 1 september 1836, allerminst onverschillig toonde, niet buiten de Schans een leven bij zijn familie kon leiden. Ik hoop dat ik het antwoord daarop nog eens ga vinden. Abe Jeltes van der Pol overleed in Ommerschans op 27 april 1848, 64 jaar oud. Zijn weduwe overleed 3 jaar later in Leeuwarden.

Arie Hoek

En dan de andere held van de dag, de kolonist Arie Hoek. Hij is geboren in 1779 in Katwijk aan Zee, gehuwd voor 1808 met Pleuntje Star, met wie hij tenminste drie kinderen heeft. Zij overlijdt in 1831. Wellicht is dit de aanleiding dat Arie Hoek op 19 maart 1834 is ingeschreven in de Ommerschans, opgezonden vanuit Rotterdam. Zijn zoon Cornelis Hoek trouwt te Katwijk op 6 april 1834, dus drie waken nadat zijn vader in Ommerschans is geplaatst. In de huwelijksbijlagen van de Huwelijk zien we dan ook het volgende, 2  bladen tellende document:

We zien dat Arie Hoek zich op 24 februari in het pest- en dolhuis te Rotterdam bevindt, de plaats waar "krankzinnigen" in die tijd werden opgesloten. We zien daar ook dat hij zich vrijwillig heeft opgegeven voor de kolonie Ommerschans en dat de notaris naar het dolhuis komt om zijn huwelijkstoestemming te noteren. Als het huwelijk wordt gesloten, zit Arie inmiddels in de Ommerschans.

Vandaag, op 3 september 1836, is hij zo gek nog niet, door daadkrachtig in te grijpen om een bloedvergieten te voorkomen. Op 2 juni 1838 is Arie Hoek ontslagen, maar net als bij Abe van der Pol is hij heel snel weer terug. Drie weken later, op 27 juni, komt hij vanuit Harderwijk weer naar de Schans. Op 8 december van dat jaar wordt hij doorgezonden naar Veenhuizen, waar hij op 3 juli 1841 overlijdt, ruim 4 maanden na het overlijden van de hoofdpersoon in dit verhaal, Albertus van Schaik.

Mogelijk was de reden, dat de zaak tegen Albertus van Schaik op de dag van het misdrijf gehouden werd, gelegen in het feit dat de Raad toch al bijeen zou komen voor twee andere zaken:

Maria van de Leur

Ten tweeden verschijnt voor den Raad de Koloniste Maria van de Leur No 242, schuldig aan een poging tot desertie, doch door een Kolonist-Veldwachter daarin verhindert en binnen het Gesticht opgebragt. De voorzitter vraagt haar om welke reden zij wilde weglopen, waarop zij verschoning verzoekt en zeide het niet weer te zullen doen. De beschuldigde wordt buiten gelaten.

Gezien Art. 17 van het Reglement van Tucht zijnde van de volgende inhoud: Hij die voor de eerste maal ontvlugt en weder terug gebragt is zal met opsluiting in boeijen tot tien dagen, de twee eerste te water en brood worden gestraft, met medeneming van goederen buiten de aan te hebbende kleeding of andere verzwarende omstandigheden, als ook ontvluchting voor de tweede maal, met opsluiting in boeijen gedurende veertien dagen, waarvan de drie eerste en en de drie laatste te water en brood, en met verzwarende omstandigheden, voor de tweede of volgende malen, benevens eenvoudige ontvlugting voor de derde of volgende malen, met vijftien tot veertig rietslagen en opsluiting als voren, zullende alle ontvlugt geweest zijnde, of die kennelijk hebben willen doen, na de ondegane straf vier maanden lang eene onderscheidene kleeding moeten dragen, en in de discipline Zaal worden geplaatst.

Wordt besloten gemelde Kolonist te straffen met 8 dagen opsluiting in boeijen en het dragen van een onderscheidings pak, gedurende de tijd van vier maanden. Zij wordt weder binnen gelaten, de Secretaris leest haar het vonnis voor, waarna ze wederom aftreedt.

Maria van de Leur is geboren in 1808 in het Gelderse Well. Haar ouders hebben tenminste 6 kinderen waarvan twee gehuwd. Maria is nog maar vier weken op de Schans, sinds 2 augustus 1836, als ze haar vergeefse vluchtpoging onderneemt. Kennelijk is ze zo geschrokken van wat ze ervaart dat ze maar één gedachte heeft: wegwezen!
Vandaag wordt ze daarvoor gestraft. Licht gestraft naar de maatstaf van de Raad van Tucht. Op Ommerschans heeft ze het onscherscheidingspak geen vier maanden gedragen, want op 2 augustus 1836 wordt ze naar Veenhuizen gebracht. Dat blijkt voor haar een enkele reis te zijn. Drie jaar later, op 6 oktober 1839, is ze in het tweede gesticht overleden. 

Simon Christoffel Beek

Ten derde verschijnt voor den Raad Simon Christoffel Beek, No 1395, schuldig aan dronkenschap gepaart met rukken en slaan als mede grote mishandelingen zijner mede kolonisten, den zelve weet niet ten zijne ontschudigingen in te brengen en kend grotelijks berouw te hebben, en verzoekt verschoning.

Gezien Art. 10 van het Reglement van Tucht, luidende als volgt: Donkenschap voor de eerste maal zal met opsluiting to vijf dagen, en voor de tweede maal opsluiting in boeijen tot drie dagen toe worden gestraft en indien dezelve gepaard  gegaan met verzwarende omstandigheden als ook eenvoudigen dronkenschap voor de derde maal en volgende, met opsluiting in boeijen tot tien dagen toe te water en brood om den anderen dag. Men laat hem buiten gaan.

De President vraagt de gevoelens van ieder lid in het bijzonder. De leden kennen S.C. Beek overigens als een geschikt en stil Kolonist, en willen uit dien hoofde eenige inschikkelijkheid gebruiken, wordt eenparig besloten hem te straffen met 5 dagen opsluiting. De beschuldigde wordt wederom binnen gelaten, de secretaris leest hem zijn vonnis voor.

Simon Christoffel Beek is geboren te Amsterdam op 28 mei 1784, Hij is op latere leeftijd, op 3 november 1824, gehuwd met Alida Boshart. Bij dat huwelijk erkend hij haar twee "voorkinderen" uit 1815 en 1819 als de zijne. Nu is dat doorgaans geen garantie dat de bruidegom ook werkelijk de biologische vader is van de kinderen die hij erkend, maar in dit geval zit het goed: Simon Beek was aangever in 1815 en erkende bij die aangifte al dat hij vaderr was.In 1828 kreeg het stel nog een zoon en Simon werkte op 's Lands Werf, een voortzetting van het enorme werfcomplex in Amsterdam dat een belangrijke bouwsteen was in het succes van de V.O.C. 

Wat er mis ging in het leven van Simon weet ik nog niet. Feit is dat hij op 21 maart 1836, vandaag ruim 5 maanden geleden, vanuit Amsterdam naar de Ommerschans is gezonden. In de notulen van de Raad van Tucht zien we al dat de Raad hem zijn kwade dronk kon vergeven. Dat hij verder binnen de Schans een goede pers had moge duidelijk blijken uit de korte carriere binnen de Maatschappij: reeds op 28 februari 1837, dus binnen het jaar, werd Simon in vrijheid gesteld. Hij snelde zich terug naar zijn gezin in Amsterdam en wist de rest van zijn leven ver weg van de Ommerschans te blijven. Als enige van de kolonisten die vandaag -in welke hoedanigheid dan ook- een rol speelden, leefde hij "nog lang en gelukkig" in zijn thuisplaats Amsterdam. Hij overleed daar op 24 februari 1861, 76 jaar oud.

Op rondvraag van den Voorzitter Niemand der Leden iets hier hebbende voor te stellen wordt de Vergadering gehouden voor gesloten. Aldus gedaan op dato als boven. Was getekend Ads. de Geus, Adjunct Directeur,  J.F. Krieger, A.J. Wijkstra, H. Steenbeek, onderdirecteuren, Otterbein, J.A. Delphos, zaalopzieners, allen leden van den Raad.

Mij present, De Secretaris, Stous.

 

De afbeelding in de kop van dit artikel is het schilderij "hooiwagen" van schilder Willem de Zwart (1862-1931). Het schilderij is thans eigendom van het Rijksmuseum Amsterdam.

Reacties