Geplaatst door: 
Verhaal

30 juli 1826 - Vrijwillig naar de Oost

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Het is zondag 30 juli 1826. 30 jonge mannen staan aangetreden op de binnenplaats van het gesticht in de Ommerschans. Ze kijken nog eens om zich heen. Voor de laatste keer. Straks gaan ze op pad naar Harderwijk, waar ze morgen worden ingeschreven als vrijwilliger voor het Algemeen Depot der Landmacht. Zes weken geleden, op 14 juni, tekenden ze een contract voor zes jaar. Hun was voorgespiegeld dat dit een prachtige kans was om het leven een gunstige wendig te geven. Ze zouden zes jaar een mooi soldij kunnen sparen, want geld zouden ze nauwelijks nodig hebben: kost en onderkomen zijn vrij. En over zes jaar: bijna zeker een mooi baantje als brugwachter of veldwachter.

De stad Harderwijk was opgetogen, toen in 1814 werd besloten de gebouwen van de voormalige Gelderse Munt om te bouwen tot kazerne voor ca 600 man. De vrijwilligers zouden daar in 6 weken klaargestoomd worden voor een 6-jarige militaire loopbaan in Nederlandsch Oost Indie. In de dagbladen verschenen regelmatig wervende teksten en overal in het land waren ronselaars actief om jonge ongehuwde mannen er toe te bewegen om te tekenen voor Indie. Een mooi lokkertje daarbij was het handgeld. Tien gulden direct in het handje voor iemand die normaal niet meer dan een paar stuiver op zak heeft. Dat kun je moeilijk afslaan...Dat handgeld brandde de jonge knapen in hun zak. Dat hadden ze in Harderwijk al snel in de gaten, en dus ontstond er al snel een infrastructuur van kroegen en bordelen waar het handgeld achterbleef als de jongens op transport werden gezet naar het Nieuwe Diep, de haven van Den Helder, om te worden ingescheept voor hun lange reis naar de Oost.

Ook in de kolonien van Weldadigheid werd actief geworven voor vrijwillige toetreding tot het leger. Weliswaar werd de jongens in de gestichten geen handgeld in het vooruitzicht gesteld -bordeelbezoek in Harderwijk zal er voor hen dus waarschijnlijk niet hebben ingezeten- maar wel het uitzicht op een beter bestaan. Op 14 juni 1832 tekenden 32 mannen hun contract. We treffen deze groep aan op een nominatieve staat van 25 juli 1826 in de Post van Weldadigheid



Vandaag, 30 juli 1826, staan 30 mannen aangetreden op de binnenplaats van Ommerschans. Twee mannen ontbreken. 
Jean Francois Frenoux is niet uitgeschreven uit het inschrijvingsregister van Ommerschans en niet ingeschreven in Harderwijk. De reden vinden we in het schaduwregister van Ommerschans. Daar staat dat Jean Francois op 6 juli 1826 is gedeserteerd. Zo zie je maar weer: de administratie van de Maatschappij van Weldadigheid is enorm groot en lijkt heel compleet, maar onder het vergrootglas vind je overal barstjes in het vernis.
De andere, Lambertus van Gilst, is overleden op 7 juli 1826. Overigens was Lambertus, wiens echte voornaam Lambrecht was, geen vrijgezel -de gangbare eis voor de vrijwilligers voor de Oost-. Hij trouwde in 1816 in Colijnsplaat met Tannetje Verhulst, een weduwe, die in 1826 gewoon in Colijnsplaat woonde. Toen zij zelf in 1854 overleed werd in haar overlijdensacte alleen de naam van haar eerste echtgenoot vermeld.

Links voor de namen in bovenstaande staat zien we de hoofdelijke nummers van deze mannen. Het is onduidelijk wanneer deze hoofdelijke nummers aan de lijst zijn toegevoegd; het is aan het handschrift te zien zeker niet gebeurd bij het opstellen van de lijst en waarschijnlijk is dat zelfs veel later gedaan, door een archief onderzoeker die aan het puzzelen was met de lijst. In elk geval is deze persoon er niet helemaal uit gekomen. Er ontbreken een aantal nummers en er staan fouten in. Zo is bij de jongste persoon, de 16 jarige Jan de Groot, nummer 417 gezet. Dat nummer hoort bij Jan de Groot uit Woerden. Echter, we zien in het inschrijvingsregister dat deze Jan in 1825 naar Veenhuizen is gebracht, waar hij in 1831 is ontslagen. Aangetreden staat vandaag de 16-jarige Johannes de Groote uit Vlaanderen. Bij aankomst in Harderwijk worden zijn papieren nog eens goed tegen het licht gehouden en dan wordt hij ingeschreven met geboortedatum 25 december 1806. Dan is hij dus ineens 19 jaar. De twee oudsten van de groep, Frederik van Wijngaarden en Cornelis Hooghart, zijn 36 jaar oud.

Bij aankomst in Harderwijk zijn de 30 op 31 juli ingeschreven in het militaire stamboek aldaar. Dat ziet er qua opzet precies uit als het inschrijvingsregister in Ommerschans. In feite is het laatstgenoemde register afgeleid van het militaire stamboek. Dit stamboek staat online op familysearch.org.

In dit stamboek zijn de namen van de ouders consequent vermeld en in de rechterkolom lezen we op welke datum en met welk schip de verse soldaten zijn vertrokken naar Nederlandsch Oost Indie. Tenminste... voor de 27 mannen die daadwerkelijk die kant op gingen...

In dit overzicht zien we het vertrek van de mannen uit Harderwijk chronologisch. Klik op het plaatje om in de bonmama database te zoeken op de datum 30 juli 1826.

Libman Levij Sadok kneep er op 26 augustus 1826 tussenuit. Hij werd gepakt, voor de krijgsraad veroordeeld, kreeg gevangenisstraf en werd in 1827 alsnog naar Nederlandsch Indie gestuurd.

Jacob Schoenmaker (in de registers van Ommerschans onder de naam Schoenlapper) was de eerste die vertrok naar de Oost, op 22 september 1826, aan boord van het driemast fregat Fortidudo vanuit Antwerpen. Deze reis verliep bepaald niet voorspoedig.
Vermoedelijk is Jacob Schoenmaker met een volgend schip alsnog naar de Oost vertrokken.

Op 24 september 1826 overleed Christiaan Baade te Harderwijk. Hij heeft de Oost nimmer gezien.

Op 10 october vertrok een groep van 5 ex-kolonisten met het driemast fregat Arinus Marinus richting Batavia. Daarna volgde op 6 november een grote groep met de Fredrik. Op 14 november gingen 4 man met het splinternieuwe driemast fregat Zeemanshoop, dat op 26 oktober van stapel was gelopen.

In deze scheepstijdingen zien we dat de Zeemanshoop op 16 februari 1827 te Batavia is aangekomen. De Arinus Marinus ligt dan nog op de reede.

Tenslotte vertrok Antoine van Bommel als laatste op 17 december naar 1826 met het nieuwe fregat Handelsmaatschappij.

Onderaan het overzicht zien we de 17 jarige Jan Willem Verhulst staan. Hij is niet naar de Oost vertrokken. In plaats daarvan maakt hij carrierre in het leger op Nederlandse Bodem.

We zien dat hij op 13 november 1826 is bevorderd tot korporaal, op 25 augustus 1827 tot fourier en op 9 december 1829 tot sergeant majoor. Dan wordt hij in 1830 ingezet tijdens de Belgische Opstand. Bij het Belgische Lier raakt hij gewond aan zijn linkeroog door een geweerkogel. Hij wordt naar een militair hospitaal in Antwerpen gebracht, vanwaar hij per schip naar Nederland wordt vervoerd. Tijdens dat transport overlijdt hij. Als het schip op 10 november in Dordrecht aan komt wordt zijn overlijden daar aangegeven. Ruim een week later, op 16 november, neemt Z.M. Koning Willem I het besluit om Jan Willem Verhulst posthuum te benoemen tot ridder der 4e klasse der militaire Willemsorde.

Jan Willem Verhulst had al het een en ander meegemaakt in zijn jonge leven. Hij is geboren in Delfshaven op 27 november 1808. In 1820 is het gezin Verhulst voorgedragen door de Subcommissie van de Maatschappij van Weldadigheid te Delfshaven voor vertrek naar de Vrije kolonien. Van meet af aan ontpopt vader Nicolaas Verhulst zich als een notoire klager, goed gebekt (in elk geval op schrift). Als we de Maatschappij van Weldadigheid beschouwen als de start van de verzorgingsstaat in Nederland, dan kunnen we Nicolaas Verhulst zien als het prototype van de verongelijkte client die voortdurend de instanties wijst op zijn rechten en die niet veel notie lijkt te hebben van wat hij daar zelf tegenover zou kunnen stellen. Zo schrijft Verhulst al voor vertrek uit Delfshaven een klaagbrief dat de verplaatsing naar de kolonie hem veel te lang duurt. Deze brief is bewaard gebleven in de Post van Weldadigheid.

Wil Schackmann wijdt in "de Bedelaarskolonie" een aantal bladzijden aan Nicolaas Verhulst, die met zijn gezin in Willemsoord wordt geplaatst en die daar uiteindelijk niet kan worden gehandhaafd. Uiteindelijk belandt het gezin bij wijze van "gunst" als bedelaar-kolonisten op de Ommerschans op oudejaarsdag 1822. Daar overlijdt NIcolaas' vrouw in 1824. Zoon Jan Willem vertrekt op 30 juli 1826 vrijwillig naar Harderwijk. De twee andere zoons -een tweeling- blijven met hun vader op de Schans totdat ze in 1830 ontslag krijgen, nou zeg maar weggestuurd worden. Nicolaas klopt aan bij Meine Jelkes Kruisinga, de assessor en ambtenaar van de Burgerlijke Stand van Avereest, die huist in zijn nieuwe herberg aan de weg tussen de Dedemsvaart en de Ommerschans. Nicolaas mag daar veelvuldig de actes inschrijven en mede ondertekenen als getuige. Kort nadat de gemeente Avereest per 1 januari 1837 fors is uitgebreid, overlijdt Kruisinga. De nieuwe ambtenaar van de Burgerlijke Stand is Frederik Boterman in Dedemsvaart. Verhulst verhuist mee met de boeken van de Burgerlijke Stand en werkt door tot een maand voor zijn overlijden in 1843, 74 jaar oud. Hij heeft dan meer dan 800 keer een acte van zijn fraaie handtekening voorzien.

Epiloog

 

In de periode 1814-1909 zijn ca 150.000 soldaten op een contract van 6 jaar naar Nederlandsch Oost Indie gezonden. Slechts weinigen zijn in Nederland terug gekeerd. Van de 28 mannen die op 30 juli 1826 klaar stonden voor vertrek naar Harderwijk en daarna daadwerkelijk naar de Oost werden gezonden, heb ik tot nu toe geen tekenen van leven van na hun vertrek gevonden.

Reacties