Geplaatst door: 
Verhaal

6 juni 1867 - Overspel: game over

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Veel van de bedelaars in Ommerschans en Veenhuizen komen uit "normale" families. Ouders, broers en zusters, neven en nichten, ze leiden een normaal bestaan. Maar soms springt een mens uit de band met een beslissende invloed op de rest van het leven. Vandaag het verhaal over Joost de Kam, die vandaag, 6 juni 1867, voor de eerste maal is ingeschreven in het gesticht te Ommerschans.
 


Het verhaal begint vandaag in het Zeeuwse plaatsje Gapinge op Walcheren, tussen Veere, Serooskerke en Middelburg. De geschiedenis van Gapinge gaat terug tot in de middeleeuwen en tot 1857 was Gapinge met slechts 200 inwoners een zelfstandige gemeente. Gemiddeld drie huwelijken per jaar en een handvol geboortes.

In Gapinge was de familie de Kam alom vertegenwoordigd. Jacobus Lauwerse de Kam (Zoutelande 1769 - Gapinge 2 april 1839) was de smid van het dorp en tevens kastelein. Hij woonde met zijn gezin op de hoek van de Dorpsstraat en de Schotse Hoek. Op de foto hieronder van ongeveer 1908 kijken we recht op het betreffende pand. Klik op de foto om de tegenwoordige situatie in Google Streetview te bekijken.Zoon Adriaan de Kam (1801) heeft het vak van smid van zijn vader geleerd. Hij trouwde in 1826 met Cornelia Langebeeke van Veere. Hun eerste kind overleed kort na de geboorte. De tweede, zoon Joost, werd geboren op 13 april 1828.Adriaan en Cornelia krijgen na Joost nog vier kinderen. Alleen Joost en zijn broer Jacobus worden volwassen, de andere drie overlijden jong.

Adriaan de Kam was niet de enige kastelein in Gapinge. Zijn zwager David van den Bosse was behalve landbouwer ook tapper.  David was getrouwd met Adriaan's zus Cornelia de Kam. Dit stel kreeg elf kinderen, waarvan er vier jong overleden. Hun jongste kind was dochter Maatje, geboren op 29 oktober 1834.

Neef en Nicht vrijt licht

In de herfst van het jaar 1851 blijkt de 17-jarige Maatje van den Bosse zwanger te zijn. Het hoge woord komt er snel uit: haar 24-jarige neef Joost de Kam zal de vader zijn. Er wordt niet lang gedelibereerd: het stel moet snel trouwen, opdat het kind door kan gaan voor een "vroege bevalling". Op 23 oktober 1852 trouwt het stel te Gapinge, vijf dagen voor Maatje's 18e verjaardag.Aan de namen van de getuigen zien we dat de familie verzameld is bij de huwelijksvoltrekking.Het is de tweede en laatste huwelijksvoltrekking in Gapinge in 1852. Het is niet verbazingwekkend dat Gapinge in 1857 is ingelijfd bij de gemeente Vrouwenpolder.

Op 4 mei 1853 wordt dochter Cornelia geboren. Over de naamgeving geen ruzie, want beide grootmoeders hebben dezelfde naam. Joost en Maatje wonen nu in Veere, waar Joost smid is.Na dochter Cornelia worden nog twee kinderen geboren in 1853 en 1855. Dochter Adriana overlijdt na 9 dagen en zoon David na 7 maanden.

In 1856 loopt het helemaal spaak tussen Joost en Maatje. Ik heb de nodige 19e eeuwse echtscheidingszaken bekeken en zelden zag ik zoveel snelheid in de procedure. Bij de inschrijving van de echtscheiding in het huwelijksregister van Gapinge zijn de stukken van de rechtbank als huwelijksbijlagen bewaard gebleven. Zij laten onomwonden zien wat er is misgegaan: Joost heeft rond het paasfeest van 1856 (23 maart) tenminste twee nachten bij prostituees in Middelburg doorgebracht. De eerste nacht in de "Grand Salon" en de tweede nacht in "den Gouden Kan". Beide publieke vrouwen zijn zo bereidwillig om tijdens de rechtszitting op 7 mei onder ede te verklaren dat zij "vleeschelijke gemeenschap" met Joost hebben gehad. Voldoende grond voor scheiding op grond van overspel.

Weliswaar zijn de stukken van de rechtbank doorspekt van juridische taal. Toch heb ik de acht bladzijden volledig geplaatst inclusief transcriptie. De essentie van de zaak is er prima uit te halen.1856 Echtscheiding gemeente Gapinge
Heden den twee en twintigsten october 1800 zes en vijftig.
Heb ik Johannes Kulderij Azn geadmitteerd en beeedigd deurwaarder bij de arrondissementsregtbank te Middelburg , aldaar woonachtig, behoorlijk over het loopende dienstjaar gepatenteerd.
Ten verzoeke van Maate van den Bosse, zonder bedrijf, regtens wonende te Gapinge, (Walcheren) aan geen patent subject, geatmitteerd gratis geding te voeren bij geregistreerde beschikking der arrondissements Regtbank te Middelburg, van den veertienden April laatstleden, geregistreerd, voor wien domicilie wordt gekozen te Middelburg ten kantore van den procureur Johannis Martinus Brieve, aldaar woonachtig in de Vlissingschestraat K 43/44 die voor de requirante in regten heeft geoccupeerd, en te Gapinge ten huizen van haren vader den landbouwer David van den Bosse aldaar.
Aan
Den Ambtenaar van den Burgerlijken Stand der Gemeente Gapinge, mijn exploit doende ten zijnen woonhuize te Gapinge in het huis gemerkt 20 en aldaar sprekende tot genoemden ambtenaar zelve.
Beteekend
En hierbij gelaten door den Procureur Johannis Martinus Brieve gecertificeerde afschriften, der volgende stukken:
1. de geregistreerde grosse van een vonnis door de Arrondissements Regtbank te Middelburg bij verstek op den vijf en twintigsten Junij 1800 zes en

No 4043
In Naam des Konings!
De Arrondissements Regtbank te Middelburg, provincie Zeeland, eerste kamer, heeft het navolgende vonnis gewezen en uitgesproken.
In zake van:
Maatje van den Bosse, zonder bedrijf regtens wonende te Gapinge aan geen patent subject, geadmitteerd gratis geding te voeren bij geregistreerde beschikking van den veertienden april 1800 zes en vijftig, Eischeres, verschijnende door den procureur Johannis Martinus Brieve.
Op en Tegen Haren echtgenoot Joost de Kam, bevorens smid, thans plaatsvervanger bij de Nationale Militie wonende te Gapinge, gedaagde en Defaillant.
Ter openbare teregtzitting der Arrondissements Regtbank voornoemd van den zevenden Mei 1800 zes en vijftig, op de gronden en motiven bij zijne mondelinge genemene en in geschrifte copielijk overgelegde en subnumero vierduizend tien b aan het Audientie blad vastgehechte Conclusie van Eisch in het breede uiteengezet heeft de procureur Johannis Martinus Brieve voor de Eischeres, geconcludeerd dat het der Regtbank behage, bij vonnis uittespreken de ontbinding van het tusschen de Eiseres en den gedaagde bestaande huwelijk door echtscheiding met verklaring dat zij insgelijks van den gedaagde zal zijn en blijven gescheiden van goederen.
Verder te bepalen, dat het kind uit hunnen echt geboren en genaamd Cornelia bij de Eischeres zal verblijven met veroordeling van de gedaagde in de kosten van het geding.
En subsidiair voor het geval ondanks het verstek 
bewijs mogt worden verlangd, dat het der Regtbank in dat geval behage alvorens ten principale regt te doen, de Eischeres toetelaten door getuigen te bewijzen "dat de gedaagde zich in den loop der maand Maart 1856 en bepaaldelijk op Zaturdag den twee en twintigsten en dingsdag den vijf en twintigsten dier maand heeft begeven in de publieke huizen genaamd de Grand Salon en den gouden kan te Middelburg den geheelen nacht te bed door te brengen met eene publieke vrouw en aldaar bedrijvende het overspel" kosten in dat geval gereserveerd.
De Arronsissements Regtbank
Gezien de stukken van dit geding en onder dezelve de admissie op Expeditie geregistreerd den veertienden April laatstleden door deze Regtbank aan de Eischeres verleend om in dezen gratis te procederen.
Gelet op de Conclusien der Eischeres en op het den zevenden Mei laatstleden tegen den gedaagde verleende verstek. Gehoord den Heer Officier van Justitie in zijne conclusie strekkende tot toewijzing der genomene Conclusie. Overwegende dat de Eischeres, die volgens overlegde authentieke huwelijksacte op den drie en twintigsten October 1800 twee en vijftig te Gapinge met den gedaagde is gehuwd, met regterlijk verlof den gedaagde heeft gedagvaard tegen de teregtzitting dezer Regtbank  van den zevenden Mei daaraanvolgende, ten eindelijk op de gronden en aan de Regtbank ingediend verzoekschrift omschreven ter zake van overspel te hooren uitspreken de ontbinding van het tusschen haar en den gedaagde bestaande huwelijk door echtscheiding, te hooren verklaren dat zij van den gedaagde zal zijn en blijven gescheiden van goederen en te horen bevelen dat -het-
het uit hun echt geboren kind Cornelia, bij haar zal verblijven, en dat zij Eischeres  hangende het geding met haar kind zal verblijven ten huizen van haren vader David van den Bosse, landbouwer onder Gapinge met veroordeling van den gedaagde in de kosten van het geding, zijn de te dienende dage wegens niet verschijning van den gedaagde tegen denzelven verleend verstek en verder geconcludeerd overeenkomstig de dagvaard bij conclusie vermeld. subsidiair om de regten en gegrondheid te bewijzen met incidentele conclusie welke door de Regtbank is toegewezen met reserve van kosten, om hangende het geding met haar kind gezegd tijdelijk verblijf te houden. Overwegende dat volgens overgelegde en geregistreerde expeditie van een procesverbaal van het in deze zaak door de Regtbank bevolen en op den vierden Junij jongstleden voor haar plaats gehad hebbend getuigen verhoor. De Eischeres heeft voorgebragt acht getuigen uit welker onder eede af gelegde verklaringen in derzelver verband beschouwd gebleken is dat de gedaagde in den nacht van Zaturdag op Zondag voor paasschen van dit jaar in het huis de grand salon te Middelburg den nacht te bed heeft doorgebracht met een der getuigen en met haar vleeschelijke gemeenschap heeft gehad, en dat hij dit een en ander ook gedaan heeft op eenen anderen nacht omstreeks Paasschen van dit jaar in het huis de gouden kan te Middelburg met eene andere der getuigen.
Overwegende dat deze daadzaken daarstellen overspel door den gedaagde begaan.
Overwegende dat het huwelijk wordt ontbonden onder anderen door echtscheiding dat onder de gronden -welke-
welke echtscheiding kunnen ten gevolge hebben behoort overspel, dat de wet verder bepaalt dat door echtscheiding de gemeenschap van goederen van regtswege wordt ontbonden en dat (uitgezonderd in het hier niet aanwezige geval dat anders is verzocht) de kinderen zullen verblijven bij den genen der echtgenooten op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken.
Gezien artikel 254 numero vier, 264 numero een, 284 van het Burgerlijk Wetboek benevens de artikelen 135, 76, 56 en 822 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering.
Spreekt bij deze uit de ontbinding van het tusschen de Eischeres en den gedaagde bestaande huwelijk door echtscheiding.
Verklaart dat partijen dientengevolge van regtswege zjin en zullen blijven gescheiden van goederen,
Beveelt dat het kind uit den echt van partijen geboren genaamd Cornelia bij de Eischeres zal verblijven.
Veroordeelt den gedaagde in al de kosten van dit geding van welke dus de vergevallene uitgezonderd twee memorie posten zijn getaxeerd ter somma van twee honderd acht en twintig gulden een en tachtig en een halve cent.
Aldus gedaan gewezen en uitgesproken  ter openbare teregtzitting der Arrondissements Regtbank voornoemd, dezen vijf en twintigsten Junij 1800 zes en vijftig, bij de heeren en Mrs van Deinse, President, Jonkheer Boddaert en Dobbelaer, regters, ten overstaan van Jhr Snouck Hurgronje, officier van Justitie, tegenwoordig de griffier en is deze door den president met den griffier geteekend.
Is geteekend / Adr. P. van Deinse, Lantsheer gr.
Voor Expeditie uitgegeven ter Griffie der Arrondisse -ments-
ments Regtbank voornoemd, ten verzoeke van en aan den procureur Johannis Martinus Brieve voor de Eischeres, dezen zevenden Julij 1800 zes en vijftig.
(geteekend) Lantsheer Gr.
Geregistreerd te Middelburg den zevenden Julij 1800 zes en vijftig deel 66, folio vijf en zeventig vak drie, houdende twee bladen zonder renvoijen, verschuldigd voor registratierecht , twee gulden en veertig cents, voor griffierecht een gulden en vijf en twintig cents, bedragende met de 38 opcenten vijf gulden vier cent. Enz.

De ontvanger /geteekend/ Roëll.
Voor kopie conform
J.M. Brieve
Procureur
Heden den veertienden Julij 1880 zes en vijftig Heb ik Johannes Kulderij Az deurwaarder bij de Arrondissements Regtbank te Middelburg, aldaar woonachtig, behoorlijk aangifte tot bekomen van het patent voor dit jaar gedaan hebbende, doch nog onvoorzien van acte.
Ten verzoek van Maatje van den Bosse, zonder bedrijf, thans regtens wonende te Gapinge (Walcheren) aan geen patent subject, geadmitteerd gratis geding te voeren bij geregistreerde beschikking der Arrondissements Regtbank te Middelburg van den veertienden April jongstleden, geregistreerd, voor wien domicilie wordt gekozen te Middelburg ten kantore van den procureur Johannis Martinus Brieve, aldaar woonachtig in de Vlissingsestraat wijk K numero 43/44, die voor de requirante in regten heeft geoccupeerd.

Aan
Joost de Kam, bevorens smid te Zandijk, thans plaatsvervanger bij de Nationale Militie, wonende te Gapinge, in het huis gemerkt numero 5, mijn exploit aldaar doende en sprekende tot zijn moeder.
Beteekend.
En hierbij gelaten een door den procureur Johannis Martinus Brieve, gecertificeerd afschrift van een vonnis door  de Arrondissements Regtbank te Middelburgop den vijf en twintigsten Junij 1800 zes en vijftig gewezen, geregistreerd, tusschen de requirante als eischeres en den geinsinueerde als gedaagde, in het geding tusschen hen voor dezelve Regtbank aanhangig geweest.
De ondergeteekende Griffier der Arronsissements Regtbank te Middelburg, Provincie Zeeland, verklaart bij deze dat tot en met heden den zestienden October 1800 zes en vijftig op zijne Registers noch verzet noch appel, noch cassatie is aangeteekend tegen het vonnis door welgemelde Regtbank bij verstek gewezen en uitgesproken den vijfentwintigsten Junij 1800 zes en vijftig, waarvan de afgegeven Expeditie is geregistreerd, in de zaak van Maatje van de Bosse zonder bedrijf wonende te Gapinge, geadmiteerd gratis geding te voeren bij geregistreerde beschiking dezer regtbank van den veertienden april dezes jaars, - Eischeresse, op en tegen Joost de Kam, bevorens smid te Zandijk, thans plaatsvervanger bij de Nationale Militie, mede wonende te Gapinge, - bij welk vonnis aan den gedaagde, beteekend op den veertienden Julij 1800 zes en vijftig, blijkens aan mij Griffier vertoond geregistreerd Exploit van den deurwaarder Johannes Kulderij Az het huwelijk tusschen haar eischeresse en den gedaagde is verklaard te zijn ontbonden wegens door den gedaagde begaan Overspel.
Aldus verklaard ten verzoeke van en afgegeven aan de Eischeresse op ongezegeld papier ten gevolge van bovengemelde toelating op dato als boven.
De Griffier voornd.
/geteekend/ Lantsheer gr
In Debet geregistreerd te Middelburg den -zes-
zestienden October 1800 zes en vijftig, deel 67 folio elf vak twee, houdende een blad en geene renvoijen; Verschuldigg voor Regt tachtig cents, bedragende met de 38 opcenten Eene gulden tien en een halve cent.
De Ontvanger /geteekend/ Roëll
Voor Kopie Konform
J.M. Brieve, procureur

In Dienst

In de stukken van de rechtbank zien we terloops dat Joost niet meer als smid werkt. Hij heeft zich gemeld als plaatsvervanger in de Nationale Militie. Dat moet haast betekenen dat hij zonder inkomsten is komen te zitten. Van de andere kant: de Publieke Huizen in Middelburg zitten niet te wachten op gasten die platzak zijn. Of zou dit verklaren waarom twee publieke vrouwen hun "beroepsgeheim" zo gemakkelijk verkwanselen?

Op de signalementskaart die in 1896 te Veenhuizen is gemaakt en die we verderop in het verhaal zullen bekijken, zien we dat Joost inderdaad van 1856 tot 1862 bij het Regiment Rijdende Artillerie te Leiden heeft gediend. Intussen overlijden in 1859 drie naasten van hem: op 6 maart overlijdt zijn dochter Cornelia. Grootvader Adriaan de Kam, de vader van Joost, doet de aangifte. Daaruit kunnen we concluderen dat Maatje met haar ex-schoonouders (tevens oom en tante) niet gebrouilleerd is. In de acte zien we bevestigd dat Joost in garnizoen ligt te Leiden.
Adriaan de Kam, de smid en tapper van Gapinge, overlijdt zelf in de avond van 22 november 1859. De volgende ochtend overlijdt zijn vrouw. Joost' broer Jacobus, ook smid en wonende te Gapinge, doet de aangifte van hun beider overlijdens.

In de Versukkeling

Het eerste spoor van Joost de Kam nadat hij in Leiden is afgezwaaid, vinden we in het plaatsje Charlois, in 1865 nog een zelfstandig dorp onder de rook van Rotterdam. Daar wordt Joost op 8 augustus van dat jaar ingeschreven als smidsknecht bij de plaatselijke smid Wouter van der Griend, aan de Gouwstraat nr 42. Hij blijft er slechts een maand, tot 5 september, als hij wordt uitgeschreven naar Dirksland op Goeree-Overflakkee. In het bevolkingsregister van Charlois zien we dat het een komen en gaan was van knechten bij smid van der Griend: kennelijk is hij niet de ideale werkgever.Maar ook bij Joost zelf marcheert het niet lekker. Zo vinden we hem een paar maanden later voor de eerste maal in een register waar je liever niet in voor wilt komen. Hij is op 22 februari 1866 in Geertruidenberg aangehouden op verdenking van bedelarij en ingeschreven in het huis van bewaring te Breda. Nog dezelfde dag wordt hij in vrijheid gesteld. Niets aan het handje dus!Maar zijn aanhouding blijkt een teken aan de wand te zijn. Het lukt Joost niet duurzaam aan de slag te komen en dus wordt hij in Middelburg, waar hij zo goed bekend is, in zijn kraag gevat en veroordeeld tot opzending naar de Ommerschans. Daar is hij vandaag, 6 juni 1867 voor de eerste maal ingeschreven.Zijn eerste verblijf in de Schans duurt 16 maanden: op 16 oktober wordt hij ontslagen. Het is de eerste van een lange reeks:

We zien verderop dat de teller in 1896 op 15 staat: de registers vanaf ca 1887 zijn momenteel nog niet geordend toegankelijk. Ook kom ik er door dit verhaal achter dat er in 1876-1878 nog een hiaat zit in de boekhouding: Bij de 8e inschrijving staat dat Joost de 7e maal onder hoofdelijk nummer 5384 moet zijn ingeschreven, maar die inschrijving kan ik vooralsnog niet vinden. Buiten de inschrijvingen in de bedelaarsgestichten vinden we Joost ook nog diverse malen in gevangenisregisters. Zo wordt hij op 12 oktober 1870 opgepakt in Bergen op Zoom en naar Breda gestuurd wegens landloperij en bedelarij. Zijn woonplaats is dan Zierikzee.Aansluitend zien we zijn internering in 's Hertogenbosch, waarna hij naar Ommerschans wordt gestuurd voor de 3e maal.Bij zijn 8e opzending, in 1878, zien we dat Joost zich niet zonder slag of stoot liet opsluiten in de Schans. Hij mag niet worden gerekend tot het soort bedelaars dat het liefst veilig warm in een gesticht zit. Hij ontsnapt twee maal en wordt telkens weer spoedig opgepakt.Op 28 april 1893 wordt hij weer eens in het huis van bewaring van Breda gebracht op verdenking van landloperij.En aansluitend wordt hij veroordeeld en opgezonden naar Veenhuizen.En zo komen we in 1896 terecht, het jaar waarin de verpleegden in de Rijkswerkinrichting te Veenhuizen worden geregistreerd in een nieuw systeem, waarbij tal van lichaamskenmerken worden vastgelegd, plus een tweetal foto's. Hier zien we dat hij inmiddels 15 maal is opgezonden, de laatste maal vanuit Den Haag.Joost heeft de nodige lidtekens opgelopen, en hij is hardhoorend, een beroepskwaal van smeden.Het verhaal houdt niet op in 1896. Joost blijft schijnbaar onvermoeibaar doorgaan in de bijzondere spiraal van gesticht naar de Maatschappij, een baan zoeken, mislukken, bedelen, veroordeeld worden en terug naar het gesticht. Zo wordt hij op 2 augustus 1901 andermaal te 's Hertogenbosch veroordeeld tot 2 dagen hechtenis wegens landloperij en aansluitend opzending naar Veenhuizen.Dat Joost echt z'n best doet om -ondanks z'n hoge leeftijd- aan het werk te komen, zien we in 1904. We vinden hem in Rotterdam op het adres Raamstraat nr 15 bij de familie Brangers. Hij is hoefsmid van beroep. Zijn laatste woonplaats is het 2e gesticht te Veenhuizen en dat zal ook zijn volgende woonplaats zijn: Op 22 september 1904 wordt hij uitgeschreven.Maar meteen zien we dat zijn bed in Rotterdam waarschijnlijk regelmatig onbeslapen zal zijn geweest, want op 27 augustus 1904 staat hij alweer voor de rechter te 's Hertogenbosch wegens landloperij.En andermaal wordt hij overgebracht naar Veenhuizen.Wellicht was dit zijn laatste veroordeling. Nu wacht hem alleen nog maar het Laatste Oordeel. Op 31 maart 1907 overlijdt Joost de Kam, des voormiddags te half twee in het hospitaal der rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen. Hij werd 78 jaar oud. Case Closed.

Reacties