Geplaatst door: 
Verhaal

7 maart 1862 - Vrijwillig naar Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Zijn grootouders werkten al in de zorgsector. Ze waren in 1836 -zijn geboortejaar- binnenvader en binnenmoeder in het wezengesticht te Medemblik. Zijn vader was schilder. En Jan Bijleveld zelf gaat vandaag vrijwillig aan de slag in Ommerschans. Niet als werknemer, maar als verpleegde. Misschien hoopt hij op een beter leven. Het zal er niet van komen...

We beginnen dit verhaal op 26 juni 1836 in de Noorhollandse Zuiderzeestad Medemblik. Ruim vijftig jaar geleden, in 1785, is hier het Gereformeerde Weeshuis gesticht. Tegenwoordig staat het pand nog fier overeind als Rijksmonument.

Hier is in 1836 het echtpaar Jan Bijleveld en Elisabeth Eikema in functie als binnenvader en binnenmoeder op het weeshuis. Vandaag trouwt hun enige zoon, de 21-jarige Hermen, die het is opgeleid tot schilder. In zijn tijd werd dat beroep meestal verwer genoemd. De aanleiding tot het huwelijk van Hermen met de vijf jaar oudere Trijntje Oudheusden is niet iets om trots op te zijn: Trijntje is vier en een halve maand zwanger. Van de andere kant: ze is de dochter van Albert Oudheusden, de stadsarchitect van Medemblik. Op vier november schenkt Trijntje het leven aan een zoon, die de naam Jan krijgt, naar zijn grootvader. Een aanwijzing dat de relatie tussen Hermen en zijn ouders niet al te zeer is verstoord door het "moetje". We zien verder in de geboorteacte dat de andere grootvader, Albert Oudheusden, als getuige optreedt. Het beroep van Hermen Bijleveld, in de akte Herman, heeft nu de moderne aanduiding: schilder.Na zoon Jan worden er in het gezin Bijleveld nog vijf kinderen geboren, waarvan de eerste twee -beide jongens die de naam Albert krijgen- drie jong overlijden.
Op 15 januari 1848 overlijdt Herman Bijleveld. Hij laat niet alleen zijn vrouw met vier jonge kinderen achter; ze is ook nog eens vier en een halve maand zwanger. Op 25 mei bevalt ze van een zoon, Pieter, die op nieuwjaarsdag 1849 overlijdt.
Trijntje Oudheusden moet zich redelijk door haar misere hebben heen geslagen, want ze slaagt er in haar vier kinderen groot te brengen. Haar oudste dochter, Elisabeth, trouwt in 1865 met dagloner Hero Schaap, die er in slaagt zich op te werken tot marktmeester, waagmeester en gemeentebode in Medemblik. Dit stel krijgt 11 kinderen, die het in doorsnee goed doen.
Dochter Trijntje trouwt in 1868 met landbouwer, later winkelier Pieter Schipper. Ze krijgen in hun woonplaats Schellinkhout drie kinderen en verhuizen daarna naar Amsterdam. Zoon Jacobus tenslotte trouwt in 1874 met Antje Houtzager. Ze wonen in Medemblik en krigen vier kinderen.

Alleen met de oudste zoon, Jan, gaat het niet helemaal goed. Hij is vandaag, 7 maart 1862, 25 jaar oud. En hij wordt als "vrijwilliger" ingeschreven te Ommerschans. We zien ze wel vaker, mannen die geen kant meer uit kunnen en die vrijwillig geplaatst worden. Maar ik heb de indruk dat die doorgaans een stuk ouder zijn...
 We zien dat Jan op 9 mei 1862 naar Veenhuizen is overgeplaatst, waar hij op 13 maart 1863 is ontslagen.

Zijn omgeving zal ongetwijfeld de hoop hebben gehad dat zijn opname in de Rijkswerkinrichtingen een positieve invloed op zijn leven zal hebben. Maar de registers van Ommerschans en Veenhuizen wijzen uit dat het niet zo mocht zijn.

Precies een jaar na zijn ontslag staat hij weer op Ommerschans, opnieuw vrijwillig. Hij brengt nu twee jaar op de Schans door. En amper drie weken na zijn ontslag wordt hij op 3 april 1866 opnieuw ingeschreven op de Schans, opnieuw vrijwillig en nu voor drie jaar. Voor zover ik kan overzien is hij na zijn ontslag op 3 april 1869 niet opnieuw op de Schans geweest. Betekent dat dat het hem daarna voor de wind is gegaan? Nou nee, zijn signalementskaart uit 1896 spreekt boekdelen.
We zien dat hij na zijn vrijwillige drie opnames toch aan het zwerven is geslagen. Hij is zeven maal veroordeeld wegens bedelarij of landloperij. Zijn woonplaats in 1896 is Amsterdam.
We zien verder dat hij de nodige lidtekens van snijwonden en verzweringen heeft.
In het stadsarchief van Amsterdam heb ik een aantal sporen van Jan Bijleveld gevonden.

In de collectie patientendossiers van het stadarchief vind ik Jan Bijleveld twee maal. In 1881 verblijft hij 28 dagen in het Binnengasthuis. Zijn woonadres is dan de Passeerdersgracht H.H.19. In 1893 verblijft hij daar 2 dagen met de diagnose "Oedema Pedum". Vermoedelijk waren de elastische steunkousen in 1893 nog niet uitgevonden. In het register van het gasthuis staat dat Jan een zuster heeft in Medemblik, gehuwd met H. Schaap, die daar woont aan de Oosterhaven.

Verder zien we in de "overgenomen delen" dat Jan op 6 juni 1893 uit Veenhuizen naar Amsterdam is gekomen en dat hij woont bij L. Groot Hemelrijk op de Oudezijds Achterburgwal Nr 113. Op de website Funda.nl zie ik dat de woning op dat adres nu 1.850 Euro per mand aan huur moet opbrengen voor 86 vierkante meter.
In de aantekening in Overgenomen delen zie ik dat Jan Bijleveld ook een adres in Medemblik heeft: Oude Haven No 145. Tenslotte is hier ingeschreven dat hij op 5 september 1915 in het Binnengasthuis te Amsterdam is overleden.

Als Jan Bijleveld op 78-jarige leeftijd het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt, woont zijn zwager Hero Schaap nog steed te Medemblik. Zus Elizabeth is daar in 1910 overleden. Hero Schaap heeft bij zijn pensionering in 1914 de kranten gehaald: hij heeft als ambtenaar 4 banen en krijgt daarom ook keurig 4 pensioenen.
Hero Schaap zal nog ruim dertien jaar van zijn pensioenen genieten. Hij overlijdt -90 jaar oud- in 1928. Ongetwijfeld zal hij af en toe terug hebben gedacht aan zijn zwager Jan Bijleveld. Het zwarte schaap van de familie.

Reacties