Geplaatst door: 
Verhaal

7 mei 1854 - Als honing bitter smaakt

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Op 2 juli 1851 gooit de Amsterdammer Dirk Bleekendaal zijn vijfjarige zoon Jan in het water bij de Zaagmolenpoort. Terwijl het kind schreeuwend in het water ligt, loopt Dirk weg. Omstanders weten de kleine Jan te redden en Dirk wordt veroordeeld tot de strop. Later wordt die straf omgezet in 20 jaar tuchthuis. Moeder Antje Honing redt het niet alleen. Haar zoon Jan wordt in Veenhuizen geplaatst en zij eindigt in Ommerschans. Als het recht niet zegeviert...

Regelmatig krijg ik via de Ommerschans zoekpagina een verzoek om personen op te sporen in de inschrijfregisters van Ommerschans en Veenhuizen. In 90% van de gevallen lukt dat zonder veel moeite. Zo kreeg ik onlangs de vraag van de heer Jager of ik inlichtingen kon verschaffen over koloniste Antje Honing, geboren in Osdorp (gemeente Sloten NH) op 5 mei 1822.

Ik vond Antje in het inschrijfregister gemerkt deel T onder hoofdelijk nummer 2198.

We zien dat Antje Honing vandaag, op 7 mei 1854,  te Ommerschans is ingeschreven en dat ze daar anderhalf jaar later, op 29 november 1855, is overleden. Ze heeft dus meegemaakt dat op 3 mei 1855 de zolder van één der zalen is ingestort.

Ik zoek haar overlijdensacte er even bij.
In de overlijdensacte vinden we de namen van haar ouders. Verder geen gegevens.

Ik gaf de gegevens door aan de heer Jager en die attendeerde mij er per kerende post op dat er een bijzonder treurig verhaal kleeft aan Antje Honing.

Antje Honing is geboren te Osdorp op 5 mei 1822, vier jaar eerder dan in het inschrijfregister van Ommerschans vermeldt.
Dat betekent dus dat ze bij haar overlijden niet 29, maar 33 jaar oud is.

Antje is op 30 april 1845 gehuwd met de 12 jaar oudere Dirk Bleekendaal.De reden voor het huwelijk is duidelijk: Antje is zes maanden zwanger. Op 22 juli wordt zoon Jan geboren.
Twee jaar later krijgt het stel nog een dochter, maar dit meisje overlijdt na 8 maanden. Voor zover ik kan overzien worden er niet meer kinderen geboren. Integendeel: op 2 juli 1851 speelt zich een drama af.

Poging tot Moord

In de avond van 2 juli 1851, omstreeks 10 uur, loopt Dirk Bleekendaal met zijn bijna zesjarige zoon door de Amsterdamse Zaagmolenpoort. Deze poort was één van de acht Amsterdamse stadspoorten, maar zeker niet de voornaamste. In 1851 had de aan de westzijde van de Jordaan gelegen poort haar verdedigingsfunctie al lang verloren en in 1857 werd de poort gesloopt. 

Buiten de poort lag een brug over de brede Singel. Dirk liep met zijn zoon naar de brug, zette het ventje op de brugleuning en duwde hem vervolgens het water in. De kleine Jan lag schreeuwend in het water en trok daarmee de aandacht van omstanders. Maar Dirk wandelde gewoon weg, zijn zoon aan z'n lot over latend. Omstanders slaagden er uiteindelijk in Jan levend op het droge te krijgen.

Deze toedracht lezen we in de diverse krantenberichten die enkele maanden later verschijnen als de zaak voor de rechter komt.

Van de heer Jager kreeg ik een aantal stukken over deze rechtzaak uit het Noordhollands Archief. Ze geven een inkijkje in de administratie van de rechtbank.
Het proces verbaal van de rechtzitting is vooral bijzonder vanwege de opmaak: hier heeft een bureaucratisch instituut in het midden van de 19e eeuw gepoogd om de afloop van een rechtzaak in een vast formaat te klinken. Dat dat niet helemaal goed werkt blijkt duidelijk uit de wijze hoe het proces verbaal is ingevuld.

Inhoudelijk zijn uit het Proces Verbaal de namen van de getuigen te halen, maar niet de inhoud van hun getuigenissen. Van de dader, Dirk Bleekendaal, lezen we inhoudelijk dat hij volhard in zijn eerdere bekentenis en daarop aanvult dat hij geen idee had, dat hij zijn zoon "in het water zou stooten", toen hij hem op de leuning van de brug zette.

Bij de veroordeling rekent de rechtbank Dirk zwaar aan dat hij niet gereageerd heeft op omstanders, die hem van zijn voornemen af wilden houden. Daarop krijgt hij "De Straffe des Doods, uittevoeren op een schavot op een der openbare plaatsen der stad Amsterdam door het ophangen aan eene galge, dat er de dood navolgt".

Hoger Beroep en Gratie

Op 21 november 1851 is de zaak Bleekendaal in de Hoogen Raad der Nederlanden behandeld.De Hoge Raad verwerpt het beroep van Bleekendaal: De doodstraf blijft staan.
De enige die nog iets aan de doodstraf kan doen, is Koning Willem III, die sinds twee jaar op de troon zit. Die verleent inderdaad kwijtschelding, waarbij de straf wordt omgezet in 20 jaar tuchthuisstraf. In onderstaand krantenbericht zien we dat de koning deze beslissing vaker neemt.
De kans om 20 jaar tuchthuis te overleven is niet heel groot, maar er blijft hoop.

Intussen ziet Antje Honing, alleen met haar zoon achtergebleven, de hoop vervliegen. We vinden haar op diverse adressen in Amsterdam. Zo woont ze vanaf 20 februari 1852 -een week na bovenstaand krantenartikel- bij de welgestelde joodse familie Andreson op Heerengracht No 94 te Amsterdam. Ze werkt er als dienstbode en haar zoon Jan woont bij haar.
Ze vertrekt daar op 6 september 1852. Aansluitend vinden we haar in de Kalverstraat, bij kapper Eugene Duhamel.
Hier is haar zoon Jan niet ingeschreven maar rechts in de kantlijn zien we in potlood de aantekening "hare zoon J. Bloemendaal tijdelijk in de Brouwerstraat". Antje woont en werkt bij de kapper tot 23 mei 1853. Daarna vinden we haar aan de Botermarkt, het tegenwoordige Rembrandtplein, bij kleermaker Johannes Philip Heinze. In het bevolkingsregister heeft hij als beroep "restaurateur", wellicht een chique naam voor kledinghersteller?
Hier is zoon Jan weer bij haar ingeschreven, maar in het opmerkingen veld staat wel in potlood dat hij tijdelijk in de Lange Leijdse Dwarsstraat verblijft. Beide worden op deze bladzijde uitgeschreven op 22 februari 1854. De bestemming kan ik niet goed lezen, maar het eindigt duidelijk op Eiland.

Ommerschans en Veenhuizen

Waar Antje en haar zoon gebleven zijn, is me nog niet duidelijk, maar we zijn vandaag, 7 mei, iets meer dan twee maanden verder en vandaag is Antje ingeschreven op de Schans, opgezonden vanuit Abcoude. Ik kom deze plaats niet vaak tegen als oorsprong van kolonisten. Ook is niet duidelijk waar zoon Jan, inmiddels bijna 9 jaar oud, is gebleven. Maar dat wordt snel duidelijk, want we vinden hem een paar maanden later, op 10 november 1854,  terug in het Wezengesticht te Veenhuizen. Hij wordt binnengebracht vanuit Nieuwer-Amstel en blijft in Veenhuizen totdat zijn opvoeding voltooid is, op 31 maart 1865.

Antje Honing zal haar zoon nimmer hebben terug gezien, want zij overlijdt -zoals we in de kop van het artikel al zagen- op 29 november 1855 te Ommerschans. Ergens op de begraafplaats moeten haar resten liggen.


Leeuwarden

Intussen zit de aanstichter van alle ellende, vader Dirk Bleekendaal, zijn straf uit. In welke inrichtingen hij heeft verbleven dat heb ik nog niet helder. Ik vind hem terug in de strafgevangenis te Leeuwarden, waar hij op 11 april 1861 is ingeschreven, bijna tien jaar na zijn veroordeling.
De verplaatsing naar Leeuwarden zal zijn laatste verhuizing zijn. In de strafgevangenis te Leeuwarden is Dirk Bleekendaal op 23 december 1862 overleden.

Iets meer dan twee jaar later is Jan Bleekendaal als volwassen man ontslagen in het wezengesticht te Veenhuizen. Het is bizar dat zijn beide ouders leefden toen hij elf jaar eerder als wees werd opgenomen, en dat hij er daadwerkelijk als wees is uitgekomen.

Op 12 april 1871 is Jan Bleekendaal te Amsterdam gehuwd met de 12 jaar oudere Johanna Geertruijda Brugman.
Ik heb van dit stel geen kinderen gevonden. Jan was in leven toen zijn echtgenote in 1914 op 81-jarige leeftijd overleed. Ze woonden in Sloten, de gemeente waar zijn moeder bijna een eeuw eerder geboren is. Het overlijden van Jan Bleekendaal heb ik nog niet gevonden.

Met dank aan de heer Jager voor zijn informatie.

Reacties