Geplaatst door: 
Verhaal

8 december 1835 - Korting voor klokkenluiders

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Vrouwelijke bedelaar-kolonisten op de Ommerschans. Als je mazzel hebt, dan krijg je een baan als kok in de Menage. Op elke vier zalen met in totaal 160 bedelaars is één keuken -de Menage- aanwezig waar de koks het voedsel bereiden volgens het recept van de Maatschappij. Met z'n tweeën voor 160 man aardappelen schillen is een hele klus, maar je zit lekker binnen en je lijdt geen honger. Maar wat doe je, als de vrouw van de zaalopziener je laat weten dat je haar extra eten toe moet schuiven?

Extract uit de Notulen van de Raad van Tucht gehouden den 8e december 1835
(: op Dingsdag).
Present de Leden:
Ads de Geus, adj. Directeur
J.F. Krieger, onder Directeur
H. Steenbeek, onder Directeur
Delphos, Zaalopziener
Blijstra, Zaalopziener

Daar alle Leden der Raad tegenwoordig zijn, zoo wordt deszelve door den President geopend.
Wordt ter tafel gebragt een Proces Verbaal van den volgende inhoud.

Eenigen tijd geleden heeft den Zaalopziender G.J.M. Mulder, aan den ondergetekende rapport gemaakt dat zijne Koks met name Wilhelmina van Nonna en Jacoba de Jong, alkander niet konden verdragen, en daar door gedurig twist en onaangenaamheden hadden, waarvoor zij erste keer zijn gecorrigeerd, doch daar na had dit al wederom plaats, waarbij voornoemden Zaalopziender den ondergetekende heeft kenbaar gemaakt, dat Wilhelmina van Nonna daar aan de schuldigste was, hierop heeft den ondergetekende, haar voor zich doen komen en haar gestraft, met ontneming van haar post, en wegzenden uit de keuken.
Nadat zij eenigen tijd uit den Keuken was ontslagen, heeft zij kenbaar gemaakt dat haar mede kok Jacoba de Jong vleesch en andere eetwaren ontvreemde uit de Menage, en daarmede de vrouw van den zaalopziender G.J.M. Mulder zoude gerieven, en om dat zij Wilhelmina van Nonna dat zoo ruim schoots niet deed, en haar kamerad Jacoba de Jong hier over nu en dan berispte, zou de zulks de oorzaak zijn, van hun onderlinge kwestie, en tevens de reden, dat haren Zaalopziener haar niet mogt lijden, en haar daarom uit de keuken gaarne verwijderd zag.
Daarna heeft den ondergetekende hun in tegenwoordigheid van den Heer Adjunct Directeur doen koomen, benevens nog een derde kok met name Maria van Dam, welke in de plaats van W. van Nonna, kok is geworden, en alle drie na hun te hebben ondervraagd, hebben zij na lang oponthoud volgens hun geweten verklaard, dat zij alle schuldig waren, aan het ontvreemden van Vleesch en andere eetwaren uit de Menage, hoewel de eene wat ruimer en een ander wat minder, en dit zouden hebben gegeven aan de Vrouw of het Huisgezin van hunnen zaalopziener G.J.M. Mulder.
De genoemde zaalopziener verklaart echter van niets te weten, en zijne vrouw was onbekwaam om op dat ogenblik voor den Heer Adjunct Directeur te verschijnen, en zijn de betrokkene personen, tegen den volgenden dag, voor den Raad van Tucht geroepen.

Ommerschans den 8e December 1835
De onderdirecteur binnen
(get.) J.F. Krieger

De hierin betrokkene engenoemde Persoonen worden gehoord.
W. van Nonna wordt als aanklaagster in deze nogmaals ondervraagd, of het geene zij voorgebragt heeft met de waarheid overeenstemd, waarop zij verklaart geene reden te hebben, om met leugentaal voor den dag te komen, en dat J. de Jong haar gewezen kameraad in de keuken zoo wel, als zij zelve zich hebben schuldig gemaakt aan het ontvreemden van de kolonisten toebehorende eetwaren als Vleesch enz. uit de Menage, enzulks ten behoeve van het Huisgezin van hunne zaalopziener G.J.M. Mulder.

Jacoba de Jong en Maria van Dam komen insgelijks en na ondervraging bekennen zij na lang tegenstreven hun feit en verzoeken om verschooning, te meer daar zij dit ten behoeve van het Huisgezin van hunner Zaalopziener gedaan te hebben.

De President oordeelt het raadzaam de Vrouwe van den Zaalopziener M.C. Wagenaar voor den Raad te doen verschijnen, en haar integenwoordigheid der bovengenoemde te hooren, zij treed dan ook binnen en ontkend het bovenstaande tenstelligste, met te zeggen, zij niet zoo Slegt konde zijn, om van de Kolonisten iets te ontnemen, overeenstemmende met de Verklaring van haren man, luidens het Proces Verbaal, niettegenstaande gemelde kolonisten het tot drie malen toe in haren Presentie herhaalde.

De Voorzitter laat de 3 Kolonisten aftreden, en zegt de Vrouw van de Zaalopziener, dat er in de beschuldiging van de kolonisten en verklaringen geene redenen gevonden worden, waaruit de Raad zoude kunnen afleiden dat de beschuldiging onwaarheid zoude zijn, en de Raad de getuigenis van drie kolonisten voor waarheid moet houden, doch dat de verdere behandeling van deze zaak ten haren opzichten en van haren Man, niet tot de Raad behorende, zij daarom naar huis konde gaan, en dat de Directie daarop nader zoude terug komen.

In aanmerking nemende dat voormelde zaak een teer punt is, behelzende het ontvreemden van de kolonisten toegelegde Spijzen, zoo gaat men tot de behandeling der Zaak over.

Men delibereert en komt over een, ten deze enkel te beslissen omtrent de opteleggen Straffen der hier inbedoelde kolonisten daar zij Schuldig zijn aan het ontvreemden van Eetwaren uit de Menage, hetzijn dan ten behoeve van het Huisgezin des Zaalopzieners of niet; worden de verdere behandeling der zaak, met de Zaal opziener vrouw M.C. Wagenaar en den zaalopziener G.J.M. Mulder zelve betrefd aan den Heer Adjunst Directeur overgelaten, uithoofde de Raad vermeend die niet te hunne bevoegdheid te rekenen.

Gezien art 13 enz.
De President en Leden komen overeen het volgende vonnis te vellen, en de nagenoemde te straffen, als:
W. van Nonna uit aanmerking zij zelfs de zaak heeft geopenbaard, waarintegen de twee anderen nog lang halstarrig zijn gebleven met 7 dagen opsluiting in de boeijen.
M. van Dam en J. de Jong met 10 dagen opsluiting in de boeijen zullen gestraft worden.
Men laat hen weder binnen komen, de secretaris leest hun het vonnis voor, waarna zij ter opsluiting worden weggebragt.

Op rondvragen van den President niemand der leden iets meer hebbende voortestellen zoo wordt de Raad gehouden voor gesloten.
Aldus gedaan op Dato als boven. 

Ads de Geus, adj. Directeur
J.F. Krieger, onder Directeur
H. Steenbeek, onder Directeur
Delphos, Zaalopziener
Blijstra, Zaalopziener

Mij present
De Secretaris
Stous

Wilhelmina van Nonna

Wilhelmina werd gedoopt in de R.K. kerk 't Boompje te Amsterdam. 

Deze kerk is in 1578 gesticht als schuilkerk in een brouwerij aan de Kalverstraat. In 1771 is de kerk uitgebouwd tot aan het Rokin en in 1844 is de kerk verbouwd.
In 1911 maakt de kerk plaats voor de nieuwbouw van het warenhuis Vroom en Dreesman.

Ik vond een broer en twee zussen van Wilhelmina die na haar geboren zijn. Eén zus is gehuwd en heeft nageslacht. Van Wilhelmina zelf heb ik geen partners of nageslacht gevonden. Zij is op 14 juli 1831 voor de eerste maal ingeschreven te Ommerschans, opgezonden uit Amsterdam.Ze is vandaag dus ruim 4 jaar op de Schans. Haar straf van vandaag heeft geen zichtbaar nadelige invloed op de duur van haar verblijf op de Schans: op 18 april 1836 krijgt ze ontslag. Ruim een jaar later, op 30 september 1837, is ze opnieuw op de Ommerschans. Op 3 april 1841 krijgt ze haar definitieve ontslag. We vinden haar in 1855 terug in Amsterdam in het Gesticht St. Bernardus.Daar overlijdt Willemina op 21 maart 1866.
De acte verraad treurigheid: Willemina is 80 jaar, ongehuwd en... verder is er niets bekend...

Jacoba de Jong

Jacoba is de oudgediende in het verhaal van vandaag. Zij werd de eerste maal te Ommerschans ingeschreven op 6 augustus 1824.
Jacoba is gehuwd of gehuwd geweest met Pieter Wendel. Dat concluderen we uit de inschrijving van haar zoon, ook Pieter Wendel, die samen met zijn moeder vanuit het gesticht te Hoorn naar Ommerschans wordt gebracht. Dit kind is te Ommerschans overleden op 26 april 1826.
De inschrijvingsregisters bevatten een paar onduidelijkheden rond exacte gang van de carrierre van Jacoba binnen de Kolonieën. Zo is ze volgens het register op 31 augustus 1824 gedeserteerd en (meteen) terug gebracht. In het eerstvolgende register zien we dat haar Hoofdelijk nummer, 21, op 27 maart 1832 is gebruikt voor een andere koloniste. Voor die datum moet zij dus ontslag hebben gekregen of verdwenen zijn. Gelukkig hebben we het schaduwregister nog, dat indertijd waarschijnlijk bij de Permamente Commissie in Den Haag werd bijgehouden. Daar zien we dat Jacoba op nummer 21 opnieuw is gedeserteerd op 30 juni 1826. Dit maal bleef ze langer dan drie maanden weg, waarna het nummer is vervallen.

In datzelfde register zien we dat ze op 10 mei 1827 opnieuw is ingeschreven op nummer 346. Op 31 mei 1828 is ze naar Veenhuizen gebracht en daar heeft ze op 22 november 1832 ontslag gekregen. Vervolgens is ze op 19 februari 1833 voor de derde maal op Ommerschans ingeschreven. Vandaag is ze al weer op weg naar haar derde verjaardag op de Schans. Uiteindelijk is ze op 5 april 1836 weer naar Veenhuizen gebracht, alwaar ze op 2 maart 1837 in het Tweede Etablissement is overleden.
Haar gangen binnen de Kolonieën zijn eenvoudig te reconstrueren via haar genealogische kaart op bonmama.nl, waar elk wapenfeit in chronologische volgorde wordt gepresenteerd met een directe link naar de online bron.

Maria Dam

Maria Dam (officieel hoort er geen tussenvoegsel in haar naam) is in 1785 geboren te Gorinchem. Grappig in dit verhaal is dat de drie koks nagenoeg even oud zijn. Maar waar Willemina van Nonna en Jacoba de Jong respectievelijk ongehuwd en weduwe zijn, is Maria gehuwd, met kinderen.

Ik heb geen aanwijzing gevonden dat haar man en/of kinderen in de Koloniën hebben verbleven. Dat maakt haar achtergrond uitzonderlijk en het maakt ook maar weer eens duidelijk dat er geen grote gemene deler is in de achtergrond van de bedelaar-kolonisten. Op 14 september 1830 wordt ze voor de eerste maal ingeschreven in de Ommerschans, vanuit haar geboorte- en woonplaats Gorinchem opgezonden naar de Schans.
Ik kan er op dit moment slechts naar gissen waarom zij in de Schans is terecht gekomen. En dat met een man thuis, dochter Mechelina die in 1822 is gehuwd en die in 1823 een gezonde kleinzoon heeft gekregen die nu 7 jaar oud is. Ze blijft niet heel lang op de Schans: op 1 juni 1832 wordt ze ontslagen. Maar 3 jaar later, op 25 juni 1834, wordt ze opnieuw ingeschreven en opnieuw vanuit haar woonplaats Gorinchem. En dus is ze vandaag al weer ruim twee jaar op de Schans. 

Op 21 juli 1837 is Maria ontslagen, een half jaar na de verwoestende storm. En ditmaal keert de ze Schans voor de laatste maal de rug toe. Zij overlijdt in 1851 in Gorinchem, haar man in 1854. Haar kleinzoon Louis Antonie Stellenboom trouwt in 1855 en heeft 8 kinderen, waarvan er 5 gehuwd zijn. Vermoedelijk loopt ernageslacht van haar rond.

Zaalopziener Mulder en zijn vrouw

Voor de functie van zaalopziener en hoevenier werd zonder uitzondering naar een echtpaar gezocht, bij voorkeur met grotere kinderen. De man had dan de functie van zaalopziener, verantwoordelijk voor vier zalen met ieder 40 bedelaarkolonisten. Maar van zijn vrouw werd verwacht dat die meedraaide, met name in de keuken, want de zaalopziener moest ook zelf zorg dragen voor het bereiden van de voeding. Uit de sterkte van de bedelaars werden dan geschikte hulpen gezocht om als kok of kokshulp mee te werken.

We kennen het echtpaar Mulder van de storm van 29 november volgend jaar. Zij woonden naast de zalen die volledig instortten. En we gaan het echtpaar ook nog tegen komen op 15 december, als hun gedrag weer ter discussie komt.

Gerard Jean Marie Mulder is in 1794 geboren in het Noordfranse Duinkerken en zijn vrouw Maria Carolina Wagener in 1792 in het Duitse Cleef. Ze zijn in 1820 gehuwd te 's Gravenhage en bij dat huwelijk erkennen ze een zoon die drie maanden daarvoor geboren is. Mulder gaat aan de slag als Commies bij de Belastingen. Ze hebben een aantal standplaatsen in de provincie Groningen. Zo wordt hun volgende kind in 1822 geboren in Vlagtwedde en daarna in 1825 een tweeling in Finsterwolde. 

Wat er in de tien jaar daarna gebeurd is daar heb ik nog geen beeld van, maar feit is dat het gezin Mulder op 9 juli 1835 door de Subcommissie 's Gravenhage van de Maatschappij van Weldadigheid wordt geplaatst in de Vrije Kolonieën. Ze krijgen in Kolonie No 2 Hoeve Nummer 81 (Boschoord) toegewezen. Maar hun verblijf daar is van korte duur. Mulder lijkt een bliksemcarrierre te hebben want reeds 5 weken later, op 14 augustus 1835, worden ze overgeplaatst naar de zaalopzienerswoning in het midden van de Westvleugel van Ommerschans, van waaruit je 's avonds bij helder weer de zon prachtig ziet ondergaan.
Hoe het de familie Mulder verder vergaat, daarvoor verwijs ik U naar het verhaal van 15 december (1836).

Een tipje van de sluier vindt U in onderstaande inschrijving uit de verzameling bevolkingsregisters van Norg.

 

Reacties