Geplaatst door: 
Verhaal

8 september 1822 - de eerste tien bedelaars op Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Eind april 1822 start de bouw van een enorm gesticht op het binnenterrein van de Ommerschans. Buitenwerks 99x99 meter, rond een ruime binnenplaats. Met een aantal steden, waaronder Delft, zijn de contracten voor het onderbrengen van bedelaars al in februari afgesloten. En Delft heeft een tiental bedelaars dan ook meteen opgepakt en in de veel te krappe gevangenis onder het stadhuis vastgezet. Vandaag, 8 september, komen de tien Delftse bedelaars aan op de Schans. het gebouw is nog niet opgeleverd maar een kniesoor die daar op let...


In 1819 kreeg de Maatschappij van Weldadigheid de beschikking over de Ommerschans. Johannes van den Bosch had -zoals altijd- zijn plan snel klaar: Er komen twee gestichten, een grote (1000 personen) voor Bedelaars en een kleine (120 personen) als strafkolonie om gestrafte kolonisten uit alle koloniën te kunnen onderbrengen voor de duur van hun straf. Als je de boeken van Wil Schackmann over de start van de Koloniën van Weldadigheid leest, de Proefkolonie, de Bedelaarskolonie en de Kinderkolonie, dan kun je er van denken wat je denken wilt: de drive en de snelheid waarmee Johannes in de eerste vijf jaar z'n plannen realiseert zijn fenomenaal!

Die Strafkolonie op de Ommerschans, ook wel Walkolonie genoemd omdat ze op de zuidwal van de versterking Ommerschans staat, wordt reeds in 1820 uit de grond gestampt. Nu kan Johannes de kolonisten uit de vrije koloniën die straf verdienen, opzenden naar de Ommerschans. Met betrekking tot de bedelaars sluit hij begin 1822 de eerste contracten af, terwijl hij de toestemming en de financiering voor "het etablissement" nog niet rond heeft. Als koning Willem in maart een soort van toezegging doet, regelt Johannes begin april meteen de financiering van de bouw, laat een bestek maken en besteedt de bouw aan bij de lokale aannemer Eltje Nuis, die nog nooit een klus van deze grootte voor z'n kiezen heeft gehad en het desondanks presteert om het dan grootste gebouw van Nederland in 5 maanden tijd uit de grond te stampen.

De inrichting van het gebouw verschilt compleet van de drie gestichten die korte tijd later de basis voor de kolonie Veenhuizen gaan vormen en die bestemd zijn voor de opvang van wezen. Daar in Veenhuizen worden de wezen ondergebracht in grote zalen rond de binnenplaats, terwijl het personeel in woningen aan de buitenzijde van het pand wonen. Dit is in het voormalige tweede gesticht te Veenhuizen nog goed te herkennen. In Ommerschans lagen de zalen "van muur tot muur" en tussen twee zalen lag het verblijf van de zaalopziener en zijn gezin, die in die tussenruimte niet alleen woonden, maar waar ook gekookt werd voor de twee zalen ter weerszijden. Deze vertrekken zijn op de schaarse tekeningen van de 2 verdiepingen hoge Ommerschans goed herkenbaar als de uitstulpingen aan het gebouw.

de eerste tien

Vandaag, op 8 september 1822, komen de tien bedelaars uit Delft, na zeven lange maanden van opsluiting onder het stadhuis. Ten behoeve van de registratie van bedelaars is een register aangelegd dat precies zo is ingedeeld als de militaire stamboeken. Dat voorbeeld ligt natuurlijk voor de hand, met de militaire achtergrond van Johannes van den Bosch. En het is heel handig om van elke bedelaar een signalement te hebben, want als ze er dan tussenuit knijpen -wat binnen de Maatschappij van Weldadigheid vanzelfsprekend Desertie genoemd wordt-  dan kun je de overheden dat signalement geven om de sujetten op te sporen en terug te brengen. In het oudste register zijn in het signalement zelfs de namen van de ouders -voor zover bekend- toegevoegd. Voor de onderzoekers van nu is dat goud waard!


Laten we eens kennis maken met die eerste tien bedelaar-kolonisten op de Schans, drie volwassen mannen en een jongen van 7, vijf volwassen vrouwen en een meisje van 12. De twee kinderen komen mee met hun moeders naar de Schans.

familie van Lith (hoofdelijke nummers 1, 2 en 6)

Wilhelmina van Lith en Alida van Lith zijn zusters. Ze komen uit een gezin van minimaal 8 kinderen. Hun vader is op 13 december 1799 begraven in de Nieuwe Kerk te Delft (naar de maatstaven van heden niet de minste plaats) en hun moeder overleed in 1816. Ze hebben een oudere zus die gehuwd is en in Naarden woont. Wilhelmina heeft voor zover bekend geen relatie. Van deze groep uit Delft blijft zij het langst op de Schans. Als ze in 1828 het verzoek aan het bestuur van Delft stuurt om te mogen ontslagen, zet de administrateur van de Maatschappij haar toestand even op een rij.

We lezen dat Wilhelimina zich de laatste 2 jaren als ziekenmoeder op de ziekenzaal zeer verdienstelijk heeft gemaakt. Of we daaruit mogen concluderen dat ze ook letterlijk voldoende oververdienste heeft gemaakt voor een ontslag-voordracht durf ik niet te zeggen, maar feit is dat ze korte tijd later terug gaat naar Delft, waar ze op 22 mei 1829, dus slechts korte tijd later, is overleden. Misschien was het op de Schans toch beter toeven dan in de stad.

Dat kunnen we niet stellen voor zus Alida, want zij overleed in 1824 op de Schans.

Alida is de moeder van de 12-jarige Francina Kortlever, die als nummer 6 op de lijst voorkomt. Je zou verwachten dat haar tante Wilhelmina zich over haar zou ontfermen, maar zo loopt het niet We zien dat Francina precies een jaar na het overlijden van haar moeder ontslag krijgt. Ze is dan slechts 15 jaar oud, normaal niet de leeftijd waarop weeskinderen ontslag krijgen. Trouwens: is Francina wees? Wil Schackmann gaat er in de Bedelaarskolonie wel van uit, omdat Francina een andere achternaam draagt dan haar moeder. Dat zien we ook in het inschrijvingsregister.

Volgens deze inschrijving moet de naam van haar vader Franciscus Kortlever zijn. Dat zal de Stad Delft zo hebben doorgegeven, of haar moeder heef het verteld bij de inschrijving in Ommerschans.

Als Francina in 1838 trouwt met de 17 jaar oudere Mattheus Meeuwissen dan legt de ambtenaar van de Burgerlijke Stand vast dat zij de natuurlijke -dus buitenechtelijke- dochter is van Alijda van Lith. De naam van haar vader wordt dan niet vermeld. Maar wel staat Francina er po dat de naam Kortlever in de huwelijksacte wordt vermeld

In de huwelijksbijlagen zien we het uittreksel uit het doopboek van de oude kerk van Delft van 1809.

Hier zien we dat de naam van de vader wel degelijk vermeld moet zijn bij de doop inschrijving: het is Franciscus Kortlever, zoals ook al vermeld in het inschrijvingsregister van Ommerschans. Op de website collectie-Delft  vinden we tenslotte de oorspronkelijke doopinschrijving.

Hier lezen we inderdaad dat het kind buitenechtelijk is (Illigimatus). Als we op de website colledtie-Delft zoeken op de naam Frans Kortlever dan blijkt dat er in 1809 eigenlijk maar 1 kandidaat is: een zeker Frans Cornelis Kortlever die in 1810 trouwt met Anthonia Fredrica Fatjo en die in de jaren daarna een flink gezin stichten. Al deze kinderen worden gedoopt door de dominee in de Nieuwe Kerk. Het is waarschijnlijk dat Frans en Alijda niet mochten trouwen vanwege hun geloofsverschil.

Francina Kortlever is in 1842 te 's Gravenhage overleden.

Johanna Smits en haar zoon (hoofdelijke nummers 3 en 10)

Hanna Smits, geboren te Delfshaven in 1789 als jongste van een gezin van tenminste 13 kinderen (uit de 2 huwelijken van haar vader), bevalt op 15 mei 1815 te Delft van een buitenechtelijke zoon, die ze de bijzondere namen Johannis Huijbertus Eradus laat geven. In 1822 komen ze samen aan op de Schans, waar zij onder de naam Johanna wordt ingeschreven en haar 7-jarige zoon op nummer 10 als Johannes Gerardus Smits. Op 11 juni 1825 worden ze met twee plaatsgenoten als eersten ontslagen uit de Schans om terug te keren naar Delft, waar ze beiden de rest van hun leven wonen en ogenschijnlijk een normaal leven leiden. Hanna trouwt in 1837 met Cornelis Schreevel, die in 1864 overlijdt. Zij overlijdt in 1876 op de gezegende leeftijd van 86 jaar.

Haar zoon trouwt in 1844 met Petronella Hoefakker.

Zij kregen samen 5 kinderen, waarvan er 4 volwassen werden en trouwden. Van deze 10 bedelaar-kolonisten is hij waarschijnlijk de enige met een groot aantal nu levende nakomelingen. Kijk maar eens naar de eerste generaties na hem.

Cornelia Bisschop (hoofdelijk nummer 4)

Over Cornelia Bisschop heb ik nog niet veel kunnen vinden. Ze is afkomstig uit 's Gravenhage. Ook zij kreeg op 11 juni 1825 ontslag en woonde daarna te Delft tot aan haar overlijden op 24 oktober 1832 in het agterste gedeelte van het huis wijk F No 117 aan de turfmarkt.

Maartje Groeneweg (hoofdelijk nummer 5)

Maartje Groeneweg is geboren te Hillegersberg in 1772. Zij was de eerste van de groep die te Ommerschans overleed, op 14 oktober 1824.

De overlijdensacte suggereert dat Maartje wel gehuwd was, maar dat de naam van haar echtgenoot niet bekend was. Op de zoeksite van het Stadsarchief Rotterdam vind ik wel diverse personen met de naam Maartje Groeneweg, maar ik heb nog geen concrete aanwijzingen gevonden over deze Maartje.

Jacob de Bruin (hoofdelijk nummer 7)

Jacob de Bruijn is geboren en getogen te Delft. Ik vond het huwelijk van zijn ouders en het bewijs dat hij tenminste 6 broers en zusters had. Hij is de enige bedelaar-kolonist uit deze groep van 10 die werd doorgezonden naar Veenhuizen. Daar in Veenhuizen zijn in de periode 1823-1825 een drietal gestichten gebouwd, bedoeld om alle weeskinderen van Nederland onder te brengen en op te voeden. Die ambitie van Johannes bleek te hoog gegrepen: er kwamen onvoldoende kinderen naar Drenthe om drie gestichten te vullen. En omdat er royaal meer bedelaars werden aangeboden dan dat er in de Ommerschans pasten (waar er inmiddels 1.200 zaten), werd besloten de bestemming van het tweede gesticht te Veenhuizen (tegenwoordig gevangenismuseum) te wijzigen naar dependance van Ommerschans.We zien hier dat Jacob, die "op de borst geprikt" is (een tatoeage draagt), op 23 mei 1825 is overgegaan naar de kolonie Veenhuisen. Op die dag vond een groot transport plaats van kolonisten naar het tweede gesticht.

In het schaduwregister van bedelaars, dat waarschijnlijk op het hoofdkantoor van de Maatschappij van Weldadigheid te Den Haag werd bijgehouden, zien we dat Jacob is ontslagen op 24 mei 1827. Over zijn gangen daarna heb ik nog niets kunnen vinden.

Lambertus van Bodighem (hoofdelijk nummer 8)

Lambertus van Bodegom is eveneens geboren en getogen te Delft. Ik vond 8 broers en zusters uit de twee huwelijken van zijn vader. Waarschijnlijk is Lambertus de enige uit het gezin die in Ommerschans terecht kwam en dat werd zijn Waterloo. Hij overleed daar op 7 maart 1825.

Jan Julius Cezaar (hoofdelijk nummer 9)

De kolonist-bedelaar met de meest aansprekende naam is ongetwijfeld Jan Julius Cezaar. Zou hij een directe nazaat zijn van de keizer? Met de namen van zijn ouders uit het inschrijvingsregister er bij is zijn doop in Delft in 1769 snel gevonden. En wat blijkt: de voornaam Julius komt in het doopboek en in zijn familie helemaal niet voor. Blijkbaar gebruikt hij deze tweede naam als bijnaam, of heeft hij deze naam als spotnaam gekregen. In elk geval houdt hem deze deftige naam niet uit de Ommerschans.

In maart 1825 stuurt de Directeur der Koloniën een overzicht van de Delfste kolonisten, die op basis van een Bijzonder Kontrakt in de Schans verblijven, naar de Permanente Comissie in Den Haag.


We zien op deze staat dat Alida van Lith en Maartje Groeneweg ontbreken; zij zijn inmiddels overleden. Waarschijnlijk is de datering onderaan de brief, die aan het handschrift te zien duidelijk later is toegevoegd. Maar ze kan heel goed kloppen, want twee dagen later, op 7 maart, overlijdt Lambertus van Bodighem. Wel zien we dat hoofdelijk nummer 5 intussen is ingenomen door een andere Delftenaar: Frans Willem van Emden. Want als je een contract afsluit voor tien personen, dan mag je gewoon een nieuwe bedelaar opzenden als er een overlijdt of ontslagen wordt. 

Jan Julius Cesar staat er wel in vol ornaat op. Maar niet meer voor lang, want op 11 juni 1825 completeert hij de groep van vier Delftenaren die worden ontslagen. Ik betwijfel of zij in Delft een groots onthaal hebben gekregen. Maar in Ommerschans zijn ze nimmer terug gekeerd. Hoe het met de keizer van Delft is afgelopen, dat blijft nog even een Cliffhanger. Wellicht kunt U mij daarvoor op het juiste spoor zetten!

Als er tien schapen over de dam zijn...

Na de komst van de Delftenaren volgden de transporten van bedelaars elkaar snel op. In de kranten vinden we daarvan de sporen terug.
De communicatie term framing is een relatief nieuw begrip. Maar het verschijnsel erachter vinden we al in 1822...

 

Reacties