Geplaatst door: 
Verhaal

het spook van Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Vanaf het prille begin van de bedelaarskolonie, in 1823, doen er gruwelijke spookverhalen de ronde over Ommerschans. Na de sluiting van het gesticht in 1890 zakte de werkelijkheid naar de achtergrond en bleven de verhalen over. Tot op de dag van vandaag praten we elkaar na. Dat het daar onmogelijk was om je vrijheid te verdienen. Dat je er geen eten kreeg als je niet werkte. Dat de doden in massagraven werden gedumpt. Of schrijver Geert Mak in 2000: "Dit was echt een hongerkamp, een concentratiekamp, een schande". Deze gemeenplaatsen hebben hun uitwerking niet gemist: tijdens het Unesco congres in Qatar hebben we dat gezien! Hoog tijd voor nuancering! Wat is er waar en wat is er niet waar?

Dat het sociaal experiment van Johannes van den Bosch en zijn Maatschappij van Weldadigheid kritisch zou worden gevolgd in de samenleving, was onontkoombaar. Daarvoor was de aanpak te vernieuwend en te groot.

1823: van Lennep en van Hogendorp

In de zomer van 1823 maken twee Leidse studievrienden, de 21-jarige Jacob van Lennep (1802-1868) en de 25-jarige Dirk van Hogendorp (1797-1845),  een voetreis door Nederland. Zij houden beiden een dagboek bij. Het dagboek van van Lennep is 120 jaar later, in 1942, gepubliceerd. In alle verhalen die daarna over Ommerschans zijn geschreven, is veelvuldig uit dit dagboek geciteerd en meestal is daarbij de inhoud voetstoots voor waarheid aangenomen. Ik laat de tekst over Ommerschans hieronder volgen. Op de vetgedrukte teksten kom ik onder de tekst terug.

Vijfde Hoofdstuk

Kanaal van den heer van Dedem
de Ommerschans

Dingsdag 15 July Te acht ure verlieten wij het eerste fatsoenlijke logement dat wij tot nog toe gehad hadden (
te Zwolle) en stapten volgens afspraak naar het stadhuis, waar ons de Heer Tobias, die met den bode eene schouw moest gaan doen met een kapwagen afwachtte. Zijne goede harddravers brachten ons met spoed over den Zandweg heen door de groote landerijen, waar de arme lieden uit de stad hun beesten voor eene geringe som laten weiden. Wij zagen de plaats waar men den nieuwen weg naar Meppelt maken wil en kwamen drie uren van Zwol aan de plaats van den heer Van Dedem, aanlegger van het beroemde kanaal dat zijn' naam draagt. Daar wij gemelden Heer een bezoek wilden doen, stapten wij af en bedankten den Heer Tobias voor al zijne beleefdheden. Die gedienstige man herinnerde mij in houding, gestalte, gelaatstrekken, spraak, omgang en vooral zijne vriendelijke en inneemende handelwijze mijn overleden' Oom den Heer Sylvius Van Lennep. De oude plaats van den Heer Van Dedem doorgewandeld zijnde, kwamen wij aan de nieuw aangelegde. Waar voor twee jaren alleen barre heide was, staat nu reeds welig hout en koren, zijn bloemperken en vruchtboomgaarden aangelegd en prijkt het heerlijk huis, dat, van Vollenhove derwaarts gevoerd, en aangenaam over de vaart hangt.
Deze vaart is zeer breed en genoegzaam diep, zoodat mijn reisgenoot in 1819, toen de Smilder en Hogeveensche vaarten onbevaarbaar waren wegens het lage water op deze vaart eene vloot van niet minder dan zeventig turfschepen zeilen zag. Met gunstigen wind kunnen de schepen van de Ommerveenen in een' dag te Amsterdam zijn, daar zij uit de Pekel Colonies komende acht dagen werk hebben, wegens de menigten van sluizen. Desniettegenstaande spreekt bijna ieder ten nadeele over de vaart van den heer Van Dedem, meest uit onkunde of ijverzucht. Het speet ons zeer dat wij hem niet buiten vonden, daar hij ons zeker veel had kunnen verhalen en ten eten zou gehouden hebben. Van zijne buitenplaats wandelden wij twee uren de vaart op en kwamen zoo aan de herberg van Kruizinga, nabij de Ommerschans gelegen. Deze Kruizinga is de rechterhand van den heer VanDedem: hij heeft hem veel geholpen in 't aanleggen der vaart: ook was hij het die voor f 55.000 het gansche gebouw der Ommerschans aannam en in orde bracht. Toen wij bij hem kwamen was hij niet te huis. Zijne vrouw, ons voor landloopers aanziende, weigerde ons logies. Van Hogendorp bestelde dus koffi en liet zich als ontvallen dat het hem speet den heer VanDedem niet tehuisgevonden te hebben: nu zette men groote oogen op: doch toen de kastelein zelve te huis kwam, maakte zich mijn reisgenoot aan hem bekend voor denzelfden, wien hij in 1819 de veenen had rondgereden. Dadelijk keerde het blaadje om. De knecht haastte zich ons de eerste te dienen: de meid ging onze bedden gereed maken: de zuster zette de stoelen, en de vrouw maakte duizend verontschuldigingen dat zij ons niet naar waarde ontfangen had. Wij dronken dus koffi en hoorden Kruizinga over de Ommerschans uit. Zeer aangenaam en onderhoudend was zijn gesprek. Hij is een fraai, vrij gezet man, wiens spreekende oogen en gelaatstrekken eene meer dan gewoone kunde, een vlug en schrander oordeel, eene spoedig gevatte slimheid, ja zelfs een ongemeen genie aantoonen. Daar zijn huis te klein is, laat hij aan de overzijde der vaart een tweede gebouw oprichten.
Ingelicht omtrent hetgeen wij weten wilden, trokken wij te twee ure naar de Ommerschans. Eerst liepen wij tien minuten door heerlijke rogge en genaakten zoo het gesticht, dat een vrij aangenaam voorkomen heeft, zijnde met boomen hier en daar overschaduwd, en op een' ouden Schans nog met grachten omringd, opgebouwd. Aan de hoofdpoort zaten eenige soldaten van de bezetting, bestaande uit een luitenant met vijf- entwintig man. Aan de deur werden ons vijf en een halve stuiver entree gevraagd: voor het daarvan komende geld, worden spiegeltjens en dergelijke meubelen gekocht. Op aanraden van Kruizinga, en ook na ons eigen voornemen, vroegen wij naar geen' directeur, maar namen een' Colonist om ons rond te leiden. Deze Colonist was een Belg. Zijne geschiedenis zal nader plaats vinden. - De binnenplaats is zeer groot en door een hek verdeeld. Dit hek scheidt de wooningen der mannen en vrouwen. Na de timmerplaats gezien te hebben kwamen wij op groote ruime bovenkamers, waar verscheidene vrouwen zaten te breien of te spinnen. Van Hogendorp ondervroeg er eene, en hoorde dat zij te Delft gewoond had, waar zij met naaien en breiden de kost verdiende, doch dat zij had moeten bedelen omdat haar kind ziek was., en zij het niet op de schoot houden kon, terwijl zij werkte. Terwijl zij dit verhaalt plaatst zich een Onderdirecteur achter ons en ziet haar strak in 't gezicht. Van Hogendorp, verontwaardigd dat zijne vragen beluisterd worden, wil beproeven of de vrouw hem zal durven antwoorden en vraagt haar waar zij liever was, te Delft of aan de Ommerschans. De vrouw ziet den Onderdirecteur bedeesd aan, slaat de oogen neder en zwijgt. Van Hogendorp dringt aan op een antwoord, waarop Zij alleen zegt dat het brave lieden zijn die men over haar gesteld heeft. - Doch nu stuift de opzienster der zaal, mede eene Coloniste naar ons toe en roept uit: 'ik wou dat je 't mij vroeg, ik zou wel durven antwoorden'. - 'Welnu, waar waart gij liever?' - Wel daar ik van daan kom, liever dan in dit vervloekt gebouw dat ik in de Noordzee wou zien.' Dit gezegde eener vrouw die in een' betere post geplaatst, dien lichtelijk door zulke onvoorzichtige woorden verliezen kon verbaasde en trof ons. - Nu liet de Onderdirecteur, wiens kamer naast deze zaal was ons eenige lijsten zien van hetgeen de menschen verdienden. Hierover zal ik tot beter verstand van hetgeen volgen moet, het een en ander tusschen in voegen.
De algemeene grondregel, welke aan de Ommerschans in acht genomen wordt, is deze: die niet werkt zal ook niet eten. Dus, de Colonist die slechts half werkt, krijgt slechts halve portie, en die in 't geheel niet werkt geene. Elke Colonist boven de 16 jaren moet in de week 30 st. verdienen. Een gulden hiervan wordt voor zijn middagmaal gebruikt, en voor zijne kleeding, uit een zwartgrijs buis met groene opslagen witte knoopen bestaande. De overige 10 st worden hem betaald in kaartjens van 2 st. waarvoor hij in de winkel der Colonie zijn ochtend- en avondeten koopt. Deze kaartjens hebben buiten de Colonie geen debiet, omdat men aan geen Colonist sterken drank zoude geven, doch de OnderDirecteurs zelve maken hier een schandelijk misbruik van, daar deze de kaartjens onder de waarde opkoopend, den Colonist gereed geld verschaffen en zich zelve met dien woeker verrijken - Volgens de inrichting echter der Maatschappij kan geen Colonist met gewoonen veldarbeid meer dan één gulden verdienen, en moet dus om meer te hebben anderen zwaarderen arbeid verrichten. Zoo werken er sommige in de veenen, waar zij tot negen gulden toe in de week verdienen. - Van hunne oververdiensten wordt hun een derde in gereed geld betaald, een derde blijft aan de maatschappij en het laatste derde gaat in hun bijzondere spaarpot: wanneer een Colonist in zijne spaarpot f 25 heeft kan hij door den kapitein, niet vrijgesteld, maar ter vrijstelling voorgedragen worden en hangt nog van de beslissing des hoofdbestuurs af. Echter krijgt hijzelve geen' inzage van zijne verdiensten en kan dus nergens rekening op maken. Dan, wat gebeurt er? De voeding bestaat grootendeels uit paardeboonen en is dus weinig geschikt voor iemand die zwaren arbeid verrichten moet. Hij nu die met een luttel gelds in de Colonie aankomt, kan zich daarvoor beter voedsel verschaffen, en, is hij daarenboven gezond en sterk, in staat zijn door buitengewoonen arbeid zich staande te houden. Doch iemand die zwak en ziekelijk aan de Ommerschans gebracht wordt, en geen geld heeft, kan geen ander voedsel erlangen, wordt dus hoe langer hoe minder geschikt tot werken, krijgt diensvolgens hoe langer hoe minder eten en teert gestadig meer achter uit. Is hij zoo ziek dat hij heel niet werken kan, of verstaat hij den arbeid niet, dan moet hij dit wederom inwinnen, en het gevolg daarvan is dat hij nooit op gelijken voet kan komen.
De vrouw welke wij spraken mag met breien niet meer dan 30 st. verdienen, omdat al wat binnen het gebouw gemaakt wordt binnen het gebouw verbruikt moet kunnen worden, en zij anders licht te veel zoude breien: dus zij zit voor haar leven in de Ommerschans, daar zij nooit oververdienen kan. Ditzelfde heeft plaats met die spinnen, hun verdiensten zijn niet geëvenredigd naar den tijd dien zij besteeden moeten. - Kinderen van twaalf tot zestien jaren moeten drie vierde en van acht tot twaalf halve voeding verdienen: dit laatste is volstrekt onmogelijk. - Ook zagen wij het gevolg hiervan in de school waar van de driehonderd kinders slechts een dertigtal aanwezig was, omdat de andere arbeiden moesten. Ook de avondschool wordt niet bezocht, doordien de kinderen van den arbeid te huis komend door vermoeienis niet tot leeren gestemd zijn. Uit de school kwamen wij in eene benedenzaal, waar eene vrouw die zich op het veld overwerkt had zat te kermen van pijn en het gesticht te vervloeken. Naast haar was een akelig uitziend, uitgeteerd mannetje. Deze ongelukkige was oppasser in eene der kamers: zijne voeten bevroren door den harden winter en zijne toonen, hem met nijptangen afgedraaid, waren nog niet genezen, waardoor hij voor zijn' post ongeschikt zijnde dien verloren had, niet meer werken kon, en ex conseq. geen eten meer kreeg. - Van daar bezochten wij eene andere zaal en vonden er eenige vrouwen en kinderen. Eene der vrouwen toonde ons het ochtend en avondeten der kinderen. Hetzelve bestaat uit een half kommiesbrood, niet veel grooter dan twee kadetjens: op hetzelve moesten hare twee spruiten een' ganschen week teeren, en kermden ook van den honger. - Vervolgens bezochten wij de kinderkamer, waar zeven of acht kleinen onder de zeven jaren zaten te spinnen. Eene welgedane, knappe vrouw paste hen als kindermoeder op en tobde met een klein kind op den arm, zoodat zij zelve niet werken kon. Nu sprak Van Hogendorp een jongetje van zeven jaren aan: Van Hogendorp Hoe komt gij hier, jongetje? Het kind zucht, antwoordt niet en knipt een traantje weg. Van Hogendorp Antwoord vrij, waar komt gij vandaan? Het kind Uit Rotterdam, mijnheer. Van Hogendorp En wat hadt je gedaan dat je hier gebracht werd? Het kind Ik had iets gevraagd, mijnheer, en toen pakten de dienders mij op en brachten mij in de gevangenis, en daar heb ik acht weken ingezeten, en toen hebben zij mij hier naar toe gebracht. Van Hogendorp En wisten je ouders dat je bedeldet? Het kind Ja mijnheer, mijn vader had het mij belast. Van Hogendorp Wat deden uwe ouders? Het kind Mijn vader was lam en mijne moeder werkte voor de lui: maar in de gevangenis heb ik mijne ouders dikwijls gezien. Sints heb ik niets van ze gehoord. Van Hogendorp tegen een ander kind En jij, jongetje, waar ben jij vandaan? Het tweede kind Van Amsterdam, mijnheer. Van Hogendorp En hoe kom jij hier, hebt jij gebedeld? Het kind Neen mijnheer. Mijn vader werkte aan de landswerf en had mij aan 't werkhuis aangegeven, en vandaar ben ik hier naartoe gevoerd. Van Hogendorp En weet je vader dat? Het kind Neen mijnheer. Ik heb nooit iets van hem gehoord.
Van Hogendorp, zich tot de vrouw wendende En jij, vrouw, hebt jij gebedeld? De vrouw Zoo waar God leeft, neen mijnheer. Ik woonde in met een sergeant, dien ik om de wet over het trouwen van militairen niet trouwen mocht, maar ik werd wegens mijn goed gedrag als zijne echte vrouw beschouwd, en zelfs in deze papieren erkend (zij toonde ons die). Ik was waschvrouw bij het bataillon. Eens ging ik naar den Haag bij mijne zuster die armoedig was om haar wat geld te brengen. Met haar wandelend ging ik eens een' winkel in. Toen werd zij omdat zij bedelde opgepakt. Bij haar keerende en haar voorspraak willende zijn, nam men mij ook mede. Men stuurde ons naar het Bedelaars Huis te Hoorn: ik bleef er negen maanden, werd toen herwaarts gezonden en ben hier al acht maanden. God is een rechtvaardig' rechter en straft maar eens, doch ik wordt tweemalen gestraft om eene misdaad die ik niet begaan heb. Van Hogendorp En hoe maakt gij het hier. Kunt gij hier iets verdienen? De vrouw Neen mijnheer. Ik werd door den kapitein als kindermoeder aangesteld en heb het dus beter als anderen, daar ik 30 st weekelijks ontfang: doch gij begrijpt dat ik met dit kleintje op den arm en de zorg voor die andere niet werken en dus niets oververdienen kan. Van Hogendorp En hoe maakt gij het met het voedsel van de kinderen? De vrouw de schouders ophalende Ja mijnheer! zij krijten van den honger: enz enz.
Uit deze kamer kwamen wij in de klompenfabriek, waar een jongetje N.B. in een gesticht tot weering der Bedelarij met eene klomp in de hand bij ons bedelde. In eene bovenslaapzaal komende, waar eenige Colonisten zaten, vroegen wij of het hier de ziekekamer was; zoo elendig zagen al de bewooners er uit. Een jongen, achtien jaren oud, trad binnen. Van Hogendorp sprak hem aan. Van Hogendorp Hoe komt gij hier jongen? Wat hebt gij gedaan? De Jongen. Ik ben uit Frederiks Oord weggeloopen, achterhaald en hier gebracht. Van Hogendorp Zoo! gedeserteerd? en waarom? De Jongen Omdat ik door mijn weesvader mishandeld werd. Van Hogendorp Zoo? en waar zijt gij liever, hier of te Fredriksoord? De Jongen ziet rond en zwijgt. Van Hogendorp Welnu, waar zijt gij liever, spreek vrij! De Jongen Hier mijnheer.

Wat verder zat een ziekelijk man op een bank neer. Deze was een kameraad van onzen geleider en had 19 jaren als sergeant bij de compagnie gediend waar deze 17 jaren soldaat was geweest. Beide woonden bij Brussel, alwaar men hun diets maakte dat zij aan de Ommerschans eene hoeve zouden krijgen en een goed bestaan. Onder dit voorwendsel bracht men hen derwaarts. De Sergeant verhaalde ons met een bittere lach dat zijne vrouw eene week te voren van wanhoop was omgekomen. Ook toonde hij ons het vleesch, dat de Colonisten driemalen 's weeks krijgen, een stukje niet grooter dan zijne pink.
Op de plaats ontmoette ons bij 't keeren een lange kerel. Deze was de kwakzalver aan welke de negenhonderd zes en negentig zielen die in de Ommerschans woonen, toevertrouwd zijn. Hij is uit Duitschland gebannen en woont bij de vaart in een hol. De president van het geneeskundig toeverzicht te Zwol heeft hem beschaamd gemaakt en doen bekennen dat hij van al de kruiden in zijne recepten alleen de kropsalade kende. Ook hoor ik dat de Gouverneur van Overijssel klachten over hem heeft ingeleverd. Intusschen sterven de Colonisten onder zijne handen. Kruizinga laatst eene zaal binnentredende, vond een' hunner dood tegen de deur liggen.

Met de Godsdienstoefeningen is het elendig gesteld. De Predikant die twee uren van de Schans afwoont komt 's winters niet wegens de slechte wegen en was nu uitlandig zoodat er geen dienst was. 's Winters is er dus ook geene cathechesatie en over 't algemeen zijn de kinderen te vermoeid van 't werken om dezelve bij te woonen. De Roomschen hebben in 't geheel geen' dienst omdat er nog geen gewijde grond is: en de pastoor staat alleen de stervenden bij.

Stilzwijgend zagen wij ons bij 't uittreden aan en knipten eene traan uit de oogen weg. Mijn gemoed was vol: dan na een wijl voortgegaan te zijn zeide ik: 'zullen wij nu nog naar den kapitein gaan?' - 'Voor zeker, zeide VanHogendorp 'doch wachten wij ons afkeuring te laten blijken - Ja, hernam ik den beker tot den droesem leeggedronken!' - Wij kwamen dus bij den kapitein, een klein man, met een vriendelijk doch eenigzins weemoedig gelaat en Hoogduitsche uitspraak. Hij ontfing ons aan de deur en begon met deze woorden: 'Gij hebt het gesticht gezien? welnu, gij zult er voorzeker veele abuizen gevonden hebben?' Dit begin trof ons en deed ons openhartig met hem omgaan. - Hij bood ons pijpen en zijne vrouw schonk ons thee. - Wij spraken over al de ongelukkigen die buiten hun schuld in de Ommerschans zaten. Nu verhaalde hij ons de volgende gebeurtenissen.

Eenige Groningsche huisgezinnen hadden zich voor de vrije Colonie van Veenhuizen aangegeven, en reisvaardig gemaakt. Door het schandelijkst bedrog voerde men hen naar de Ommerschans: de kapitein maakte hiervan zijn rapport bij de Maatschappij, doch de ongelukkigen deelen intusschen in de elende daar heerschende. Een reiziger zich buiten 's lands begevende komt 's avonds in een dorp aan: in de herberg geen logies kunnende krijgen vervoegt hij zich bij den Schout. Deze, eene flesch te veel gedronken hebbende scheldt hem voor een landlooper uit. De reiziger toont zijn' pas, zoo men weet, in 't Fransch gesteld. De schout, die taal niet machtig, antwoordt hem: 'wat heb ik met je oude congé uit Franschen dienst te doen.' Hij laat den man vatten en naar de Ommerschans voeren. De kapitein ziet bij de aankomst zijn' pas en maakt zijn rapport, doch de arme reiziger is nog niet vrij. Eene vrouw van over de zeventig jaren had bij hare dochter een' zak aardappelen gehaald en bracht dien te huis. De veldwachter pakt haar op en zendt haar naar de Ommerschans. Een arbeider bij Brugge, werd van 't werk keerende door geeuwhonger overvallen. Eene vrouw staat hem bij, doch de marechaussée vat hem als landlooper en zendt hem naar de Ommerschans, buiten weten zijner elendige vrouw en kinderen die van gebrek kwijnen en van de hulp des huisvaders verstoken zijn.

Wat de misdaden van diefstal en dergelijke in den Ommerschans nu en dan gepleegd, aangaat, dezelve worden aan den gewoonen rechter niet overgegeven; doch in de Schans zelve wordt de misdadiger ondervraagd, gevonnisd en gestraft. Een rechtbank van zeven persoonen, met den kapitein aan 't hoofd doet uitspraak; deze laatste beschouwt elk wanbedrijf als gepleegd door een der leden van een groot huisgezin, en dus alleen door het hoofd van dat huisgezin strafbaar. Dit doet hij om de ongelukkigen die zich licht door elende of hongersnood gedreven aan eens anders goed vergrijpen zoude voor schande of zwaardere straf vrij te waren. Ook gaf hij deze reden van zijn gedrag toen hij een' jongeling die bij hem aan huis diende en huiswerk verrichte wegens den diefstal van een gouden horologie had laten afstraffen, daar hem de directeur aanklaagde als hebbende een daad van willekeur gepleegd, terwijl zijne handeling uit een edel grondbeginsel voortkwam.
De mannen en vrouwen zijn als ik zeide gescheiden, en de gehuwden woonen niet bij een. Echter heerscht de republiek van Plato en Jan van Leyden, anders gezegd de Vaga Venus hier in den volstreksten zin, zoodat de meeste meisjens zwanger zijn. De jonge lieden van beide kunne gaan gezamenlijk naar het werk, een soldaat moet op vijfentwintig paren passen en er kan licht iets geschieden dat zijn oog ontglipt, wijl verhinderde begeerte te lichter wordt aangeprikkeld.

Nadat de kapitein ons deze en veele andere zaken verhaald had, bracht hij ons de velden rond, die de Colonie omringen. In dezelve staan zes boerenwooningen, bewoond door die huisgezinnen welke in Fredriks Oord zich het beste gedragen hebben. Elk hunner heeft veertig morgen lands, acht koeien en de noodige paarden, varkens en schapen. Met de mest van deze dieren en van veertig Schanscolonisten maakt hij zijne akkers vruchtbaar. De rogge en garst stonden hier nog beter dan in Fredriks Oord 't geen ik voornamelijk aan het aanbelendende Dedemsche kanaal toeschrijf. Ook de vlas bloeide heerlijk doch staat niet op nieuwen grond als men ons verhaalde, maar op gewezen' weiland dat te voren aan Kruizinga had toegehoord. Nadat wij eene der hoeven, die groot en ruim zijn, bezichtigd hadden, nam de kapitein afscheid van ons en verzocht Van Hogendorp zijn' invloed, zoo hij er eenige had, in 't werk te stellen ter verbetering van het gesticht en verlichting van den last die zijne schouderen drukte: dat hij ten minsten niemand dan door een rechterlijk vonnis op de Ommerschans krijgen mocht. Dit alles zeide de brave man met de tranen in de oogen. Zeer geroerd namen wij ons afscheid van hem na drie en een half uur in en om het gebouw doorgebracht te hebben. Deze uren heb ik zeker onder de pijnlijkste die ik immer heb doorgebracht: echter dank ik God, dat ik in de gelegenheid geweest ben deze inrichting zoo naauwkeurig te bezien en zoo wel te leeren kennen: O! dat onze zwakke pogingen het lot dier rampzaligen mochten verzachten en den blinddoek afrukken van de oogen diergenen die met vooringenomenheid oordeelen. - Wel zegt de Star in een' zijner nommers: Kom en zie.

kanttekeningen bij dit verslag

 

ook was hij (Kruizinga) het die voor f 55.000 het gansche gebouw der Ommerschans aannam
Wellicht heeft Meine Jelkes Kruizinga die bewering gedaan, maar het is onjuist. Het is de plaatselijke meester timmerman Eltje Jans Nuis die deze klus heeft aangenomen en uitgevoerd. Hij begon de bouw van het twee verdiepingen hoge gesticht in april 1822. Op 10 september 1822 arriveerden de eerste bedelaar-kolonisten op Ommerschans, ruim voor de oplevering van het gesticht, dat pas begin 1823 helemaal voltooid werd. 

die niet werkt zal ook niet eten
Alle bedelaar-kolonisten krijgen dagelijks minimaal één maaltijd, ongeacht de vraag of ze werken of niet. De maaltijd wordt bereid in de keuken van de zaalopziener. De zaalopziener draagt zorg voor 4 zalen waarop in totaal maximaal 160 kolonisten zijn ondergebracht. In de woning van de zaalopziener, die tussen deze zalen gesitueerd is, is een ruime keuken waar een kookvrouw met kokshulpen de maaltijd bereiden volgens de instructie van de Maatschappij. De kookvrouw en haar hulpen zijn bedelaar-kolonisten, voor wie dit werk de hoofdtaak is. Ook zij krijgen hiervoor betaald volgens de regels van de Maatschappij. Een kolonist die meer werk verricht dan het minimum, krijgt een zogenaamde oververdienste. Die oververdienste wordt in drie gelijke delen verdeeld: 1 deel gaat naar de Maatschapij; 1 deel gaat naar het tegoed (bij 25 gulden tegoed kom je in aanmerking voor ontslag) en het laatste deel wordt uitbetaald in koloniale munt (kartonnen kaartjes of metalen muntjes) waarmee je in de gestichtswinkel extra eten kunt kopen.
Wie niet werkt, heeft geen oververdienste en kan dus geen extra voedsel kopen.

de negenhonderd zes en negentig zielen die in de Ommerschans woonen
Even wat statistiek voor de datum 15 juli 1823. Volgens het eerste inschrijfregister waren er op die dag 761 bedelaar-kolonisten binnen de poort; 311 vrouwen en 450 mannen. Van 3 vrouwen en 4 mannen is het geboortejaar niet bekend. Van de overigen is de verdeling naar leeftijd hieronder weergegeven.


Vanaf 10 september 1822 zijn er 884 kolonisten ingeschreven. Tien maanden later zijn er 123 niet meer op de Schans.  Er zijn er 33 overleden en 54 gedeserteerd (weggelopen). 35 kolonisten zijn terug gestuurd naar de plaats van herkomst omdat ze (tegen de belofte in) niet in staat zijn te werken en één kolonist is zijn dienstplicht gaan vervullen. Geen enkele kolonist heeft op dat moment ontslag gekregen en dat kan volgens de regels ook niet, omdat de minimale verblijfsduur 1 jaar is.

Hieronder is weergegeven  hoeveel maanden de kolonisten op 17 juli 1835 verblijven op de Schans.


van de driehonderd kinders
Zoals al blijkt uit de verdeling naar leeftijd, zitten er tijdens het bezoek van het tweetal hooguit 100 schoolgaande kinderen op de Schans. Zeker geen 300!

Ik ben uit Frederiks Oord weggeloopen
Deze jongen hoorde waarschijnlijk tot de bewoners van de Strafkolonie Ommerschans. Vanaf 1820, dus twee jaar voor de bouw van het bedelaarsgesticht, werden bewoners van de gewone koloniën (Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord) voor onbepaalde tijd naar Ommerschans gestuurd als ze een ernstig vergrijp hadden verpleegd. Hierover schreef Wil Schackmann zijn vierde en laatste boek: De Strafkolonie. De inschrijvingsregisters van de strafkolonie Ommerschans zijn hier online te raadplegen.

dat zijne vrouw eene week te voren van wanhoop was omgekomen
De overlijdens van de bewoners van kolonie Ommerschans werden aangegeven in de gemeente Stad Ommen. Het laatste overlijden op Ommerschans vóór 15 juli 1823 is dat van de 20-jarige ongehuwde koloniste Anna Maria Coenard. Zij is op 23 november 1822 met de eerste groep vrouwelijke bedelaars uit Brussel aangekomen op de Schans. Zij overleed op 6 juli, dus een goeie week voor het bezoek. Misschien was zij de verloofde van de sergeant? Als we verder terugbladeren in het overlijdensregister dan moeten we naar 24 juni om weer een vrouwelijke koloniste te vinden. Het is de 19-jarige Huigje Scheer die op 22 oktober 1822 vanuit het werkhuis in Hoorn naar Ommerschans is gekomen. Zij zal waarschijnlijk niet de vrouw van de sergeant zijn. Daarvoor moeten we terug naar 1 juni -zes weken geleden- voor de 31-jarige kantwerkster Therese of Marie Moermans uit Brugge. Maar ook in haar overlijdensacte staat dat ze ongehuwd is.

zoodat de meeste meisjens zwanger zijn

Tijdens het bezoek van van Lennep en van Hogendorp zijn er ca 100 vrouwelijke kolonisten op de Schans in de leeftijd van 15 tot 30 jaar.

De volgende geboortes van kinderen van ongehuwde moeders zijn na 15 juli 1823 aangegeven:

27 augustus, Jacobus, zoon van Marijtje Rooks, 28 jaar, ongehuwd, sinds 10 oktober 1822 op de Schans, dus hier zwanger geworden.
29 september, Anna Catharina, dochter van Anna Maria Lippolt, 20 jaar, ongehuwd. Zij is de dochter van "dokter" Hendrik Lippolt, over wie in het verslag ook uitvoerig gesproken wordt.
24 december, Pieter, zoon van Maria Meijer, 23 jaar, ongehuwd, sinds 24 juli 1823 op de Schans, dus zwanger aangekomen en na het bezoek van de twee jongeheren.
27 januari 1824, Johannes Batist, zoon van Marie Dupon, 26 jaar, ongehuwd, sinds 22 november 1822 op de Schans, dus hier zwanger geworden.
27 januari, Franciscus, zoon van Sophie de Gronde, 28 jaar, ongehuwd, sinds 9 november 1822 op de Schans, dus hier zwanger geworden.
6 februari, Karel, zoon van Petronella Jurriaans, 25 jaar, ongehuwd, sinds 12 october 1823 op de Schans, dus na het bezoek van de twee jongeheren.
6 februari, Johannes Franciscus, zoon van Anna Bolde, 35 jaar, ongehuwd, sinds 13 maart 1823 op de Schans, dus hier zwanger geworden.
14 februari, Anna Josephina, dochter van Anna Elisabeth Maas of Moers, 37 jaar, ongehuwd, sinds 9 november 1822 op de Schans, dus hier zwanger geworden.
20 februari, Dirk, zoon van Antje Blankhorst, 22 jaar, ongehuwd, sinds 12 augustus 1823 op de schans, dus zwanger op de Schans aangekomen en na het bezoek van de twee jongeheren.
23 maart, Johannes Baptist, zoon van Alexandrie Busch, 27 jaar, ongehuwd, sinds 9 november 1822 op de Schans, dus hier zwanger geworden, maar dat kan bij het bezoek van de twee jongeheren nog niet bekend zijn geweest.

Conclusie: er waren op 15 juli 1823 welgeteld 5 ongehuwde kolonistes zwanger op de Schans en bij de laatste twee mag je je afvragen of de zwangerschap op 15 juli 1823 al bekend was bij de gestichtsleiding. De leeftijd van de 5 lag tussen de 26 en 37 jaar. De aanduiding "meisjes" is dus arbitrair.

Wellicht zijn er kort voor 15 juli een paar zwangerschappen ontdekt, terwijl er ook een paar kolonistes hoog zwanger waren. Het is van alle tijden dat dat onmiddellijk leidt tot de generalisatie.

Geert Mak en de zomer van 1823

In 2000 verschenen het boek en de TV serie "de zomer van 1823", waarin auteur Geert Mak de voetreis van Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp dunnetjes over doet. In 2018 is het boek in herdruk verschenen en de TV serie is online te bekijken op de website van Geert Mak.

In aflevering 6 van de TV serie zien we Geert Mak op het terrein van Ommerschans commentaar leveren op het verslag van de twee.

Als Geert Mak vertelt dat het gesticht in 1823 slechts drie jaar oud is, ziet hij over het hoofd dat het grootste deel van de kolonisten slechts een paar maanden binnen de poort is.

Ik hoor Geert nergens kritische kanttekeningen plaatsen bij de waarnemingen van van Lennep en van Hogendorp. Sterker nog: hij zet de waarnemingen extra aan om een beeld te schetsen van een gruwelijk oord. Zo zegt Geert over de begraafplaats:

5448 paupers, naamloos in een graf gesmeten, in een jute zak, niet eens in een kist.

Ik ken de mythes van de massagraven en het begraven in jute zakken. Maar voor beide stellingen heb ik nimmer een bewijs gezien. Als je kijkt naar de afmetingen van de begraafplaats: 210 meter lang en 60 meter breed, dus 12.600 m2 groot, dan is er theoretisch plaats voor 6.300 graven in één laag. Dan is het dus heel goed mogelijk om 5.800 personen (zoveel heb ik er in de Burgerlijke Stand geteld, inclusief beambten-families) te begraven zonder dat het nodig is graven te ruimen.
Overigens is het helemaal niet vreemd om in een tijdsbestek van 70 jaar wel degelijk graven te ruimen en de resten in verzamelgraven te herbegraven. Dat is een praktijk op de meeste begraafplaatsen in Nederland. De huidige wettelijke termijn voor grafrust is zelfs maar 10 jaar!

5.400, je moet je realiseren dat dat een hoger sterftecijfer is dan de gemiddelde Japanse concentratiekampen in het voormalige Nederlands Indie. Dit was echt een hongerkamp, een concentratiekamp, een schande.

Volgens Wikipedia zaten er ca 130.000 mensen in de Jappenkampen, waarvan er ca 16.000 overleden zijn. Een percentage van 12,3%

Om voor Ommerschans op dat percentage uit te komen, moeten er in de periode 1820-1890 44.292 verschillende individuen hebben gezeten. Momenteel worden de inschrijvingsregisters van Ommerschans en Veenhuizen ontsloten in het velehandenproject familie van je? Zodra die klus geklaard is en de unieke personen uit dit bestand gedestilleerd zijn, dan zal het exacte aantal duidelijk worden. Ook zal dan duidelijk worden welk deel van deze personen (ook) in Ommerschans heeft verbleven.
Maar om een voorschot op die uitkomst te nemen: een voorlopig bestand dat ik enkele jaren geleden kreeg van het Drents Archief en dat is samengesteld op basis van een aantal oude alfabetische indexen op de registers, bevat meer dan 42.000 unieke namen van bedelaar-kolonisten en verpleegden, over de periode 1822-1876. Het aantal namen over de periode 1822-1890 zal dus groter zijn. Bovendien ontbreekt er naar schatting 5-10% van de kolonisten in het bestand. Daar staat tegen over dat een deel van deze populatie nooit in Ommerschans heeft gezeten. Voorlopige conclusie: De orde grootte van het sterftecijfer in Ommerschans zal niet ver van dat in de Jappenkampen liggen, maar zeker niet significant hoger.

Een volgende vraag is of je de sterfte cijfers in Ommerschans over de periode 1820-1890 mag vergelijken met een sterftecijfer in de periode 1942-1945, om daarmee te suggereren dat de organisatie rond de Ommerschans even gruwelijk uitpakte als die van de Japanse bezetter in Nederlands Indie.
In de publicatie "De demografische ontwikkeling van Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw. Een historisch-demografische en sociologische studie." van E.W. Hofstee (1979) lees ik dat het sterftecijfer in Nederland in de periode 1800-1875 vrij constant op 25 personen per duizend bewoners per jaar lag. Met dat getal en op een bevolking van ca 1.200 personen, zouden er in Ommerschans in de periode 1820-1890 ca 2.100 personen moeten zijn overleden. Het werkelijke getal ligt dan een factor 2,75 hoger.
Daarbij wil ik nog aantekenen dat het "normale" getal van 25 overlijdens per duizend is gerelateerd aan een "normale" opbouw van de bevolking. De opbouw van de bevolking in Ommerschans was bepaald niet normaal; zowel in leeftijdsopbouw als in verdeling naar sociale klasse.
In de Jappenkampen lag de werkelijke sterfte een factor 6,4 hoger dan de normale sterfte. Ik krijg dan toch het gevoel dat de vergelijking met de gruwelijke Jappenkampen misplaatst is.

In de dissertatie "De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859" van Miek Roelfsema-van der Wissel (2006) wordt uitgebreid ingegaan op de oorzaak van sterfte onder de bedelaar-kolonisten in de periode 1818-1859. Hier komt het aspect ondervoeding incidenteel voor, bijvoorbeeld als gevolg van de aardappelziekte in 1847. Maar het is zeker niet de prominente doodsoorzaak in de gestichten. Hieronder de rapportage van doodsoorzaken in 1847.


Resort Ommerschans

Tenslotte: De recidive op de bedelaarskolonies was aanzienlijk. Het aantal gevallen van kolonisten die meer dan 5 maal werden ingeschreven, met slechts korte perioden van vrijheid, is legio. Zodra de inschrijvingsregisters volledig zijn ontcijferd, zullen we dit helder in cijfers weergeven. We weten dat een aanzienlijk deel van deze recidive de vrije keus van de ex-kolonist was. Op elk beurtschip van Amsterdam naar Zwolle zaten een aantal betalende passagiers, die zich na aankomst in Zwolle bewust voor bedelen lieten oppakken, opdat ze zo snel mogelijk terug waren in Ommerschans. Ik heb geen aanwijzingen gevonden dat die keuze was ingegeven om een gratis afslankkuur te ondergaan. Zo wordt Aaltje Kwak, voorouder van Johnny de Mol en Willeke Alberti, op 7 juli 1863 in Zwolle veroordeeld tot een verblijf op de Schans. Ze maakt deel uit van een groep van meer dan 30 bedelaars die de reis naar Zwolle hebben gemaakt.

Petrus Jodocus de Jong is op 12 december 1843, op zijn 43e verjaardag, voor de eerste maal ingeschreven te Ommerschans. Een jaar later slaagt hij er in te ontsnappen.
In de zomer van 1848 is hij terug op de Schans. Hij wordt doorgestuurd naar Veenhuizen, waar hij bijna 3 jaar zal verblijven. Precies vier maanden na zijn ontslag is hij op 2 september 1852 weer op de Schans terug, opgezonden vanuit Zwolle. Hij heeft nu de snelle route naar de gestichten gevonden! Hij wordt opnieuw naar Veenhuizen doorgestuurd, waar hij pas op 18 april 1856 ontslag krijgt. Waarschijnlijk tegen zijn zin! Want je raadt het al: op 28 augustus is hij weer terug op de Schans, veroordeeld in Zwolle. Hij gaat andermaal naar Veenhuizen, waar ze hem al op 8 augustus 1857 ontslaan. Deze keer doet de Jong beter zijn best om uit het gesticht te blijven. "Pas" op 28 oktober 1859 is hij terug in Veenhuizen; deze maal op basis van een veroordeling in Assen. En nu weer een goeie veroordeling: pas op 1 mei 1863 krijgt hij weer ontslag. In Amsterdam maakt hij zijn zakgeld op en van de laatste centen koopt hij een kaartje voor de boot naar Zwolle. Klaar voor een volgend verblijf in een gesticht. Maar hij zal daar niet aankomen...

reactie Geert Mak

Volgens een nieuwsbericht van het Drents Archief uit 2008 is Catrinus Mak, betovergrootoom van journalist en auteur Geert Mak, in 1853 in een bedelaarsgesticht te Veenhuizen ingeschreven. Voor de zekerheid heb ik dat wapenfeit even gecheckt en niet voor het eerst blijkt zo'n bericht onjuist te zijn. Weduwnaar Catrinus Mak zat elf maanden in sabbatical in de Ommerschans. Na zijn ontslag trouwde hij opnieuw en hij leefde nog lang en gelukkig. Zo kan het ook!
Alvorens dit artikel online te plaatsen, heb ik Geert Mak via zijn uitgever om een reactie gevraagd. Die reactie kwam heel snel, en heel sportief!

Ik reageer graag op uw indrukwekkende onderzoek - plus uw, voor mij persoonlijk, interessante vondst over die betoveroudoom van me.

Wat Ommerschans betreft: ik buig onmiddellijk nederig het hoofd. U weet hiervan oneindig veel meer. Toen de TV-mensen en ik aan de wandel gingen - alweer bijna twintig jaar geleden - baseerden we ons grotendeels op de beschouwingen van Van Lennep en wat algemene literatuur. In het kader van zo’n TV-serie zijn de mogelijkheden om uitputtend bronnenonderzoek te verrichten nu eenmaal zeer beperkt. Ik kan het dan ook alleen maar toejuichten dat de waarheden en onwaarheden rond Ommerschans nu grondig en gedegen tegen het licht worden gehouden. Als ik in een volgend leven nog eens met Van Lennep door Nederland mag wandelen zal ik uw bevindingen graag omhelzen. Aan boeken kun je in een eventuele nieuwe druk nog wel eens iets veranderen, ik zal uw stuk plus de inleiding bij Van Lennep daar zeker nog eens op nalopen.

Wat deze oom betreft: u vraagt zich af hoe het mogelijk was dat hij na elf maanden alweer uit Ommerschans kon vertrekken. Net als u kan ik alleen maar gissen naar de oorzaak, hij komt, net als zoveel bezoekers van Ommerschans, in de familieverhalen niet voor. Ik heb wel een vermoeden: de Makken waren niet rijk maar behoorden, met hun zeilmakerij, soms wel tot de degelijke Schiedamse middenstand. Het zou me niet verbazen als familieleden tussenbeide zijn gekomen en hem financieel en politiek hebben geholpen. In de 20e eeuw hadden we ook een oom, oom Arie, die wel wat leek op zijn 19e Zeeuwse voorganger. Die werd ook keurig door de rest van de familie ‘gered’.

Met veel dank voor uw zeer lezenswaardige publicatie en met een hartelijke groet,

Geert Mak

Nominatiedossier Unesco: vrije en gedwongen Koloniën

Ik heb de nominatie van de Koloniën van Weldadigheid als Unesco Werelderfgoed van de zij-lijn gevolgd.

De groep die enthousiast werkte aan het dossier straalde uit dat alles onder controle was. Tijdens een ledenvergadering van de Vereniging Ommerschans in het voorjaar van 2017 vertelde wethouder Ko Scheele van Ommen dat er eigenlijk niets mis kon gaan. Omdat een aantal jaren geleden een andere Nederlandse nominatie was stukgelopen had nu het kabinet zich er mee bemoeid, want zo'n afgang wilde men niet weer meemaken.

Groot was de schrik toen enkele maanden voor het congres in Qatar het bureau Icomos een negatief advies uitbracht over de nominatie van de Koloniën. Aanvankelijk werd de schrik getemperd: Icomos geeft alleen een advies: het is het congres dat beslist.

Met grote belangstelling volgde ik op D-Day de live stream van het congres in Bahrain. Al snel werd mij duidelijk dat Icomos niet zo maar een adviesbureau is. Tijdens het congres wordt elk project door Icomos gepresenteerd en van commentaar voorzien. En wat ook opvalt: bij de succesvolle projecten laat Icomos niet na om de geweldige samenwerking tussen de genomineerde partij en Icomos gedurende het nominatieproces te benadrukken. De uitstraling is duidelijk: als je het zonder ons probeert te redden: succes! Het is dan ook niet vreemd dat we nu lezen dat Nederland nauw gaat samenwerken met Icomos op weg naar de herkansing. Waarom is dat niet van meet af aan gedaan?

Wat me ook opviel aan de andere inzendingen, is dat de sites bijna zonder uitzondering millennia oud zijn. Daarbij vergeleken zijn de Koloniën van Weldadigheid ingedroogde embryo's. Nu heeft Nederland wel vaker met dat bijltje gehakt: de stelling van Amsterdam (1880-1914) en het Wouda-gemaal (1920) zijn nog veel jonger dan de Koloniën en die hebben het wel gered!

Tijdens de behandeling van "onze" nominatie werd mij duidelijk dat de drager van onze nominatie het begrip "de verlichting" is: de wortels van de moderne westerse samenleving. Die belangrijke schakel in de menselijke geschiedenis moet worden verankerd als wereld erfgoed en daarbij zijn de Koloniën exemplarisch. Dat element spreekt voldoende landen aan om tot erkenning als werelderfgoed te komen.

Johannes van den Bosch ging er van uit dat de mens verbeterbaar is. Dat hij zich zelfs kan opwerken tot een andere sociale klasse. Zijn eigen leven is daar een voorbeeld van: geboren als zoon van een plattelandsdokter werkte hij zich in korte tijd op tot gefortuneerd planter. Hij was ondernemer: wat hij bedacht moest worden uitgevoerd. Meteen.
De Koloniën van Weldadigheid zijn niet opgezet om arme mensen te onderhouden. Het oorspronkelijk doel van alle Koloniën was om de bewoners te stimuleren om een stap vooruit te zetten. En wie daar in slaagde, werd daarvoor beloond. De voorbeelden daarvan zijn talrijk: trek het verleden van de beambten binnen de Maatschappij van Weldadigheid na en je zult er genoeg tegenkomen die kansloos aan het leven begonnen en die dankzij de omgeving van de Maatschappij succesvol werden.

Daarin zie ik zelf geen onderscheid tussen de gewone Koloniën (helaas heeft iemand daar ooit de term vrije Koloniën op geplakt: in de Maatschappij-tijd werden ze echt de gewone Koloniën genoemd) en de Gestichten. Voor alle Koloniën gold dat je niet vrij was deze te verlaten: overal heette dat desertie. Overal golden regels en als je die overtrad dan werd je gestraft door de Raad van Tucht. En overal kregen de kolonisten die het goed deden, privileges. Ze kregen baantjes, voordelen en uiteindelijk uitzicht op vrijheid. Die kant van de verlichting is er in de Maatschappij-tijd naar mijn mening altijd en overal geweest.

En dat daar tussendoor veel ellende is geweest, is een feit. Doordat teveel mensen opeengepakt werden en de leiding niet doorgrondde tot welke rampspoed dat kon leiden, zijn veel mensen ziek geworden, wat leidde tot invaliditeit of de dood. En ook komen we alle slechte menselijke eigenschappen tegen in alle lagen van de bewoners, zowel beambten en kolonisten. Dat leidt dan tot incidentele ellende maar uiteindelijk grijpt de leiding in, of het nu om kolonisten gaat of om beambten.

Daarom ben ik van mening dat het goed te verdedigen is dat de Maatschappij van Weldadigheid het idee van verlichting praktiseerde in elke kolonie en dat we de stickers "Vrij" en "Onvrij" snel moeten losweken, op weg naar een vernieuwde nominatie.

Reacties

Onderdeel van het thema: