Geplaatst door: 
Verhaal

het zwaard van Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Op 5 juli 2017 slaagde het Rijksmuseum van Oudheden (Leiden) er in het zwaard van Ommerschans aan haar collectie toe te voegen. Op een veiling bij Christies Londen werd de koop rondgemaakt op een bedrag van 550.000 Euro. Een onvervalst "eind goed al goed" aan een traject van 90 jaar. De aanhouder wint!


Een bronzen zwaard. Niet geschikt om mee te vechten, maar van een prachtig ontwerp en met groot vakmanschap vervaardigd. Er zijn er inmiddels zes gevonden: twee in het Verenigd Koninkrijk, twee in Frankrijk en twee in Nederland. Ze zijn allemaal verschillend in formaat en ook het ontwerp verschilt iets, maar iedereen herkent de hand van dezelfde meester in deze zwaarden. Het zwaard van Ommerschans is zeker niet het lelijke eendje van de groep. Het valt op door z'n formaat en door de goede staat waarin het zich na ca 3500 jaar bevindt.

Op 20 december 2017 mocht ik deel uitmaken van een delegatie van de Vereniging Ommerschans, op bezoek bij het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden. Daar werden we hartelijk ontvangen door conservator Dr Luc Amkreutz, die vertelde over de voorgeschiedenis van het verwerven van het zwaard.Uit hetgeen Amkreutz vertelde, bleek dat tal van mensen zich in de afgelopen negentig jaar hebben ingespannen om het zwaard als Nederlands erfgoed te verwerven en om de exacte vindplaats te achterhalen. Na ons bezoek stuurde Amkreutz ons een hoofdstuk toe uit het manuscript "Kanttekeningen bij mijn publicaties en enige andere zaken" (Baarn 2004) van archeoloog Dr Jan Albert Bakker. Bakker (1935) is emeritus lector van de Universiteit van Amsterdam en vanaf het begin van zijn loopbaan als archeoloog in 1957 kruist het zwaard van Ommerschans regelmatig zijn pad. In "Kanttekeningen" zet hij alle gedocumenteerde feiten op een rij. Het 33 bladzijden tellende verhaal over het zwaard leest bepaald niet als een roman, maar bevat wel alle informatie die nodig is om verder te speuren teneinde het verhaal compleet te krijgen.

Uit "kanttekeningen" blijkt dat een cruciale rol is weggelegd voor de vooraanstaande amateur-archeloog Jan Butter (1882-1970), die zijn brood verdiende als leraar aardrijkskunde aan de Handelsschool te Deventer. Hij speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de archeologie in Overijssel en na zijn pensionering beet hij zich ondermeer vast in het verhaal van het zwaard, om de onderste steen boven te krijgen. Hij spoorde in 1958 Margje Remmelts op, de toen 82-jarige zuster van de vinder van het zwaard, Geert Remmelts (1873-1946). Margje legde een gedetailleerde verklaring af over plaats en datum van de vondst. Deze verklaring werd officieel op schrift gesteld en door Margje en twee van haar kinderen ondertekend. De burgemeester van Ommen legaliseerde de handtekeningen onder de verklaring.
Deze verklaring kwam na Butter's overlijden in 1970 terecht in de archieven van het RMO in Leiden. Pas in 2001 werd Bakker geattendeerd op het dossier van Butter en kreeg hij deze verklaring in handen, met daarbij ondermeer een foto negatief uit 1958 met Margje Remmelts bij haar ouderlijke woning.

Cruciaal in de verklaring zijn twee gegevens: de zwaard en bijbehorende spullen zijn in 1894 door haar broer Geert Remmelts gevonden op het kadastrale perceel sectie A no 1097 in de gemeente Stad Ommen. Geert heeft de spullen meegenomen naar zijn ouderlijk huis, vlak naast het perceel en later dat jaar heeft grondbezitter Eduard Lüps de spullen meegenomen, zonder daarvoor een vergoeding te geven. De verklaring is getekend op 17 juli 1958. Zes weken later, op 26 augustus 1958, is Margje Remmelts overleden.

De vindplaats

Stad Ommen, sectie A no 1097. Via de Archief-viewer van het kadaster, die in het Historisch Centrum Overijssel vrij te raadplegen is, vind ik de hulpkaart, het zogenaamde veldwerk, die in 1872 door de landmeters in het veld is opgetekend toen een groep percelen in het onontgonnen terrein is uitgemeten. Hierin heb ik het betreffende perceel A 1097 rood ingekleurd.


We zien dat er in de aangrenzende percelen 1096 (eigenaar Jacob van der Vegt) en 1102 (eigendom van de Marke van Ommen) een grote waterplas te vinden is in het heideveld.
We herkennen de percelen in het Historisch Centrum Overijssel op een kadasterkaart uit 1889.


De volgende vraag is dan: waar is dat perceel nu te vinden? Welnu, die vraag beantwoorden we door de kadasterkaart te projecteren in de applicatie Google Earth, het zusje van het online programma Google Maps, dat op elke PC te installeren is. Door de kaart transparant weer te geven is de ligging ten opzichte van de actuele satelietfoto goed te vinden. Het perceel ligt ten oosten van de Balkerweg en ten noorden van de Maatschappijwijk.

Op de volgende afbeelding laten we de kaart uit 1889 weg.

Tenslotte zoomen we verder in. Het zwaard is gevonden op het perceel tegenover het actuele adres Maatschappijwijk No 6. In de gele circel ligt het huidige perceel Maatschappijwijk No 1. Op die plaats woonde de familie Remmelts van 1876 tot 1919.

Waarom hier?

Een vraag die de archeoloog zich natuurlijk stelt, is waarom het zwaard op deze locatie is verborgen. Was er hier 3.500 jaar geleden al een een doorgaande noord-zuid route door het veen? Op de Hottingerkaart van 1790 zien we ten oosten van de Balkerweg een zandrug vanaf Witharen via de Belt naar het noorden lopen. Deze stuifzandrug lag er al in de tijd dat het zwaard is verborgen. Het is aannemelijk dat dit tot in de middeleeuwen een van de weinige, wellicht de enige begaanbare route door het veen is geweest. Op onderstaande kaart zien we ook een watergang van oost naar west lopen, even ten noorden van de plaats waar het zwaard is verborgen. Er zijn ook theorieën dat men het zwaard via deze watergang -vermoedelijk een natuurlijke afwatering vanuit het veen naar het westen- op z'n plaats heeft gebracht. Maar dit is speculatief. Op middeleeuwse kaarten komt deze watergang niet voor.

De doorgaande route door het veen van Witharen naar Avereest over de Belt is in de 21e eeuw nog heel goed te herkennen in het Actueel Hoogtebestand Nederland: een kaart waarop de hoogte in centimeters nauwkeurig kan worden weergegeven.


Om een indruk te krijgen van de dikte van het hoogveenpakket aan het begin van de 19e eeuw, heb ik de veenkaart van Van Dedem (1811) geprojecteerd in Google Earth. Deze kaart is opgesteld in 1811 ten behoeve van de verdeling van de markegronden waar het hoogveen aan de snee zou worden gebracht. De waarde van de grond was op dat moment volledig gekoppeld aan de dikte van de veenlaag, die als turf zou worden verkocht. De gronden werden zodanig verkaveld dat alle eigenaren in de marke na loting een hoeveelheid grond zouden krijgen met een waarde die overeen zou komen met hun aandeel in de Marke. Daartoe werd in een regelmatig patroon de dikte van de veenlaag letterlijk in kaart gebracht.

We zien op deze kaart dat de dikte van het veen, nabij de locatie van het zwaard, gemiddeld 4 Rijnlandse voeten dik was, wat overeen komt met ca 1,2 meter. De diktes die Jan Albert Bakker in de jaren '60 heeft gemeten nabij de vindplaats waren aanzienlijk minder. Maar daar zal -150 jaar later- inklinking door ontwatering en erosie ook debet aan zijn. Ir Cees Zoon, die zich uitgebreid heeft verdiept in de historie van Varsen en het Ommerveld, meldt desgevraagd dat uit middeleeuwse bronnen bekend is dat de westrand van het aaneengesloten hoogveen ten oosten van de huidige Balkerweg heeft gelegen. Het zwaard moet dus in die westrand gevonden zijn. Het gebied ten oosten van deze rand (Oude Veen en Woeste) was vanaf de middeleeuwen in gebruik als laagveenhooiland. Hier werd door boeren voor eigen gebruik en kleinschalige verkoop turf gestoken.

De Vinder

Geert Remmelts is op 24 maart 1873 geboren in de buurtschap Broekhuizen onder de Drentse gemeente Ruinerwold. Geert's ouders, Remmelt Albert Remmelts en Janna Schoemaker, zijn vijf maanden eerder gehuwd. Janna was dus vier maanden zwanger. Dat was in die jaren bepaald niet uitzonderlijk. We zien in het bevolkingsregister van Ruinerwold verder dat op 6 maart 1876 dochter Margje geboren is. Zij zal zich van haar verblijf in Ruinerwold zeker niets herinneren, want op 17 mei van dat jaar vertrekt het gezin naar de gemeente Stad Ommen.
In het bevolkingsregister 1870-1880 zien we dat het gezin op 26 juli 1876 is ingeschreven op het adres A 394. Ze zijn daar eerste bewoner.
Deze locatie is het perceel Sectie A nr 1096, het perceel dat gedeeltelijk onder water stond toen de landmeters van het kadaster de grenzen vaststelden. Remmelt Remmelts koopt op 13 juni 1876 dit ruim 4 bunder grote perceel heide- en veengrond van landbouwer Jacob van der Vegt voor een bedrag van 250 gulden en laat er een woning bouwen. Volgens de koopovereenkomst woont Remmelts op 13 juni al in de gemeente Stad Ommen. Dat komt overeen met de inschrijving in het bevolkingsregister. Het is alleen niet duidelijk of er op dat moment al een woning (of hut) op het perceel aanwezig is.
We vinden Remmelts in de kadastrale legger van Stad Ommen onder artikel 1129.


We zien dat het perceel in dienstjaar 1877 is gesplitst in twee percelen: Het ene perceel is de woning en de andere is het erf erom heen. Dat zien we ook terug in de kadaster hulpkaart.


De ruitvorm van het perceel is goed te herkennen. Als we inzoomen dan worden ook de contouren van de woning duidelijk.

We zien duidelijk dat het contour van de perceel 1314 identiek is aan het contour van de woning. En dus kunnen ze uit de kadasterboekhouding concluderen dat de woning 118 m2 groot is: ik schat 15 bij 8 meter. Daarmee was het een ruime woning voor die tijd.

In achtereenvolgende kadaster hulpkaarten zien we hoe zich het perceel ontwikkelt. Niet vaak zag ik zo veel versnippering op het platte land.

Door de bevolkingsregisters achter elkaar te leggen, zien we dat de familie Remmelts in de periode 1876-1919 niet verhuist. Weliswaar wijzigt de nummering (1880: A211, 1890: A211 - 1900: A228 - 1910: A235) maar men blijft op dezelfde plaats wonen.

Op de topografische kaart van 1901 zien we dat het gebied waar de familie Remmelts woont en waar het zwaard is gevonden, dan nog steeds onontgonnen is. Ook herkennen we aan de kleuren in de kaart dat er her en der drassige delen in het veld zitten. Het bos, even ten noorden van de vindplaats, behoort bij het oorspronkelijke grondgebied van de bedelaarskolonie, later Rijkswerkinrichting Ommerschans, die in 1890 werd opgedoekt.


Volgens de verklaring van Margje Remmelts had haar broer Geert toestemming van de toenmalige eigenaar van het land, de Dedemsvaartse vervener Arend Berends, om na de rogge-oogst heide struiken te steken om daarmee heide-bezems te kunnen maken. Het kan zijn dat Geert deze bezems zelf maakte, maar het is ook heel hoed mogelijk dat hij de heide struiken verkocht in Balkbrug, waar in de periode 1890-1900 vijftien bezem-binders actief waren.Als de verklaring van Margje Remmelts, dat haar broer het zwaard gevonden heeft na de rogge-oogst van 1894, juist is, dan heeft hij de vondst op z'n vroegst eind mei gedaan, na de oogst van de winter-rogge. Als het zomer-rogge betreft dan is de vondst in juli of augustus gedaan. Deze datering is van belang als we straks kijken naar de eigenaar van het zwaard.

In het bevolkingsregister van 1890-1900 (de periode waarin het zwaard gevonden is), zie ik een puntje van aandacht.
We zien dat Margje -geheel volgens de gewoonte der tijd- op haar 18e het huis verlaat om als dienstbode of boerenmeid aan de slag te gaan. Zo vertrekt ze op 17 juli 1894 naar de gemeente De Wijk. Hé, is dat niet ongeveer de oogsttijd van rogge... Was Margje misschien helemaal niet thuis toen haar broer het zwaard vond? Of heeft ze deze gebeurtenis in haar geheugen juist gekoppeld aan haar eerste dienstbetrekking en weet ze daarom 64 jaar later zo precies wat de vinddatum is geweest?
Kennelijk is Margje die eerste ervaring buiten de deur niet goed bekomen, want al op 6 november is ze weer thuis. En pas vier jaar later, op 1 november 1898, waagt ze een nieuwe poging, dichter bij huis. In de gemeente Avereest verblijft ze als dienstbode in de Kolonie (hemelsbreed hooguit een kilometer van huis) en ook hier houdt ze het nog geen vier maanden vol.

Alle verhalen over de vondst van het zwaard zijn in één opzicht eensluidend: kort nadat de 21-jarige Geert Remmelts zijn vondst naar zijn ouderlijk huis heeft gebracht, zijn de spullen door grootgrondbezitter Eduard Lüps meegenomen naar diens landgoed in Junne. Geert Remmelts heeft geen beloning gekregen voor zijn vondst. Volgens Ir Cees Zoon vertellen nazaten van Geert Remmelts dat hij in dienst was van Lüps. Dat zou het aannemelijk maken dat Geert de spullen zonder slag of stoot heeft overgedragen.

Nadat zus Margje Remmelts in 1902 trouwt met Hendrik Wittenberg, trouwt broer Geert op 4 november 1904 met Gerritdina van Rijssen.Geert Remmelts en zijn vrouw wonen bij Geerts ouders. Daar worden vijf kinderen geboren. Bij de aangifte van de geboorte van zijn eerste twee kinderen geeft Geert op landbouwer van beroep te zijn. In de bevolkingsregisters van 1900 en 1910 is echter aangetekend dat hij onbezoldigd Rijksveldwachter is! 
In 1913 overlijdt Geert's moeder en in 1918 zijn vader.
Kort daarop, op 13 mei 1919, verlaat Geert Remmelts de woning na ruim 40 jaar met zijn gezin. Ze vestigen zich in Oudleusen in de gemeente Dalfsen. Daar wordt een maand later het zesde kind geboren. Geert's vrouw overlijdt in 1942; Geert zelf in 1946. Beiden worden begraven in Nieuwleusen. Daar liggen inmiddels ook de meeste van hun kinderen met hun partners begraven.

De eigenaar

De meeste grond rondom de woning van Remmelts, waaronder het perceel sectie A nr 1097, is in eigendom bij de Dedemsvaartse vervener Arend Berends. Diens vader Bonne Berends van der Veen is een van de belangrijkste veenbazen van Willem Jan baron van Dedem, de initiatiefnemer van de ontginningen in Noord-Oost Overijssel. Van Dedem haalt Berends omstreeks 1811 vanuit het Drentse Annen naar zijn nieuwe veenkolonie om daar leiding te geven aan het enorme project. Uiteindelijk zal de onderneming van Van Dedem in 1843 ten gronde gaan, maar de veenbazen -met Bonne Berends als boegbeeld- gaan er letterlijk met de buit van door: ze zijn als arbeider begonnen en eindigen als de elite van Dedemsvaart.

Arend Berends (1826) treedt in de voetsporen van zijn vader. Hij laat omstreeks 1860 in Dedemsvaart villa Humosa bouwen.
Berends is niet alleen actief als vervener. Hij is ook industrieel pionier, gemeenteraadslid en commissaris van de gemeente-spaarbank. In 1875 staat hij in de kohieren voor de Hoofdelijke Omslag (inkomstenbelasting) als hoogst aangeslagene van de gemeente Avereest. Op 4 februari 1893 overlijdt hij te Dedemsvaart.
Als de bewering van Margje Remmelts in 1858, dat Arend Berends toestemming aan haar broer had gegeven om heideplanten te oogsten op zijn land, juist is, dan moet die toestemming al dateren van 1892. Het is natuurlijk mogelijk dat niet Arend Berends zelf, maar een van zijn zoons, of zijn opzichters, die toestemming heeft gegeven. In elk geval was Arend Berends al meer dan een jaar dood toen Geert Remmelts het zwaard vond.

Na het overlijden van Arend Berends vinden er vanaf maart 1894 een aantal grote verkopingen plaats van roerend en onroerend goed uit de boedel. De grootste veiling wordt in augustus 1894 in diverse landelijke dagbladen aangekondigd. In deze periode zou Geert Remmelts het zwaard hebben gevonden.Volgens de "Kanttekeningen" van J.A. Bakker zou Eduard Lüps in 1896 een groot aantal percelen grond van de erven Berends hebben gekocht, waaronder het perceel waarop het zwaard twee jaar ervoor is gevonden. Daarbij is aangetekend dat de notaris te Dedemsvaart zou weten om welke percelen het gaat. Ik heb in de repertoria van notaris Meesters te Dedemsvaart (de enige notaris in Dedemsvaart in deze periode) alle inschrijvingen bekeken en daarin vond ik geen enkele transactie tussen de erven Berends en Eduard Lüps. En dus dook ik in het Historisch Centrum Overijssel in de kadaster boekhouding.

Eduard Lüps

Grondbezitter Eduard Lüps is in 1857 geboren in het Duitse stadje Orsoij, gelegen aan de westzijde van de Rijn, nabij Duisburg.

In 1872 koopt zijn vader kasteel Biljoen bij Velp, waarop het gezin intrek neemt in dit uit 1530 stammende kasteel.
In hetzelfde jaar verwerft Lüps Sr ook landgoed Junne bij Ommen.

Als vader Lüps in 1880 overlijdt, krijgt zoon Eduard de zeggenschap over landgoed Junne. In het jachtseizoen is Lüps, vervent jager, regelmatig rond Ommen te vinden. Tot aan de eeuwwisseling woont hij echter steeds in het ouderlijk huis, kasteel Biljoen te Velp. Eduard Lüps heeft als ondernemer veel meer ijzers in het vuur dan alleen landgoed Junne. Zo komen we hem regelmatig tegen als hij aandelen koopt in ondernemingen in Nederlands Indie en andere tropische gebieden.


In het kadastrale register van eigenaren van de gemeente Stad Ommen komen we hem onder artikel 1372 tegen vanaf het dienstjaar 1888, als hij en perceel grond in het Ommerveld koopt. Landgoed Junne ligt in de gemeente Ambt Ommen. In de kopgegevens van artikel 1372 zien we dat Lüps aanvankelijk in Velp woont, daarna in Brussel en tenslotte in Ceijlon (Sri Lanka).Op deze eerste pagina in de legger (het zijn er later veel meer geworden) zien we dat Eduard Lüps in dienstjaar 1896 een 16-tal percelen in het Ommerveld heeft aangekocht, waaronder het perceel waar volgens de verklaring van Margje Remmelts het zwaard gevonden is: Sectie A no 1097. Het totale oppervlak van de 16 percelen bedraagt ongeveer 105 Ha, waarvan de meeste percelen als heide zijn gekwalificeerd. Een paar grote percelen bevatten ook veen. Het is in de kadaster boekhouding altijd goed te bedenken dat het begrip dienstjaar in de regel een jaar achter de werkelijke transitie aan hobbelt. Daarom gaan we op zoek naar de koopovereenkomst.

De belangrijkste informatie op deze bladzijde is de verwijzing naar het register van overschrijving. Daar staat dat de aankoop transactie vast ligt in Register deel 409, nummer 116. De kadaster administratie is geniaal van opzet: hier moeten we kunnen zien wanneer en van wie Eduard Lüps deze grond heeft gekocht. De vloeren van de depots van het Historisch Centrum Overijssel gaan zwaar gebukt onder deze loodzware registers, die -naar ik vermoed- veel te weinig geraadpleegd worden. In deze registers zijn namelijk de koopaktes volledig overgeschreven. Dat zijn veelal notariële aktes, die je natuurlijk ook in het archief van de notaris vindt. Maar regelmatig komen we onderhandse aktes tegen, waar geen notaris aan te pas is gekomen. Dat is ook hier het geval!

We zien dat de koop is gesloten op 17 november 1894, dus razendsnel na de veronderstelde vind datum van het zwaard. We zien dat Lüps niet alleen de 16 percelen in het Ommerveld koopt van de erven Berends, maar ook 39 percelen in de gemeente Avereest. Het is wel opmerkelijk dat de erven Berends zo'n grote deal onderhands sluiten, terwijl ze in dezelfde periode ook een aantal publieke veilingen houden. Op de volgende bladzijde van het contract zien we dat de koopsom voor het geheel tienduidend vijfhonderd gulden bedraagt.

 
Op de laatste pagina van het contract zie ik niets bijzonders met betrekking tot het verhaal, maar omdat dit contract niet online te vinden is, zet ik deze pagina er toch nog even bij.


Ik ben er in geslaagd de exacte ligging van alle percelen in deze koopovereenkomst te localiseren. Hieronder het resultaat.

 
We zien (overeenkomstig de tekst in de koopovereenkomst) dat het om een aaneengesloten gebied gaat dat zich uitstrekt van de Balkerweg tot aan het Ommerkanaal. Het erf van Remmelt Remmelts is geheel ingesloten door dit nieuwe "landgoed" van Eduard Lüps.

Als de verklaring van Margje Remmelts juist is, dat de vondst is gedaan vóórdat de koop gesloten is, dan is de juridische waarheid dat de erven Arend Berends eigenaar van het zwaard zijn. In dat geval is Eduard Lüps er slinks met de buit vandoor gegaan. In elk geval had Geert Remmelts recht heeft op een vindersloon ter grootte van de helft van de waarde.

Maar dan... een bericht in de Zwolsche Courant van 12 mei 1896...Tsja, dat is toch even iets om over na te denken. Die Zwolsche Courant wordt ook in Ommen gelezen. Zou het werkelijk denkbaar zijn dat twee jaar na de vondst dit bericht als nieuws wordt gepresenteerd? En als dat zo is, met welk doel is dat dan gedaan? Of is de waarheid dat Margje het op haar 82e niet meer precies weet en dat Eduard Lüps gewoon de eigenaar van de grond is op het moment dat het zwaard gevonden is. In dat geval is het logisch is dat hij de spullen mee heeft genomen van de familie Remmelts. En voor wat betreft het vindersloon... Wie hecht er in 1896 waarde aan dat oude spul uit de grond...

In elk geval lijkt het me niet realistisch te veronderstellen dat Lüps de gronden van Berends heeft gekocht, uitsluitend met het oogmerk om de "ontvreemding" van het zwaard te verdoezelen. Als hij het zwaard zo enorm belangrijk had gevonden, dan had hij het ongetwijfeld mee genomen naar huis, in Velp. In plaats daarvan liet hij het achter bij zijn rentmeester, Alexander Seemann, in Junne.

Hoe dan ook, Op 22 mei 1896 verkoopt Remmelt Remmelts zijn huis en erf "onderhands", dus zonder tussenkomst van een notaris, aan Eduard Lüps voor 500 gulden, vermoedelijk met de afspraak dat hij er levenslang mag blijven wonen. Dat zou ook verklaren waarom Geert Remmelts in 1919, een jaar na het overlijden van zijn vader, met zijn gezin uit deze woning vertrekt naar Oudleusen.

Alexander Seemann

Over de rol van Alexander Seemann, de rentmeester, opzichter en houtvester van Eduard Lüps op het landgoed Junne, zijn alle verhalen eensluidend: Lüps neemt de brons schat mee van huize Remmelts naar de woning van Seemann. Seemann spijkert de schatten op een plank en hangt deze op in de woonkamer. Daar heeft de schat gehangen totdat Eduard Lüps in 1932 het landgoed Junne verkoopt. Dan neemt deze de brons schat met het zwaard mee naar Duitsland.
Alexander Seemann is  in 1863 geboren in Angermund bij Düsseldorf. Ook zijn echtgenote, Christina Alwine Sonnenschein, is uit Angermund afkomstig. Waarschijnlijk is het stel in hun geboorteplaats gehuwd rond 1890. In elk geval komt hun zoon Ambrosius Alexander op 9 maart 1893 ter wereld in het naburige Kaiserswerth. Maar dan woont Alexander Sr al in het huis Junne op het gelijknamige landgoed. In het bevolkingsregister van Ambt Ommen zien we dat hij op 21 september 1892 is ingeschreven op het adres wijk I nr 6. Hij is dan rentmeester van beroep en woont als commensaal (kostganger) bij zijn voorganger, de 71-jarige Karel de Zeeuw en diens vrouw Johanna Millaard. Johanna Millaard is trouwens in 1843 geboren als dochter van een hoevenaar in de bedelaarskolonie Ommerschans.
Het duurt 2 en een half jaar totdat Alexander Seemann zijn vrouw en zoon over kan of mag laten komen naar Junne. Op 23 februari 1895 worden zij samen met Alexander ingeschreven op het adres wijk I nr 7 -naast de woning van Karel de Zeeuw- Hier woonde landbouwer en pachter Jan Welleweerd die in 1892 is overleden, waarna diens vrouw en kinderen in 1893 de woning hebben verlaten.

Het weerzien tussen Alexander Seemann en zijn vrouw Alwine Sonnenschein is hartstochtelijk: 41 weken na hun hereniging wordt dochter Agnes Maria geboren.

1894 of 1896?

Als de verklaring van Margje Remmelts, dat haar broer het zwaard in de zomer van 1894 gevonden heeft, juist is, dan woonde Alexander Seemann op dat moment nog bij het echtpaar de Zeeuw. In 1896 had Alexander Seemann zijn eigen huishouden met twee kinderen. Dat strookt meer met de bekende overleveringen. Maar het bewijst niets. 1894 of 1896: het zal waarschijnlijk altijd onzeker blijven wat de waarheid is geweest.

In 1898 en 1899 is het gezin Seemann nog uitgebreid met dochter Alwine Alice en zoon Friedrich Karl. De laatste, Karl Seemann, woont zijn leven lang in Junne en is een bekende en geliefde verschijning. In 2011 werd in Junne een weg naar hem vernoemd. Alexander Seemann overlijdt in Junne in 1944, zijn vrouw in 1952.

Jan Hendrik Holwerda

Er verstrijken na de vondst ruim dertig jaar waarin we niets over het zwaard vinden. Daarin komt verandering op 24 mei 1927 als de burgemeester van Ommen, Cornelis Eduard Warmold Nering Bögel, met de directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden, archeoloog Jan Hendrik Holwerda, door de gemeente rijdt langs een aantal mogelijk archeologisch interessante locaties. En zo doet het tweetal in Junne ook huize Seemann aan, om "de sabel van Ommen" te bekijken. Holwerda ziet in één oogopslag dat dit om een bijzondere vondst gaat. Daarop schrijft Holwerda in juli een brief aan Jhr B.J. van Suchtelen, die rentmeester van Eduard Lüps is. Hij benadrukt het belang van de vondst en benadrukt dat het RMO deze graag in haar collectie wil opnemen. Daarop antwoord van Suchtelen, woonachtig op het kleine Loo te Apeldoorn,  dat er van overname geen sprake kan zijn, maar dat het RMO de stukken wel enige tijd mag lenen voor nader onderzoek. Daar laat Holwerda geen gras over groeien: op 16 juni is de schat in Leiden gearriveerd en tot eind augustus wordt deze bestudeerd. Er worden foto's gemaakt en van het zwaard wordt een gipsafgietsel gemaakt.

De resultaten van het onderzoek zijn in een archiefkast gestopt en niet gepubliceerd.

In datzelfde jaar 1927 werd de eerder genoemde Deventer aardrijkskundeleraar Jan Butter -afgestudeerd aan de Universiteit Amsterdam in Anatomie- actief als amateur archeoloog. Hij verrichtte belangrijk onderzoek, met name in Oost Nederland en mengde zich regelmatig tussen zijn beroeps-collega's. Al in 1935 hoorde Butter van de sabel van Ommen. In 1949 sprak hij plaatsgenoot Ambrosius Alexander Seemann, gemeenteontvanger te Deventer en zoon van rentmeester Alexander Seemann. Zo hoorde hij in detail van de schat die tot in de jaren '30 Seemann's ouderlijk huis in Junne had gesierd. Kort daarop bezocht Butter Seemann's broer Karl, die nog altijd in Junne woonde en in de voetsporen van zijn vader was getreden. Karl wees hem de plek aan in het Ommerveld waar het zwaard zou zijn gevonden en Jan Butter maakte daar een boring, waarbij hij een 24 cm dikke veenlaag aan trof. In 1950 publiceerde Butter een artikel over het brons depot van Ommerschans. Een depot is in de archeologie een benaming voor een verzameling vondsten die op 1 locatie zijn gevonden.

Jay Jordan Butler en Jan Albert Bakker

In 1957 verscheen de amerikaan Jay Jordan Butler (1921-2014) op het toneel. De in Philadelphia geboren en getogen Butler was oorspronkelijk opgeleid als journalist. In de tweede wereldoorlog werd hij in het Verenigd Koninkrijk gestationeerd en rond de bevrijding was hij als tolk actief in Duitsland. In 1949 begon hij in Londen aan een studie archeologie, die hem begin jaren '50 ook in Nederland bracht. In deze tijd koos Butler er voor zich toe te leggen op de bronstijd. Toen hij in 1957 geen nieuwe verblijfsvergunning voor de UK kon krijgen, besloot hij uit te wijken naar Nederland. Het werd zijn nieuwe vaderland. In dezelfde tijd startte ook Jan Albert Bakker zijn carrière als archeoloog. Sinds die tijd werkten beiden met enige regelmaat aan het dossier Ommerschans, waarbij Bakker zich vooral bezig hield met de locatie van de vondst. Daarbij kwam Bakker in contact met Jan Butter die niet alleen op zoek was naar de locatie, maar die ook de nazaten van Eduard Lüps bestookte om hen er toe te bewegen het depot van Ommerschans over te dragen aan een museum in Nederland. Butter ving daarbij bot: de familie Lüps had na de oorlog in Nederland te maken gekregen met onteigeningen van onroerend goed. Zo was de familie bij Den Ham een elftal boeren erven kwijt geraakt. Zij zagen in de belangstelling voor het zwaard een mogelijkheid om dit onrecht ongedaan te maken. Dit leidde uiteindelijk tot niets.

Toen Jan Butter in 1958 Margje Remmelts vond, en daarmee de sleutel tot de exacte locatie in handen kreeg, hield hij deze informatie voor zichzelf. Hij was bang dat de beroeps-collega's met de eer zouden strijken. Intussen werkten Butler en Bakker aan een publicatie over het brons depot van Ommerschans. Jan Albert Bakker kreeg het in 1959 voor elkaar dat een collega in Duitsland de familie Lüps in Munchen mocht bezoeken. Zij maakte daar een beschrijving en tekeningen van het zwaard en de andere voorwerpen uit het depot. In 1961 verscheen een publicatie van Butler en Bakker over het depot van Ommerschans. In de jaren daarna hebben beide nog tevergeefs verzocht het depot naar een Nederlands museum te krijgen, maar daaraan werkten de nazaten Lüps niet mee.

Intussen ontwikkelde Butler zich tot expert in de Europese bronstijd. Het bronsdepot van Ommerschans werd in zijn publicaties regelmatig ten tonele gevoerd. En er doken broertjes en zusjes van het zwaard op in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en zelfs in Nederland, waar in 1946 bij baggerwerkzaamheden in Jutphaas een kleiner bronzen zwaard boven water kwam, met sterk gelijkende kenmerken. In 2004 wist het RMO dit stuk aan haar collectie toe te voegen.

Inmiddels zijn er zes zwaarden van een soortgelijk ontwerp bekend. Ze staan bekend als de zwaarden van het type Plougrescant-Ommerschans. Hieronder de vindplaaten van deze zes zwaarden.​​​​​​In 2016 -twee jaar na het overlijden van bronstijddeskundige Dr Jay Butler- organiseerde het RMO de tentoonstelling "vlijmscherp verleden" rond het thema zwaarden. Bij deze gelegenheid probeerde men alle zes zwaarden van het Plougrescant-Ommerschans-type naar Leiden te krijgen. Voor vijf van de zes -alle in museale collecties- was dat te realiseren. Voor het zwaard van Ommerschans lag dat moeilijker. Men had intussen weer contact met de familie Lüps in München en de Ommerschans stukken bleken nog steeds in hun bezit te zijn. Toch lukte het uiteindelijk niet om het zwaard op deze tentoonstelling te krijgen en daarom toonde het RMO een replica van het zwaard.

De Doorbraak

Na de tentoonstelling van 2016 heeft het RMO contact gehouden met de familie Lüps. Uiteindelijk heeft dat er toe geleid dat de familie besloten heeft om het depot van Ommerschans te laten veilen bij Christies in Londen. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden heeft in aanloop naar de veiling zoveel mogelijk fondsen geworven om een goede kans te maken de schat te bemachtigen. En op 5 juli 2017 was het zover. Voor 400.000 Engelse ponden (550.000 Euro) werd het RMO de nieuwe eigenaar van het depot.
Het zwaard van Ommerschans is terug op vaderlandse bodem. Nou ja, vaderland... 3.500 jaar geleden was hier geen vaderland, geen Ommen en al helemaal geen Ommerschans. Dat neemt niet weg dat het RMO in Leiden, als hoeder van het archeologisch erfgoed van het stukje wereld dat tegenwoordig is afgebakend als Nederland, de logische plaats is om dit stuk erfgoed te bewaren.

Wereld Erfgoed

Met de pogingen om de Ommerschans (als Kolonie van Weldadigheid) de status van Wereld Erfgoed te laten krijgen in het achterhoofd, bedacht ik me het volgende:
Stel dat de trotse oorspronkelijke eigenaar van het zwaard nu nog levende nakomelingen heeft. Dat is toch niet zo'n bijzondere gedachte? En stel nu dat dat nageslacht zich gedurende de afgelopen 35 eeuwen gemiddeld elke 107 jaar in aantal heeft verdubbeld. Dat lijkt toch een voorzichtige aanname?
Welnu, dan laat het aantal nu levende nakomelingen zich als volgt berekenen:


Dat maakt het zwaard dan automatisch tot moreel bezit van alle mensen op aarde. Is dat geen mooie definitie van het begrip werelderfgoed?

Reacties