Geplaatst door: 
Verhaal

Toegang tot historische bronnen bedelaarskolonie Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Met slechts één jaar te gaan tot de herdenking van 200 jaar Maatschappij van Weldadigheid, krijgt het ontsluiten van de bronnen rond de Ommerschans een hoge prioriteit. Deze bronnen worden in samenwerking met het Drents Archief, het Historisch Centrum Overijssel en het archief van de bestuursdienst Ommen-Hardenberg voorzien van meta-data en vervolgens toegankelijk via de websites van de Vereniging Ommerschans en de Historische Vereniging Avereest. Tevens wordt de meta-data beschikbaar gesteld aan de archief-instellingen waar de bronnen berusten. En U hoeft niet een jaar te wachten! Er is reeds een flink begin gemaakt. Daarover dit verhaal.


De Bronnen

Een niet te onderschatten bron is de Burgerlijke Stand.

De gemeente Ommen, in 1811 voortgekomen uit het schoutambt Ommen en Den Ham, is eind 1818 opgesplitst in drie gemeenten: Stad Ommen, Ambt Ommen en Avereest. De schans zelf ligt binnen de gemeente Stad Ommen. De landbouwkolonie rond de Schans ligt gedeeltelijk ook binnen de gemeenten Avereest en Ambt Ommen. En om het nog iets gecompliceerder te maken: per 1 januari 1837 is een deel van de gemeente Ambt Ommen bij Avereest gevoegd en daarmee kwam ook het oostelijk deel van de kolonie binnen Avereest te liggen.

De runderen geven de plaats van de 21 hoeven weer. De agenten staan op de lokaties van de limiethuisjes, waar de veldwachters werden gehuisvest. Klik op de kaart om deze in Google Maps te openen, zodat U in kunt zoomen.

Voor het onderzoek naar bewoners van de Ommerschans betekent dit praktisch dat geboortes en overlijdens van bedelaars eigenlijk altijd binnen Stad Ommen worden gevonden. Hoevenaars, veldwachters en hun gezinsleden echter vind je ook regelmatig in de burgerlijke stand van Ambt Ommen en Avereest.

De oudste aangifte van een geboorte in de bedelaarskolonie Ommerschans, Stad Ommen 22 november 1820 (acte 20), archief bestuursdienst Ommen-Hardenberg, toegang 501, inv.nr.5. Spring naar Familysearch door op de afbeelding te klikken.

Burgerlijke Stand Geboortes Stad Ommen (totaal) en Ommerschans

De eerste aangifte van een geboorte in de kolonie Ommerschans op 20 november 1820 -afgebeeld in de kop van dit artikel, betreft een zoon van Johannes Bernardus Greven, de boekhouder op de kolonie. Ik heb nog niet achterhaald hoe omvangrijk de carrière van Greven op de Schans is geweest, maar tot nu toe kom ik hem alleen tegen in de periode 1820-1822.

In de database van employés van Wil Schackmann wordt Greven wel genoemd maar er zijn nog geen details te vinden. Wel leuk is te vermelden dat het eerste kind op de Schans, Hendrikus Gerardus Greven, volwassen is geworden en een gezin heeft gesticht. Na een werkzaam leven, ondermeer als portier bij de staatsspoorwegen in Tilburg, overleed hij aldaar in 1895, vijf jaar nadat de Schans zijn functie verloren had.

We zien dat het aantal geboortes in Ommerschans "explodeerde" in 1823, luttele maanden nadat het nieuwe "etablissement" in gebruik was genomen.

De oudste aangifte van een geboorte van een kolonistenkind in de bedelaarskolonie Ommerschans, Stad Ommen 4 april 1823 (acte 8), archief bestuursdienst Ommen-Hardenberg, toegang 501, inv.nr.5. Spring naar Familysearch door op de afbeelding te klikken.

Bijzonder in deze akte is dat de vader, kolonist Wilhelmus Louwes, zelf aangifte mocht doen in Ommen, natuurlijk wel onder toezicht van opziener Jacobus de Roij. Het kind, Elisabeth Lowes of Louwes, overleed op 26 augustus van dat jaar op de Ommerschans. Een teken aan de wand. Veel op de Schans geboren kolonistenkinderen zou hetzelfde lot te wachten staan.

Nadat rond 1870 de laatste vrouwelijke bedelaars van de Schans verwijderd werden, kwamen er alleen nog kinderen van beambten ter wereld.
In de periode 1820-1870 werden 1.217 onder Ommerschans geboren kinderen aangegeven. Hiervan zijn er 832 (68%) kind van een kolonist en van deze groep is 60% buiten echt geboren. Zoals we in de tabel zien lag dit percentage in de beginjaren rond de 90%. In de latere decennia zakte dit percentage geleidelijk tot 40%.

De komende jaren, bij het ontsluiten van de bronnen, hoop ik een beeld te krijgen van de lotgevallen van deze kinderen van de Ommerschans. Zo zien we dat het tweede kind, Sophia Gerardina Molewijk, onecht kind van kolonistendochter Antje Molewijk, geboren op de schans op 20 juni 1823, wel door haar kinderjaren komt. Op de website van het Drents Archief zien we dat Sophia aanvankelijk bij haar grootouders in Frederiksoord woont en dat ze daarna op een schier eindeloze rij adressen in Frederiksoord wordt ingedeeld, totdat ze kort voor haar huwelijk in 1848 ontslag krijgt, met 25 jaar opvoeding binnen de Maatschappij van Weldadigheid in haar bagage. Ze trouwt met de Dordtenaar Jacobus Havers en ze vestigen zich in zijn geboortestad, waar ze een zoon krijgen die na drie weken overlijdt. In mei 1849 overlijdt Jacobus Havers en als Sophia maart 1850 opnieuw het leven schenkt aan een zoon, rekent de ambtenaar van de Burgerlijke Stand uit dat dit een buitenechtelijk kind moet zijn. Ook dit kind overlijdt na korte tijd. Sophia komt nog voor in het bevolkingsregister van Dordrecht van 1860 en daar loopt "online" op dit moment het spoor dood.

Sophia Molewijk is ook het eerste buiten echt geboren kind op de Schans. In de statistiek zien we dat aanvankelijk het percentage onechte kinderen boven de 80% ligt. Dat getal loopt geleidelijk af tot 40% in de periode 1861-1870, maar het blijft royaal boven het landelijk gemiddelde liggen. Een van de redenen hiervoor is dat ongehuwde zwangeren in de Maatschappij van Weldadigheid structureel naar de Ommerschans worden gezonden om daar te bevallen.

In de periode 1820-1870 werden er in totaal 3.288 geboortes aangegeven op het gemeentehuis van Stad Ommen. Het aandeel kinderen op de Schans bedroeg daarmee 37%. Aanzienlijk, maar niet overheersend.

Hoe anders ligt dat met de overlijdens!

Burgerlijke Stand Overlijdens Stad Ommen (totaal) en Ommerschans

Het eerste overlijden op de Ommerschans wordt aangegeven op 13 oktober 1821. Het zijn sergeant Ignatius Seijl en Hendrik Lodewijk Rieken, de kok op de Schans, die samen de acht en een halve kilometer afleggen naar het gemeentehuis van Ommen. De kleine Barend Dumersie, ruim 18 maanden oud, is de ochtend ervoor overleden. Zijn vader, Jacobus Dumersie is volgens de acte veldarbeider. Vrijwel zeker is hij kolonist, maar die term komen we in 1821 nog niet tegen in de Burgerlijke Stand. De aanduiding veldwerker is wel veelzeggend: hij wordt ongetwijfeld ingezet in de ontginning van wat de trots van Ommerschans moet worden: de moderne landbouwkolonie. Jacobus overlijdt zelf ook op de Ommerschans, op 29 januari 1823. Dan vermeldt de actie inderdaad dat de overledene kolonist is.

De oudste aangifte van het overlijden van een kolonistenkind in de bedelaarskolonie Ommerschans, Stad Ommen 13 oktober 1821 (acte 9), archief bestuursdienst Ommen-Hardenberg, toegang 501, inv.nr.27. Spring naar Familysearch door op de afbeelding te klikken.

De oplettende onderzoeker zal het opvallen dat de acte op Familysearch een andere is dan de hierboven getoonde. De reden is dat actes altijd in tweevoud zijn opgemaakt en dat Familysearch de kopie in het Rijksarchief heeft gefotografeerd.

Deze overlijdensacte laat naar mijn mening ook zien hoe belangrijk het in het algemeen is om ook de aangevers en getuigen uit de Burgerlijke Stand te vissen en toegankelijk te maken. Tot nu toe kom ik op de Schans deze kok, Hendrik Lodewijk Rieken, slechts tweemaal tegen. In het boek De Bedelaarskolonie vertelt Wil Schackmann dat er kort na de aankomst van adjunct directeur Wouter Visser nog drie employes op de Schans verschijnen: Een boekhouder, een kok en een opzichter. Die laatste twee zien we nu figureren in deze overlijdensacte, terwijl de boekhouder in dit verhaal al opdook als vader van de eerste op de Kolonie geborene. We zien ook dat de kok in 1822 omgeschoold is tot metselaar.

Heef U trouwens al op de namen geklikt in dit verhaal? U springt dan direct naar de genealogische kaart van deze personen, waarin U direct ziet welke familiebanden bekend zijn en in welke bronnen ze inmiddels zijn geïdentificeerd.
Zo ziet U op de kaart van Ignatius Seijl dat hij de wandeling naar Ommen diverse malen heeft gemaakt. Tevens ziet U de inmiddels geregistreerde familiebanden.

In 1821 zien we 15 aangiftes van Overlijden in Stad Ommen. In 1826 waren dat er 270, waarvan 250 op de Ommerschans; een kwart van de capaciteit van het gesticht. Dat enorme getal zal ongetwijfeld van grote invloed zijn geweest op de reputatie van het bedelaarsgesticht op de omgeving. Na 1850 zakte het aandeel overledenen van de Ommerschans enigszins, maar tot 1890 was meer dan 50% van de aangegeven overlijdens gerelateerd aan de Schans.

Een eerste uitsplitsing naar leeftijd van de overledenen laat een verdeling zien die waarschijnlijk niet sterk afwijkt van de landelijke cijfers. Wat vooral opvalt, is dat er ook stokoude mensen op de Schans overlijden. Hierin spant Maria Theresia Catharina Lauterbach de kroon met haar leeftijd van honderd-en-één jaar.

Overlijdensaangifte van Maria Theresia Catharina Lauterbach, Stad Ommen 31 maart 1828 (acte 75), archief bestuursdienst Ommen-Hardenberg, toegang 501, inv.nr.29. Spring naar Familysearch door op de afbeelding te klikken.

De twee beambten in deze acte, de zaalopzieners Johann Wilhelm Muller en Martinus Mensink hebben hun sporen al royaal verdiend op de Schans. Ze zijn in september 1822 samen vanuit Gent naar de Ommerschans gekomen (website Wil Schackmann), maar op hun genealogische kaarten (klik op hun namen om deze in te zien) zijn ze niet van oorsprong afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. Muller komt uit de omgeving van Frankfurt en Mensink is afkomstig uit Deventer.
Beide komen meer dan 100 maal in de bronnen voor; als over een tijdje alle overlijdensactes volledig ontsloten zijn (dus inclusief aangevers en getuigen) dan zal dat getal voor beiden vermoedelijk boven de driehonderd liggen. Mensink werkt tot 1844 op de Schans. Muller is volgens de gegevens van Wil Schackmann op 25 juni 1851 ontslagen uit de dienst der Maatschappij. In 1855 is hij overleden in zijn geboorteplaats Deventer.
In de registratie van de Maatschappij van Weldadigheid op alledrenten.nl zien we dat Muller op 25 juni 1851 is aangekomen in kolonie I (Frederiksoord), waar hij woont bij kolonist M.J. Favier. Welnu, deze Martinus Johannes Favie is een schoonzoon van Muller, die met zijn gezin in 1851 vanuit Avereest naar Frederiksoord kwam. Vrijwel zeker komt schoonvader Muller -inmiddels 75 jaar oud- met het gezin mee. Hij overlijdt daar in 1852, terwijl het gezin volgens alledrenten.nl op 19 juli 1853 terug keert naar de Ommerschans, waar Favier is aangesteld als hoevenaar op Hoeve nr. 16, gelegen in de gemeente Avereest. We zien dan ook op genealogische kaart van Martinus Johannes Favie dat er in Avereest nog vier kinderen geboren worden.

Op deze kaart zien we ook dat het gezin in het bevolkingsregister van 1850 voor komt op het adres wijk I nr 60. Hier zien we inderdaad het vertrek van het gezin op 24 juni 1851 naar Vledder.

In bovenstaande tekst verwijs ik een aantal keren naar de kolonistendatabase op alledrenten.nl. Deze database is een reconstructie, gemaakt op basis van de enorme hoeveelheid bronnen die gelukkig binnen de Maatschappij van Weldadigheid bewaard zijn gebleven. De eerste die met deze rijke bronnen aan de slag ging, was Ir Cecilia Alberta Kloosterhuis (1909-1979), die de laatste tien jaar van haar leven volledig wijdde aan het toegankelijk maken van deze informatie. En dat in een tijdperk waarin de computer "nog niet bestond".
Zij liet niet alleen een lijvig boek na, maar ook een enorme kaartenbak met gegevens van kolonistengezinnen. Ik herinner me dat Leo van der Linden (ondermeer actief in de Nederlandse Genealogische Vereniging) in de jaren 90 al actief aan de slag was met deze gegevens.
Mede dankzij het werk van Wil Schackmann is de aandacht voor het werk van de Maatschappij van Weldadigheid de laatste jaren enorm gegroeid. In het Drents Archief is er nu veel aandacht voor het ontsluiten van de bronnen en ik hoop dat de primaire bronnen ook online beschikbaar zullen komen.

Voor zover de archieven van de Maatschappij van Weldadigheid betrekking hebben op de Ommerschans, is de ambitie van de Vereniging Ommerschans en Bonmama om actief een steentje bij te dragen tot het toegankelijk maken en online beschikbaar maken van deze bronnen. De eerste resultaten daarvan zijn nu te zien op beider websites.
Aan de rechterzijde van het centrale zoekscherm staan de afzonderlijke bronnen die thans beschikbaar zijn (de groene knoppen). Daaronder staan de links naar externe websites met gegevens over Ommerschans (oranje knoppen). Links boven staat de centrale zoekfuntie, waarmee alle bronnen op bonmama.nl worden doorzocht.
Klik op bovenstaande afbeelding om direct naar deze zoekpagina te springen.

Inschrijfregisters Bedelaars

In het Drents Archief ligt de nagenoeg complete bevolkingsadministratie van de bedelaarsgestichten. Sterker nog; er ligt een dubbele boekhouding; de twee zijn verschillend van opzet. Daarmee zijn ze soms aanvullend en soms tegenstrijding. Dat kan frustrerend zijn, maar het helpt ons te beseffen dat de registers niet alleen maar feitelijke waarheden bevatten.
In 1822 werd het gesticht in de Ommerschans gebouwd door Mr timmerman en aannemer Eltje Nuis, die zich het jaar ervoor vanuit Smilde in de nieuwe veenkolonie van Van Dedem had gevestigd. Op 8 september 1822 -het gebouw was nog niet eens opgeleverd- werden de eerste bedelaars ingeschreven in de twee registers.

omslag van het eerste bedelaarsregister Ommerschans 1822-1825, Drents Archief, toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr.1443.

In dit register, dat vermoedelijk bij het dagelijks bestuur van de Maatschappij van Weldadigheid -De Permanente Commissie- in Den Haag werd bijgehouden, bevat 15 regels per bladzijde (in latere delen meer) met summiere gegevens per persoon, maar in elk geval een geboortedatum, datum van inschrijving, plaats van herkomst en -als daar sprake van is- datum en reden van uitschrijving.

de eerste bladzijde van het eerste bedelaarsregister Ommerschans 1822-1825, Drents Archief, toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr.1443. Klik op de afdeling om het register in te zien

De bedelaars kregen een uniek Hoofdelijk Nummer, in volgorde van binnenkomst. En toen men bij nummer 1252 was aangekomen, besloot men om de inmiddels vervallen nummers van ontslagen, overleden of gedeserteerde bedelaars te hergebruiken. Vanaf dat moment wordt het register onoverzichtelijk; de inschrijvingen staan kris-kras door het register. Sommige nummers zijn drie maal hergebruikt. In 1825 besloot men met een schone lei te beginnen en werd een nieuw register aangelegd.

In de Ommerschans zelf lag het inschrijvingsregister. Hierin staan dezelfde personen met dezelfde hoofdelijke nummers, maar hier zijn de inschrijvingen voorzien van een signalement. Deze methode was letterlijk overgenomen van de militaire stamboeken. De inschrijfregisters zijn veel dikker, omdat er slecht een beperkt aantal signalementen op een bladzijde passen.

de eerste bladzijde van het eerste bedelaarsregister Ommerschans 1822-1825, Drents Archief, toegang 137.01(Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen/Ommerschans), inv.nr.422. Klik op de afbeelding om het register in te zien

De inschrijfregisters zijn allemaal gefotografeerd en online gezet op alledrenten.nl. Alleen zijn deze registers nog niet voorzien van meta-data. In gewoon Nederlands: de inhoud moet nog in een database worden gezet, opdat we deze kunnen doorzoeken. Voor de eerste drie registers is dat nu alvast gereed (periode 1822-1828).
In goede samenwerking met het Drents Archief gaan we nu aan de slag met de volgende registers. Daarvoor hebben we de beschikking gekregen over een index met meer dan 45.000 namen van bedelaars, met het hoofdelijk nummer. In deze lijst komt elke persoon 1 keer voor. Echter, veel personen komen in de registers meer dan 1 keer voor. En bovendien willen we geboortedatum, geboorteplaats, plaats van herkomst en de datum van inschrijving en uitschrijving ook toevoegen aan de meta-data. Een flinke klus dus, waarvan we het resultaat ook beschikbaar stellen aan het Drents Archief, die dit toe zal voegen aan alledrenten.nl.

De Ommerschans was het eerste gesticht, gebouwd door de Maatschappij van Weldadigheid. Niet lang daarna werden in Veenhuizen nog drie gestichten gebouwd van ongeveer dezelfde afmeting. Deze drie gestichten waren bedoeld als wezen-gestichten. Toen bleek dat er niet voldoende wezen naar Veenhuizen kwamen om drie gestichten te vullen, en tegelijkertijd de Ommerschans tot de nok gevuld was met bedelaars, werd gesticht no 2 in Veenhuizen -thans in gebruik als gevangenismuseum- herbestemd als bedelaarsgesticht. Vanaf juni 1824 zijn groepen bedelaars van de Ommerschans overgebracht naar Veenhuizen. Vanaf dat moment is het in de registers niet altijd duidelijk of een bedelaar in Ommerschans of Veenhuizen verblijft. In de toekomst moet blijken of die scheiding op basis van andere registers in de 400 meter archief dit onderscheid wel eenduidig kan worden gemaakt.

Hoevenaars Registers

In het boek "de Bedelaarskolonie" lezen we dat kolonist Johannes Molenaar op 15 juli 1822 met zijn gezin van de vrije kolonie Frederiksoord verliet om de eerste nieuwgebouwde hoeve bij de Ommerschans te betrekken.
In het eerste Hoevenaarsregister van Ommerschans, dat loopt over de periode 1822-1825, Zien we inderdaad de inschrijving van Johannes Molenaar op Hoeve nr 5 op 15 juli 1822.
De oudste inschrijving van een hoevenaarsgezin op de Ommerschans op 15 juli 1822, Drents Archief, toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr.1579. Spring naar bonmama door op de afbeelding te klikken.

Inmiddels staan alle hoevenaarsregisters online. Bladerend door registers valt op dat relatief veel nageslacht van hoevenaars zijn blijven hangen in de omgeving. Kijk bijvoorbeeld in hetzelfde register bij hoeve nr 2, waar Klaas Tiemes met zijn gezin op 11 november 1822 zijn intrek nam.


de genealogische kaart van Klaas Alberts Tijmes op bonmama.nl, met in de kop zijn relatie tot voorouders, partners en kinderen en daaronder de vele links naar de bronnen waarin Klaas inmiddels is gevonden. Let op hoeveel verschillende schrijfwijzes van zijn naam voorkomen! Rechts naast zijn naam staan de links naar humogen; hiermee kunnen genealogische overzichten over meerdere generaties worden opgeroepen.

Klik op de links naar Humogen om het nageslacht van Klaas Albertse Tijmes in beeld te krijgen. U zult zien dat er veel nageslacht in de Genealogische Database te vinden is.

Op hoeve nr 7, vinden we het gezin van Antonius Geraets, geboren in het Limburgse Melik en die met zijn gezin in Dordrecht, Delfshaven en Rotterdam woonde voordat hij via Frederiksoord naar de Ommerschans kwam. Ook hij heeft een omvangrijk nageslacht.

Een hoevenaar die in dit overzicht zeker niet mag ontbreken is de eerste bewoner van hoeve nr 15, Gabriel Wibier.
Alle in Nederland woonachtige Wibiers (en dat zijn er nogal wat) stammen van hem af. In 1823 kwam hij met zijn gezin uit Mons in de Zuidelijke Nederlanden naar Frederiksoord, en in 1825 werd hij bevorderd tot hoevenaar aan de Ommerschans. In 1830 keerde hij terug naar Frederiksoord, maar zijn zoon Gabriel bleef in Dedemsvaart hangen en was stamvader van een groot geslacht. Aan het begin van de 20e eeuw waren in Dedemsvaart de Dolf Wibiers niet uit elkaar te houden en daarom kregen ze bijnamen: Dolf van Gabriel, Linkse Dolf, Dikke Dolf en paraplue-Dolf.

Tegelijk met Gabriel Wibier vestigde zich op hoeve nr 19, de uit Leiden afkomstige Jacobus Omvlee met zijn gezin met 6 kinderen.
Zijn vrouw Elisabeth Kerkvliet overleed daar op 26 juni 1826 en reeds 5 maanden later, op 7 december van hetzelfde jaar, hertrouwde Jacobus met Jeltje Jans Oostenbrink, die ook wel Scholten genoemd werd. Zij kregen samen nog 5 kinderen. Al met al heeft Jacobus ook een omvangrijk nageslacht, dat voor een groot deel in Dedemsvaart bleef hangen. Jacobus verliet de Schans in 1836 en vestigde zich te Dedemsvaart als hovenier.

De locatie in Dedemsvaart waar Jacobus Omvlee woonde van ca 1839 tot 1866, in Google maps. Klik op de kaart om deze te openen.

Omvlee komt met zijn gezin voor in de lijst van inwoners van het deel van de gemeente Ambt Ommen, dat per 1 januari 1837 bij Avereest is gevoegd.
In later jaren komen we Jacobus tegen als palingvisser. Zijn zoon Jan zette dat beroep voort en diens zonen Jacobus en Hendrik daarna. Ook zij brachten brachten palingvissers voort. De oude Jacobus zelf vertrok in 1866, 77 jaar oud, terug naar zijn geboortestad Leiden, om daar 2 jaar later te sterven. Toen ik dit feit voor het eerst onder ogen kreeg moest ik meteen denken aan de wonderlijke cyclus van de paling, die aan het eind van z'n leven terug keert naar de Sargasso Zee.

Een kanshebber in de competitie voor hoeveelheid nageslacht vinden we op hoeve nr 18. Het is Antonie van Osta, geboren in Woensdrecht, die in 1825 uit Frederiksoord komt met zijn vrouw en zijn twee jongste kinderen. Al in 1833 overlijdt hij in de kolonie. Hij is dan grootvader van 5 kinderen. Dat worden er uiteindelijk 26 en zij zorgen voor een talrijk nageslacht.

Maar wie er ook wat van kan is de nieuwe bewoner van hoeve nr 13. Het is Hermannus Haverhorst, althans, onder die naam is hij ingeschreven in het hoevenaarsregister.

De inschrijving van het gezin Haverhorst in het Hoevenaarsregister Ommerschans, Drents Archief, toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr.1579. Spring naar bonmama door op de afbeelding te klikken.

Zijn talrijke nazaten in mannelijke lijn dragen echter allemaal de naam Haverkort.

In de Hoevenaarsregisters komen vele tientallen families voor. Er is er één die ik er in dit verhaal nog even uit wil lichten: dat is de vlasbaas Hermannus Jurgens, die in 1834 met zijn gezin wordt ingeschreven in het Hoevenaarsregister.
Hij is in 1804 te Schiedam "onegt" geboren uit de relatie tussen Hermannus Jurgens en Maria van der Most. Als zijn moeder in 1807 overlijdt, neemt zijn vader de zorg op zich en Hermannus draagt dan ook de naam Jurgens. ALs zijn vader in 1817 ook overlijdt dan neemt de Stads Armenkamer van Schiedam de jongen onder hun hoede. In 1820 sluiten ze een contract met de Maatschappij van Weldadigheid voor de verzorging van Hermannus en zo komt hij in kolonie III (Willemsoord) terecht, waar hij wordt geplaatst in huis nr 17 bij Koenraad Fernouw. Vlak voor zijn huwelijk in 1830 met kolonistendochter Johanna Franken, wordt hij ontslagen uit de Maatschappij, maar hij treedt niet veel later in dienst bij het Landbouwinstituur te Wateren, waar talentvolle jonge kolonisten een middelbare school opleiding krijgen.
Als bij zijn huwelijk uit zijn doopacte blijkt dat hij buiten echt geboren is, wordt als familienaam formeel vastgelegd: van der Most. In Wateren worden de eerste twee kinderen geboren, die -net als alle volgende- de naam van der Most krijgen. Maar in de registers van de Maatschappij van Weldadigheid zal het gezin altijd onder de naam Jurgens worden geregistreerd.
Hermanus van der Most en Johanna Franken krijgen elf kinderen, en een groot nageslacht.

Reinier van Nispen

Ik schreef hierboven al dat er in Veenhuizen drie ongeveer gelijke gestichten stonden. De gestichten nr 1 en 3 -net als Ommerschans al lang afgebroken- waren in gebruik als wezen gestichten. Over de geschiedenis van deze gestichten is onlangs een prachtig boek van de hand van Wil Schackmann verschenen, "de kinderkolonie". Ik wil hier niet veel van de inhoud van dit boek verklappen, maar in relatie tot Ommerschans wil ik wel vermelden dat ik er aangenaam door werd verrast dat een naam die ik veel ben tegengekomen bij Ommerschans, die van Reinier van Nispen. Hij kwam als wees van Den Haag naar Veenhuizen, kreeg de kans zich te ontwikkelen op het instituut te Wateren en kwam daarna naar de Ommerschans waar hij uiteindelijk een aanstelling kreeg als onderdirecteur van de landbouw. Hij trouwde in 1848 in Ommen en kreeg 9 kinderen in de kolonie. Hij bleef tot het biterre eind van de Schans in 1890 en had toen de opdracht de ontmanteling te coordineren.

Provinciale Drentsche en Asser Courant 14 mei 1890 - bron: Delpher.nl

Van Nispen legde zijn levensverhaal vast in een dagboek en dit verhaal is prachtig door het boek "de kinderkolonie" verweven.

krantenartikelen over Ommerschans

Op bonmama wordt een verzameling krantenknipsels over de Ommerschans aangelegd. Het merendeel van de tot nu toe verzamelde berichten is afkomstig van Delpher.nl, de website van de Koninklijke Bibliotheek. U kunt natuurlijk ook direct zelf zoeken op die website en U krijgt dan op de zoekterm Ommerschans meer dan 10.000 berichten. Dat zoekresultaat lijkt indrukwekkend, maar weest U zich er altijd van bewust dat dit het topje van de ijsberg is! De ingescande kranten door door middel van OCR voorzien van metadata. In die metadata zitten heel veel fouten en dus mist U per definitie veel resultaten. Daarnaast is het altijd goed om op spellingsvarianten te letten. Zo kom ik Ommerschans in Delpher ook tegen als Ommerfschans en onder die zoekterm heb ik een paar heel oude berichten gevonden; de oudste zelfs uit 1673, het jaar nadat de troepen van Munster onder leiding van Bommen Berend de Schans veroverde.

la Gazette d-Amsterdam 28 december 1873 - www.Delper.nl

In de eerste zin van dat artikel lees ik -vrij vertaald- Er wordt gezegd dat de Bisschop van Munster de Ommerschans heeft vernietigd...

Als we zo door de verzamelde knipsels bladeren dan zien we dat in 1741 de aanbesteding plaats vond van de grote verbouwing van de vervallen schans tot 's Lands Magazijn, een versterkte opslagplaats van met name munitie. En verder zien we rond de eeuwwisseling -in de tijd van de Bataafsche Republiek- tal van aanbestedingen voor onderhoud en aanpassingen op de Schans. Een bewijs dat de Schans in die jaren nog steeds in gebruik was.
Onlangs publiceerde ik op MijnStadMijnDorp.nl een verhaal over de laatste commandant van de Ommerschans, Jacobus Mathijssen van den Berg, die een groot nageslacht had. Een zoon van hem werkte jaren lang in de bedelaarskolonie, ondermeer als wijkmeester.

Dan zien we vanaf 1819 de krantenberichten over de bedelaarskolonie, te beginnen bij het bericht dat Z.M. de koning aan de Maatschappij van Weldadig het vruchtgebruik over de Ommerschans heeft gegeven.
Tussen de reeds verzamelde berichten zien we ook waarom de signalementen in de inschrijvingeregisters zo handig zijn: Als kolonisten er tussenuit knepen -dit werd desertie genoemd- dan werd een oproep in diverse kranten geplaatst waarbij het signalement werd geplaatst.

Provinciale Overijsselsche Courant 27 mei 1823 - bron: Delpher.nl

Ook deze kranten artikelen worden voorzien van metadata en zo worden de persoonsnamen uit de artikelen gekoppeld aan de genealogische database. Klik op bovenstaand krantenartikel om de metadata in beeld te krijgen. Dan zien we dat de eerste persoon, Alexander Kruid, is voorzien van zijn Historisch Burger Service Nummer 89475. kijken we naar zijn genealogische kaart, dan zien we dat we (nog) niets weten van voorouders, relaties of nageslacht, maar we zien wel dat hij veelvuldig voorkomt in de administratie van de Maatschappij:

klik op de afbeelding om direct naar de genealogische kaart op bonmama.nl te springen

In dit overzicht zien we de kracht van het koppelen van bronnen aan een centraal persoonsbestand: in één oogopslag zien we een "timeline" ontstaan met gebeurtenissen in het leven van Alexander Kruid. Natuurlijk kun je deze gegevens ook vinden door stug doorzoeken, zoals Wil Schackmann heeft gedaan. Hij heeft zelfs meer gegevens verzameld over Alexander Kruid. Maar door de wijze waarop we op bonmama de bronnen ontsluiten, komen de historische feiten van ieder persoon automatisch in beeld.

Op de pagina van Wil Schackmann zien we aanwijzingen dat Alexander Kruid gestraft zal zijn voor zijn vergrijp van desertie. Echter, daar werd in 1823 nog geen systematisch verslag van gemaakt. Dat werd anders in 1829...

de Raad van Tucht

De archieven van de Maatschappij van Weldadigheid bevatten niet alleen de "administratieve" stukken met betrekking tot de bewoners. Er zijn ook talloze persoonlijke docuenten: bijvoorbeeld brieven aan de Permanente Commissie. Zo loopt het vele handen project Post van Weldadigheid waarin een flinke groep mensen de brieven aan de Permanente Commissie voorziet van Metadata. Dit project heeft al veel juweeltjes van documenten aan de vergetelheid ontrukt en hierover heeft Wil Schackmann al veel gepubliceerd.

Specifiek met betrekking tot de Ommerschans is er in elk geval één bron die we zeker moeten ontsluiten: de notulen van de Raad van Tucht. Deze interne rechtbank is in 1829 in de Ommerschans opgericht en van alle zittingen zijn gedetailleerde notulen gemaakt. Op we website van Wil Schackmann staat een transcriptie van het Reglement van Tucht uit 1829. Uit de nutulen van de Raad is er een goede indruk te krijgen over wat zich op de Schans afspeelde aan onregelmatigheden. En omdat bedelaars (en regelmatig ook geëmployeerden) met naam en toenaam worden genoemd zullen ook veel mensen hier iets persoonlijks over een voorvader kunnen vinden. Sinds kort staan de 480 bladzijden alvast online en thans wordt deze bron voorzien van meta-data.

Voorblad notulen Raad van Tucht Ommerschans, Drents Archief toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr. 1623. Klik op de afbeelding om naar deze born te springen op bonmama.nl

Eerste uitspraak Raad van Tucht Ommerschans 13 mei 1829, Drents Archief toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr. 1623. klik op de afbeelding om naar de bron te springen op bonmama.nl

De eerste uitspraak betreft Gerrit Burger, opzichter, door Onderscheidene Personen beklaagd, zou met woorden als daden zijne meede kolonisten te hebben beleedigd, en onder zware verdenking leggende van zeedelooze omgang, is ingevolge Art 16 & 17 van het Reglement van Tucht gedurende den tijd van zes weken als opzichter gesuspendeert.
Tweede uitspraak Raad van Tucht Ommerschans 13 mei 1829, Drents Archief toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr. 1623. klik op de afbeelding om naar de bron te springen op bonmama.nl

De tweede uitspraak betreft Pieter Barends, zich schuldig gemaakt hebbende aan desertie voor de eerste maal zal ingevolge Art. 11 met vijf dagen opsluiting met Boeijen gestraft worden, en geordonneerd tot het dragen van het distinctief Pak.

De inschrijving van Pieter Barends ligt vast in register F. Dit register is nog niet ontsloten; het is het eerstvolgende register dat van metadata zal worden voorzien. Maar de scans van dit register en alle volgende staan al wel online en met enig bladerwerk is de inschrijving van Pieter Barends te vinden onder onder Hoofdelijk Nummer 1123. Hier lezen we ook dat hij is overleden te Veenhuizen op 27 maart 1832. Op Alledrenten.nl is zijn overlijdensacte te vinden.

Laatste uitspraak Raad van Tucht Ommerschans op de eerste zittingsdag, 13 mei 1829, Drents Archief toegang 186 (Maatschappij van Weldadigheid), inv.nr. 1623. klik op de afbeelding om naar de bron te springen op bonmama.nl

Aagje Margje Meidema zich schuldig gemaakt hebbende aan het verkoopen van een laken en een kussen sloop de maatschappij toebehorende zal ingevolge Art 13 van bovengemeld Reglement met drie Nagten opsluiting gestraft worden, en het door haar verkochte voor haare rekening worden aangekocht.
Maria Catharina Andree meede pligtig in de verkoop van bovengemeld laken en kussen sloop gemaakt hebbende zal ingevolge Art 13 van bovengemeld Reglement met drie Nagten opsluiting gestraft worden.
Kempe Ouwes Streekstra, zich schuldig gemaakt hebben aan de bepalingen, bij Art. 9 van bovengemeld Reglement vervat, zal met zes nagten opsluiting gestraft worden.
Gedaan en Gevonnisd in den Raad als boven, en door deszelven leeden onderteekend
.

Aagje Margje Meidema is vrijwel zeker Aagje Meinderts Miedema, die op 8 mei 1828, komend vanuit het Friese Baarderadeel wordt ingeschreven te Ommerschans in register deel F onder hoofdelijk nummer 230. Hier lezen we dat zij op 9 september 1828 is gedeserteerd. Daarna is ze op 6 januari 1829 weer terug gebracht en ingeschreven onder nummer 329 in hetzelfde register. We lezen daar verder dat ze op 1 april 1830 (dus nadat ze haar straf in Ommerschans heeft gelregen) naar Veenhuizen is overgebracht, waar ze op 29 juli 1831 opnieuw gedeserteerd is. Op 17 september van dat jaar was ze weer terug. Op haar genealogische kaart zien we deze feiten nu nog niet, maar wel zodra register F verwerkt is.

Maria Catharina Andree kennen we al wel, want zij is op 27 juli 1827 ingeschreven in de Ommerschans, komende van het werkhuis te Hoorn. Toen zij werd ingeschreven, nam men de moeite om in het signalement de namen van haar ouders te vermelden, Dat is in latere registers helaas niet meer gedaan.

Kempe Ouwes Streekstra is weer in register F ingeschreven. Hij is overleden te Ommerschans op 28 maart 1830. In zijn overlijdensacte lezen we dat "verdere renseignementen onbekend zijn". Zouden zijn weduwe en vijf kinderen dan geen bericht van zijn overleden hebben gekregen?

Antje Molenbroek

In 1992 startte een werkgroep van de Historische Vereniging Avereest met de inventarisatie van de oudste begraafplaats van Dedemsvaart in de Mulderij, gesticht in 1833.

Deze begraafplaats bestaat uit vier blokken, met in het midden het graf van Willem Jan baron van Dedem, de stichter der Dedemsvaart, zonder wiens initiatief de bedelaarskolonie Ommerschans er vrijwel zeker nooit gekomen zou zijn.

Alle grafstenen op dit oude deel van de begraafplaats bevinden zich in één van de drie blokken: vak A, met koopgraven "met eeuwigdurend recht". Hier liggen de "founding fathers" van Dedemsvaart. Echter, in vak C is één steen bewaard gebleven van opmerkelijk goede kwaliteit. En met een opschrift dat mij altijd intrigeerde:

ONDER DEZEN STEEN
        RUST
ANTJE MOLENBROEK
geboren te BEEMSTER
den 5 November 1814
overleden te Ommerschans
den 13 Januarij 1869


Grafsteen van Antje Molenbroek, begraafplaats Mulderij Dedemsvaart     bron:www.bonmama.nl

Jarenlang had ik niet meer dan haar overlijdensactie uit 1869, maar onlangs dook Antje ineens op in de notulen van de Raad van Tucht, op de zitting van 30 mei 1834.
Omdat de kwaliteit van de foto van deze notulen te wensen overlaat, geef ik hieronder de transcriptie:

De Raad heeft eerder tijdens die zitting uitvoerig gesproken over de diefstal en heling van den roode rok, de Maatschappij toebehoorende.. Als laatste staat de zaak van Antje op de rol:
Eindelijk ten derde is door den opziener der Wal- of Strafkolonie ingediend een Proces-Verbaal vermeldende dat zeker Antje Molenbroek, dochter van de Strafkoloniste Niesje Blokker, wed. Molenbroek, aan hem te kennen heeft gegeven, dat zij eenigen tijd, zonder dat het verwijd heeft kunnen maaken, met een particulier persoon verkering heeft gehad, welke verkering vervolgens in een onzedelijke omgang is overgegaan, zodat gemelde Antje Molenaar zedert January J.L. in eene Zwangere staat verkeert.
De President laat Antje Molenbroek ontbieden, verschijnend voor den Raad en bekent het voorgevallene.
De president geeft haar te kennen, dat dergelijke vergaande onzedigheden, eenen nadeeligen invloed voor haar zelve, en voor andere kolonisten en schadelijke gevolgen voor de Maatschappij moeten hebben, en dien ten gevolge zou streng mogelijk gestraft diende te worden.
Men doet haar aftreeden.
De President vraagt de gevoelens der leden. Allen stemmen over in haar voor onbepaalden tijd een der Dicipline Zalen te Veenhuizen 2e Gesticht over te plaatsen dewijl men haar Verblijf hier niet dienstig acht.
Gezien Art. 22 van het Reglement van Tucht, luidende dat gemeld Reglement ook op de kolonisten van de Strafkolonie te Ommerschans van toepassing is.
En zien Art. 16 van gemeld Reglement uit hiervoren omschreven,
Onzedelijk gedrag enz.:
De beklaagde wordt binnen gelaten en den Secretaris laat leest haar haar vonnis voor waarna zij wederom aftreedt.
Aldus gedaan op dato als boven
getekend:
A. de Geus (Adjunct Directeur van Ommerschans en President van de Raad van Tucht)
H. Hoogstra (schoolonderwijzer te Ommerschans en lid van de Raad van Tucht)
J.F. Krieger (onderdirecteur binnen te Ommerschans en lid van de Raad van Tucht)
H. Steenbeek (onderdirecteur buiten te Ommerschans en lid van de Raad van Tucht)
A.D. Oterbein (zaalopziener te Ommerschans en lid van de Raad van Tucht)
Müller (sergeant-veldwachter te Ommerschans en lid van de Raad van Tucht)
A. Bak (zaalopziener te Ommerschans en lid van de Raad van Tucht)
Stous (boekhouder te Ommerschans en notulist van de Raad van Tucht)


Om de inhoud van deze notulen te kunnen begrijpen, moet u weten dat er op de Ommerschans in feite 3 koloniën gevestigd waren: Het bedelaarsgesticht, ook Kolonie IV genoemd (koloniën 1, 2 en 3 stonden in Veenhuizen), De strafkolonie, ook walkolonie genoemd, omdat deze was gelokaliseerd op de zuidwal van de Ommerschans, en de landbouwkolonie, ook Kolonie V genoemd.
De strafkolonie werd -zoals de naam aangeeft- gebruikt voor kolonisten uit de bedelaarskolonies Ommerschans en Veenhuizen, en de vrije koloniën rond Frederiksoord, die daartoe werden veroordeeld. Deze strafkolonie is reeds in 1819 gestart, terwijl de bedelaarskolonie en de landbouwkolonie pas in 1822 zijn gestart.
Binnenkort zet ik de persoonsregisters van de Strafkolonie Ommerschans online.

Zicht op de Zuidwal van de Ommerschans in 1828, met links het gebouw van de Straf- of Walkolonie en links op de achtergrond het bedelaarsgesticht.  bron: Maatschappij van Weldadigheid maandblad Vriend des Vaderlands, jaargang 1828, oktober, Bibliotheek Rijksuniversiteit Groningen.

Met enig nader speurwerk vormt zich het verhaal van Antje Molenbroek, geboren te Beemster, Noord Holland, op 3 november 1814. Ze was vier weken oud toen haar vader overleed. In 1820 sloot de Algemene Armendirectie van Beemster een contract met de Maatschappij van Weldadigheid voor een bedrag van 60 gulden per jaar om het gezin op te nemen in een vrije kolonie. En zo verhuisde Antje -6 jaar oud- met haar moeder, zus Grietje en broek Fredrik naar Willemsoord.
Op 9 mei 1829 werd het gezin overgeplaatst naar de strafkolonie Ommerschans. Wil Schackmann gef me een transcriptie van de Raad van Policie over de Vrije Kolonien van 18 april 1829, waaruit blijkt waarim het gezin naar de Ommerschans werd overgeplaatst:

Bij den raad zijn ingekomen en gelezen:

a  Het proces verbaal van den raad van toezigt van kol No 1, van den 20 Maart JL, houdende beschuldiging tegen Johanna Margaretha de Rijck, huisvrouw van den kolonist Hertzkamp van kol 1, die voornemens zoude geweest zijn 13 oude ponden gehekeld vlas, toebehorende aan de Maatschappij van Weldadigheid, buiten de kolonien te verzetten of te verkoopen, doch onderweg ontdekt en dit voornemen verhinderd door den Onderdirekteur van kol No 2.
b
  Het proces verbaal van den raad van toezigt van kol No 3, in dato 18 dezer, houdende stellige verzekering, ook volgens hare eigene verklaring, dat de wed. Molenbroek, huisverzorgster over hare eigene kinderen in kol No 3, zwanger zoude zijn, - en wel van eenen jongen gehuwden kolonist, Abraham van Aken, te voren bij haar als kind  ingedeeld geweest, die zulks echter voor gemelde raad stellig ontkend had.
Deze beschuldigde vrouwen opgeroepen en één voor één voor dezen raad verschenen zijnde, hebben dezelve op de haar door den Heer President gedane vragen geantwoord hetgene volgt:
1 Vrouw Hertzkamp had de 13/2 Nederl. ?? gehekeld vlas niet van het vlas afgehouden, dat zij werkelijk in huis had gehad om te hekelen, maar bij het verbranden van haar huis den 23 Januarij LL, en uitgehaald en geborgen, en op den 15 Maart daaraanvolgende, had zij hetzelve niet willen verkoopen, maar aan eenen boer, voor 14 dagen, in bewaring willen geven, die haar biezen zoude gedaan hebben voor harer man, om stoelen te matten.
2 de wed, Molenbroek was zwanger, verzoekende dat hare kinderen, welke zulks insgelijks verlangden, met haar naar de Ommerschans mogten verplaatst worden.
Nadat deze vrouwen zich wederom verwijderd hadden en er bij den raad in overweging was genomen:
a
Het besluit van de Permanente Kommissie van den 29 Mei 1821, waarbij het bij herhaling verkoopen of verpanden de hun toevertrouwde goederen, als mede het zedelooze gedrag waaruit zoodanige bezwangering voortkomt, op straf van veroordeeld te worden naar de Ommerschans, te regt verboden is;
b
De verklaring van den Onderdirekteur Bosma, hierbij overlegd;
c
Dat het den raad waarschijnlijk voorkomt, dat het afbranden van Hertzkamps woning, grotendeels aan de onvoorzigtigheid en slordigheid der bewoners is toe te schrijven, daar dezelve ook in de voorwinter, door het vuurtjes stoken der kinderen, alrede op het punt heeft gestaan van af te branden, doch toen nog door tijdige hulp is gebluscht geworden;
d
Dat er tusschen het afbranden van het huis en het wegbrengen van het vlas van vrouw Hertzkamp zoo veel tijd is verloopen, dat zij zich vooraf genoegzaam heeft kunnen bedenken, waardoor deze zaak, naar het oordeel van den raad, strafwaardiger is geworden.
Is bevonden dat de gevoelens der leden van den raad genoegzaam overeenstemden, en dien ten gevolge eindelijk besloten:
De huisgezinnen Hertzkamp van Kol1. en van de wed. Molenbroek van kol 3, onder nadere approbatie van de Permanente Kommissie te veroordeelen naar de Strafkolonie te Ommerschans.
Er zal bij afschrift dezes, hiervan worden kennis gegeven aan de Permanente Kommissie van Weldadigheid.
Voor Extract conform,
De Direkteur der Kolonien

Visser

Goedgekeurd door de Permanente Kommissie
En mitsdien last gegeven tot de overplaatsing van beide huisgezinnen.
den 7 Mei 1829

Broer Frederik Meulenbroek verbleef niet lang in de Strafkolonie op de Schans. Hij nam in 1830 vrijwillig dienst en in die rol nam hij ondermeer deel aan de tiendaagse veldtocht, waarvoor hij onderscheiden werd met het erekruis. Moeder Neesje Blokker bracht op 28 juli 1829 op de Schans een zoon ter wereld, die ze vernoemde naar de vermeende vader, Abraham. Dit kind overleed op de Schans in 1832. Zus Grietje trouwde op 14 februari 1833 te Avereest met Hendrik Johan Holleman. Ze kregen een talrijk nageslacht. En Antje was begin 1834 zwanger. Ze werd voor straf naar Veenhuizen gebracht, waar ze op 28 oktober beviel van een dochter, die al op 15 december overleed.

De huishouding van predikant Andries Campagne in 1840     bron: bestuurdienst Ommen-Hardenberg toegang 501 inv.nr.61

Antje kwam op enig moment terug in Ommerschans, waar we haar in 1840 terug vinden als huishoudster bij predikant Andries Campagne. Zij bleef bij hem tot aan haar overlijden op 13 januari 1869. Vrijwel zeker heeft Andries Campagne er voor gezorgd dat Antje niet op de begraafplaats van Ommerschans werd begraven, maar op in de Mulderij en ik ga er van uit dat hij voor het keurige en duurzame graf heeft gezorgd.

Broer Fredrik overleed in 1855 ongehuwd te Breda. Hij was daar blazer bij het tweede regiment vesting artillerie. Bijzonder is dat hij tenminste twee zoons heeft, geboren in Middelburg in 1851 en 1854, die door hem erkend zijn en daardoor ook de naam Meulenbroek droegen.
Zus Grietje overleed in 1866 te Avereest, nabij de Mulderij.

Dronken door een onterecht afgegeven verlofpas

Op de zitting van 10 april 1833, onder Presidentschp van adjuct-directeur Kornelis Mulder, komt een ernstig vergrijp aan de orde: de openbare dronkenschap van drie kolonisten.
Het drietal: de apothecar Cornelis van der Hoeff, G. Zondervan, portier van het hospitaal en Geertje van der Pol, ziekenmoeder in het hospitaal, zijn op Paaschmaandag naar de Vaart geweest en hebben zich daar bedronken.

De notulen van de Raad van Tucht van 10 april 1833.  bron: Drents Archief toegang 0186, inv.nr. 1623

De beklaagden voeren ter verdediging aan dat zij van de geneesheer een verlofpas hadden gekregen om naar de Vaart te gaan. In het beraad van de Raad van Tucht is men van mening dat doctor Anderegg buiten zijn boekje is gegaan en dus eigen de oorzaak is van de ellende. Toch lijkt dit uiteindelijk geen wezenlijke invloed te hebben op de strafmaat: ze worden alle drie uit hun positie in het hospitaal gezet en krijgen 24 uur opsluiting.
In deze zaak zien we dat normale kolonisten speciale baantjes, "betrekkingen", konden krijgen. Ik heb geen aanwijzing dat ze hiermee een hogere verdienste kregen, maar ze hadden waarschijnlijk een gemakkelijker leven.
Dokter Anderegg was geen lange carrierre beschoren op de Schans: hij was in functie sinds 1 juni 1832 en is ontslagen per 1 october 1833.

We komen de combinate van drank en privileges vaker tegen bij de raad van tucht. Op 4 juni 1834 staat kolonist A. Eshuis, die voerman is bij de bouwboer Antonie Geraets voor de Raad, omdat hij stomdronken werd aangetroffen toen hij een vracht mest moest halen van een schp in de Vaart. Naar zijn zeggen had de schipper hem de sterke drank gegeven. Voor de Raad is dat geen verzachtende omstandigheid. Eshuis verliest zijn baantje als voerman en wordt 8 dagen opgesloten, om den anderen dag in de boeijen.

Goed beschouwd zijn de hier boven genoemde zaken de lichte vergrijpen. We komen wel andere gevallen tegen...

30 stokslagen, 14 dagen opsluiting, om den anderen dag in de boeijen te water en brood

De Amsterdammer Cornelis Kammeijer verbleef al in 1824 op de Schans. In datzelfde jaar is hij gedeserteerd, en kennelijk later weer binnen gebracht (dat zal de komende tijd uit blijken als we de inschrijfregisters ontsluiten)

Eerste bladzijde van het Proces Verbaal van 24 februari 1832.  bron: Drents Archief toegang 0186, inv.nr. 1623

Op vrijdagavond 24 februari 1832 rond 7 uur 's avonds klimt Kammeijer over de hekken die midden over de binnenplaats van het bedelaarsgesticht de afscheiding vormen tussen het mannen- en het vrouwen-deel. Hij loopt vervolgens de trap op naar zaal 35 waar hij op de koloniste Alida Ontrap af stapt en haar "gedugte slagen toebrengt".
De hoogste in rang op de schans, Adjunct Directeur Mulder, is die dag afwezig en dus gaat Directeur-Binnen Cornelius Wilhelmus Rensing op het tumelt af, vergezeld door de veldwachters Blatter en Thijssen.
Ze treffen Kammeijer niet aan in zaal 35. Daarop geeft Rensing opdracht aan de veldwachters om Kammeijer, die terug is in zijn eigen zaal No 4, gevangen te nemen.
Daar aangekomen blaast Kammeijer de lamp uit, zodat men niets kan zien, en vervolgens geeft hij Thijssen een klap met een houten schop, waardoor Thijssen "geheel bebloed wierd". Rensing en de veldwachters trekken zicg terug om een uur later, nadat de laatste bel geklonken heeft, opnieuw naar de zaal te gaan. Dan merken ze dat de deur gebarricadeerd is. Als ze proberen de deur te forceren, horen ze tumult in de bovenliggende zaal 3 en daar klinkt een stem "als gij daar onder niet weg gaat dan zullen wij een afkomen". Vervolgens wordt het rumoerig in het gehele mannenverblijf.
Daarop trekt Rensing zich wederom terug. De volgende ochtend wordt Kammeijer gevangen genomen, evenals de kolonist Ruis, die is herkend als de persoon uit zaal 3 die daar dreigende taal heeft gesproken. In allerijl wordt de Raad van Tucht bijeen geroepen.

Kammeijer verklaart voor de Raad "dat hij verkeering heeft met Alida Ontrap, die zich met een ander persoon zoude afgegeven hebben, waarover hij was gebelgt geworden en zijn drift niet had kunnen overwinnen".

Kammeijer werd gestraft met 30 stokslagen, 14 dagen opsluiting in eene der kelders om het Gesticht aanwezig, om den anderen dag in de boeijen aan de 1e schakel en om den anderen dag te water en brood.
De Kolonist Ruisch weigerde desgevraagd te verklaren wie zijn mede-oproerkraaiers waren. Hij werd daarop in gijzeling gezet, opdat men alsnog de namen te weten zou komen. We zien in een latere zitting dat Ruisch zijn kaken stijf op elkaar heeft gehouden.

Een blok aan het been

Het meest voorkomend vergrijp, in de 70 tot nu toe ontsloten bladzijden, is desertie: ontvluchten van de Ommerschans. De standaard strafmaat? 6 dagen in de strafkamer, waarvan een aantal dagen in de boeijen. Op die dagen is het menu: water en brood. Daarnaast zal de deserteur het distinctief pak dragen: een tenue waarmee een ieder herkent wat deze man of vrouw op zijn kerfstok heeft. In één geval, de veroordeling van Jantje Barends Groeneveld, staat gedicteerd dat dat pak gedurende vier maanden moet worden gedragen.

Af en toe komen er hardnekkige recidivisten voorbij, zoals op 1 september 1833, als de kolonisten Sickelaar, Kloot en Wackee.
Zij zijn voor de 2e maal gedeserteerd. Bij zijn aanhouding heeft Wackee een veldwachter in het water geduwd.
De Raad van Tucht stelt aan de Permanente Commissie voor om deze deserteurs een houten blok aan het been te ketenen, zodanig dat ontvluchten niet meer mogelijk is, maar dat het werken op het land wel toestaat.

De Permanente Commissie heeft die toestemming kennelijk niet gegeven, want Wackie gaat er andermaal vandoor en wordt opnieuw in de kraag gevat en zo staat hij op 10 maart 1834 opnieuw voor de Raad van Tucht. Die verzucht dat dat blok aan het been de betere oplossing zou zijn geweest, maar in de wetenschap dat dat niet wordt toegestaan, wordt de zwaarst mogelijke straf gegeven: 40 rietjes slagen en opsluiting gedurende 14 dagen, de 3 eerste en de 3 laatste te water en brood.

Uit de registers van de Burgerlijke Stand zie ik dat er voor Wackie uiteindelijk een geniale oplossing werd gevonden:
"If you can't beat them, let them join". In de periode 1836-1845 komt Wackie veelvuldig voor als aangever en getuige op de Ommerschans. Zijn beroep is dan... veldwachter.

Als U een snelle blik wilt werpen in de notulen, ga dan naar het zoekscherm en type een spatie in het zoekveld "straf". U ziet dan de meeste personen in de zittingen, met een beknopte omschrijving van vergrijp en straf.
Wilt U helpen met het genereren van de meta-data? meldt het dan even op het reactieformulier en ik help U aan een instructie om dit vanuit uw luie stoel aan te pakken.

Reacties