Geplaatst door: 
Verhaal

vind je weg in Ommerschans

Auteur: 
Helmuth Rijnhart

Heb je behoefte aan een overzichtelijke geschiedenis van de bedelaarskolonie Ommerschans? Of aan bepaalde aspecten van de kolonie? Of wil je op zoek naar bepaalde personen in de Schans en je hebt geen idee hoe dit aan te pakken? Begin dan met dit verhaal.

Inleiding

130 jaar geleden is de bedelaarskolonie Ommerschans gesloten en in de jaren daarna is het gesticht en het gros van de gebouwen er om heen afgebroken, waarna de natuur langzaam bezit nam van het terrein. Wat restte, waren vooral gruwelverhalen over hoe het er aan toe ging op de Schans. Verhalen over honger, moord- en doodslag, enorme sterfte en massagraven.

De bouwstenen van de werkelijke geschiedenis bleven wonderwel gespaard. De archieven van de Maatschappij van Weldadigheid en haar opvolger: de Rijksgestichten kwamen uiteindelijk in het Drents Archief terecht. Cecilia Alberta Kloosterhuis was de eerste die systematisch met dit archief aan de slag ging om een genuanceerd verhaal te vertellen over de Maatschappij van Weldadigheid. Vlak voor het einde van haar leven, in december 1979, voltooide zij haar werk, dat vooral betrekking heeft op de "gewone koloniën" Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord.

De aandacht voor de Maatschappij van Weldadigheid kreeg een kwart eeuw later een flinke boost door de boeken van Wil Schackmann (2006) en  Suzanna Jansen (2007). Een positieve bijwerking van deze aandacht was dat het Drents Archief de fondsen wist te verwerven om een flink deel van het archief van de Maatschappij van Weldadigheid te laten digitaliseren en zonder toegang online te zetten. Dat laatste is voor een archief een bijzondere stap: in het algemeen is de neiging om een gedigitaliseerde bron pas online te zetten nadat deze op persoonsnaam ontsloten is.

In 2009 is een start gemaakt met de website bonmama.nl, waarop personen in bronnen, gerelateerd aan de voormalige gemeente Avereest, gekoppeld worden aan een centraal genealogisch bestand. Hierbij worden gescande bronnen online in beeld gebracht en doorzoekbaar gemaakt op naam en gebeurtenis. Door de koppeling van personen aan een centraal pesoonsbestand ontstaat er per persoon vanzelf een "timeline" van gebeurtenissen, met een directe link naar de betreffende bronnen. In deze bronnen komen veel personen voor die ook een rol hebben gespeeld in de bedelaarskolonie Ommerschans, hetzij als beambte, hetzij als kolonist. Het lag dan ook voor de hand om de bronnen met betrekking tot Ommerschans ook binnen bonmama.nl te ontsluiten. Daarmee is in 2013 een begin gemaakt. Klik hier voor de visie achter bonmama.nl.

Het ontsluiten van de bronnen vindt plaats in goede samenwerking met de betreffende archieven: het Drents Archief, het Historisch Centrum Overijssel en het archief van de gemeente Hardenberg en Ommen. Alle meta-data wordt aan deze archieven beschikbaar gesteld, opdat de gegevens duurzaam beschikbaar zullen blijven voor onderzoekers.

Een ultiem doel van deze aanpak is dat van alle bedelaar-kolonisten door middel van een database-structuur inzichtelijk gemaakt wordt wat hun afkomst is, hoe hun familie-relaties in elkaar zitten op het moment dat ze binnen de gestichten worden opgenomen, wat er van hen terecht is gekomen en tenslotte, hoe hun nageslacht zich ontwikkeld heeft. Dit is niet alleen interessant voor die nakomelingen: op deze wijze wordt het ook mogelijk door middel van statistische bewerking van de gegevens iets zinnigs te zeggen over de centrale vraag: heeft de Maatschappij van Weldadigheid een positief effect gehad op haar doelgroep, of was het overwegend een fiasco?

Op deze website, de Ommerschans-pagina binnen het online cultuur-historisch platform Mijn Stad Mijn Dorp, worden verhalen gepubliceerd waarin diverse aspecten van de bedelaarskolonie aan bod komen. In deze verhalen wordt overal waar mogelijk gelinkt naar het centrale persoonsbestand en de bronnen die toegankelijk zijn via bonmama.nl, en waarvan de scans over het algemeen getoond worden vanaf de websites van het Drents Archief en familysearch.org.
Dit verhaal is bedoeld om houvast te bieden in je zoektocht naar verhalen over Ommerschans en de Maatschappij van Weldadigheid. 

Heb je vragen of suggesties? Schroom dan niet om contact met ons te zoeken

Inhoudsopgave

De plaats van de kolonie Ommerschans binnen de Maatschappij van Weldadigheid

Geografie en voorgeschiedenis

De organisatie van de Kolonie Ommerschans

Orde handhaving en ontslag

Archiefvormers (bronnen)

Zoeken naar Personen

 

de kolonie Ommerschans binnen de Maatschappij van Weldadigheid


de Maatschappij van Weldadigheid en de Permanente Commissie


In 1818 is de Maatschappij van Weldadigheid opgericht door Johannes van den Bosch
Prins Frederik, de tweede zoon van Koning Willem I, was beschermheer van de Maatschappij. De Maatschappij werd aanvankelijk gefinancierd door ca 25.000 contribuanten die elk een dubbeltje per week aan contributie betaalden in het vertrouwen dat de Maatschappij de grootschalige armoede in het land zou beteugelen. Het oorspronkelijke plan was om gezinnen, die ten gevolge van de slechte economische omstandigheden tot de bedelstaf waren veroordeeld, in op de landbouw georiënteerde koloniën tot zelfstandige burgers op te voeden. Zij zouden onontgonnen gebieden in Nederland in cultuur brengen en een bijdrage aan de economie leveren, in plaats van anderen tot last te zijn.

In alle steden en in veel grote plaatsen in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden werden subcommissies van de Maatschappij opgezet, die zich bemoeiden met het innen van de contributie en die daarmee het recht verwierven om één of meerdere gezinnen te selecteren en op te zenden naar de nieuwe Koloniën. De onderneming ging razendsnel van start. Binnen vier maanden na oprichting werd de proefkolonie Westerbeeksloot gesticht bij het Drentse Vledder. Deze kolonie kreeg korte tijd later de naam Frederiksoord. De stichtingsgeschiedenis van deze kolonie is beschreven door auteur Wil Schackmann in het boek "de proefkolonie".

Het dagelijks bestuur van de Maatschappij was gezeteld in 's Gravenhage, ver weg van de koloniën, maar wel strategisch dicht bij de geldkraan. Want al snel na de oprichting bleek dat de doelstelling van Johannes van den Bosch, om de Koloniën financieel zelfstandig te maken, een belofte bleef. Achteraf gezien een loze belofte, want de onderneming bleek in de loop van haar 40-jarig bestaan steeds meer overheidsfinanciën te vragen.
Het dagelijks bestuur, de Permanente Commissie, stond hiërarchisch boven de directeur van de Koloniën. Hij kon geen beslissingen nemen zonder de goedkeuring van de P.C.

de gewone Koloniën: Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord


De proefkolonie Frederiksoord werd al snel uitgebreid en korte tijd later, in de periode 1820-1826, werden een tweede en een derde kolonie, Wilhelminaoord en Willemsoord, gesticht. Hier verrezen in totaal ca 380 woningen, hoeves genaamd, met ieder een stuk land, waarop de kolonist moest verbouwen voor eigen behoefte en om inkomsten te genereren. De meeste hoeven werden bevolkt door gezinnen. Daar waar de gezinnen onvoldoende groot waren of waar er onvoldoende gezinsleden waren die in staat waren te werken, werden de gezinnen aangevuld met zogenaamde bestedelingen: meest tieners die vanuit de subcommissies werden opgezonden naar de Koloniën.  Daarnaast waren er hoeves die werden bevolkt door "gelegenheidsgezinnen", waar een echtpaar de scepter zwaaide: de kolonistenvader en kolonistenmoeder en die een aantal bestedelingen -meest weeskinderen- onder hun hoede namen.

strafkolonie en bedelaarskolonie Ommerschans


Slechts een paar maanden nadat de proefkolonie Frederiksoord in gebruik was gesteld, zocht Johannes van den Bosch naar een nieuwe locatie om daar een dwangkolonie te kunnen stichten. Hij zocht enerzijds naar een plaats waar hij gezinnen uit de gewone koloniën voor straf naar toe kon zenden als disciplinaire maatregel. Daarnaast vatte hij het plan op om in diezelfde kolonie bedelaars op te vangen die niet geschikt waren voor de gewone koloniën. Begin 1819 ontmoette hij Willem Jan van Dedem, die tien jaar eerder onder Frans bestuur toestemming had gekregen om een vaart te graven van Hasselt naar de Lutter hoogvenen, om daar de vervening ter hand te nemen. Zij spraken over de mogelijkheid om de voormalige vesting Ommerschans als kolonie te herbestemmen. De vaart van Van Dedem lag op een steenworp afstand van die schans, wat een groot logistiek voordeel zou bieden aan de Maatschappij.
De Ommerschans was staatseigendom. Op 9 september gaf Koning Willem I de Schans in vruchtgebruik aan de Maatschappij.
De gronden rond de Schans waren deels eigendom van de Stad Ommen en deels van van Dedem. Van den Bosch had bedacht dat de bedelaarskolonie in de eerste plaats een landbouwkolonie zou moeten zijn, waar de bedelaar-kolonisten het land rondom het gesticht in cultuur zouden brengen en bewerken. Met Van Dedem bereikte Van den Bosch redelijk snel overeenstemming over het aankopen van grond. Met de Stad Ommen had dat meer voeten in aarde.

In het voorjaar van 1820 werden de bestaande gebouwen op de vesting Ommerschans geschikt gemaakt voor het huisvesten van ca 120 strafkolonisten en de benodigde beambten en tevens werd er rond het binnenterrein een muur opgetrokken om te verhinderen dat de kolonisten de Schans gemakkelijk zouden kunnen ontvluchten.
In de loop van 1821 kwamen de eerste strafkolonisten uit de gewone Koloniën naar Ommerschans en eind 1821 zat er naar schatting een zestigtal. Lees het onderstaande verhaal over die eerste periode.
Voor de opvang van bedelaars had Johannes van den Bosch bedacht om een vijftigtal grote hoeves te stichten rondom de Ommerschans, waar normale kolonistengezinnen de scepter zouden zwaaien en waar dan per hoeve zes tot tien bedelaars zou worden gehuisvest en te werk gesteld. Uiteindelijk werd het plan gewijzigd: Er zou een groot "etablissement" worden gebouwd op het binnenterrein van de Schans, dat onderdak moest bieden aan 1.000 bedelaar-kolonisten. Het aantal hoeves rond de Schans werd gereduceerd tot een vijftiental grote hoeves. De kolonisten die het land zouden bewerken moesten dagelijks van de Schans naar het land marcheren en in de avond weer terug om daar te overnachten.

En aldus geschiedde. In het voorjaar van 1822 werd begonnen met de bouw van het twee verdiepingen hoge gesticht met een buitenafmeting van 98 bij 98 meter, rond een vierkante binnenplaats. Het was in 1822 het grootste gebouw van Nederland. Het werd in 6 maanden tijd gebouwd door de plaatselijke aannemer Eltje Nuis die als laagste op de aanbesteding had ingeschreven. En op 8 september 1822 werden de eerste tien bedelaar kolonisten ingeschreven op Ommerschans.
De bedelaars werden in zalen ondergebracht die elk plaats boden aan veertig personen. Ze sliepen in hangmatten die overdag omhoog werden getrokken naar de zolder. Het toezicht op de bedelaars werd opgedragen aan zogenaamde zaalopzieners, die met hun gezinnen binnen het gesticht woonden. Elke zaalopziener was verantwoordelijk voor vier zalen (dus 160 bedelaar-kolonisten). De zaalopziener zorgde ook voor het bereiden en uitdelen van de maaltijden. Het gesticht en de binnenplaats was verdeeld in een mannen- en een vrouwenverblijf. De kleine kinderen werden bij de vrouwen ondergebracht aan de westzijde van het gesticht terwijl de mannen aan de oostzijde verbleven.

In 1823 werd de oude kazerne op de binnenplaats gesloopt en met de stenen werd op een oude vestingwal naast het nieuwe bedelaarsgesticht een nieuw gebouw voor de strafkolonie gebouwd, waar gestraft gezinnen uit de normale kolonien werden ondergebracht. De ongehuwde strafkolonisten werden bij de bedelaar-kolonisten op zaal ondergebracht, maar wel apart geregistreerd. Op de binnenplaats werden daarna twee nieuwe langwerpige gebouwen opgericht: een spinnerij aan de vrouwenzijde en een weverij aan de mannenzijde. De strafkolonie wordt in bronnen ook veelvuldig de walkolonie of bankolonie genoemd. Walkolonie omdat het gebouw was opgericht op de wal naast het bedelaarsgesticht en bankolonie omdat de kolonisten verbannen waren uit de gewone kolonie.

De stichtingsgeschiedenis van de kolonie Ommerschans is door auteur Wil Schackmann prachtig beschreven in het boek "de bedelaarskolonie". Over de bevolking van de strafkolonie Ommerschans schreef hij het boek "de strafkolonie".

kinderkolonie en bedelaarskolonie Veenhuizen


In 1822 ontwikkelde Johannes van den Bosch ook het plan om weeskinderen uit het gehele land in gestichten onder te brengen. Hij koos hiervoor een onontgonnen terrein in de gemeente Norg, dat de naam Veenhuizen droeg. Hij sloot een contract met de overheid voor het plaatsen van 3.000 weeskinderen en liet in 1823 en 1824 drie gestichten bouwen. Deze waren anders van opzet dan Ommerschans: Ze waren slechts één verdieping hoog en de zalen waren aan de binnenzijde van het gesticht gelegen, terwijl er aan de buitenzijde van het gesticht rondom een groot aantal woningen waren gesitueerd voor de staf van de gestichten: voor een deel kolonisten gezinnen zoals in de gewone Koloniën.
De overheid trok vervolgens haar steun aan de weeshuizen in het gehele land in om daarmee te bewerkstelligen dat de wezen naar Drenthe zouden worden overgebracht. Dit leidde tot forse protesten in het land. Een groot aantal weeshuizen wist zich succesvol te verzetten tegen de maatregel, waardoor er veel minder weeskinderen naar Veenhuizen kwamen dan toegezegd. Tegelijkertijd was de toeloop van bedelaars naar Ommerschans veel groter dan voorzien. Daarop werd in 1824 het tweede gesticht te Veenhuizen -dat tot dan toe leeg had gestaan- herbestemd als bedelaarsgesticht. Op 23 mei 1825 vertrok het eerste transport bedelaars van Ommerschans naar Veenhuizen en vanaf dat moment zouden er tot aan de sluiting van Ommerschans in 1890 regelmatig van dit soort transporten plaats vinden.
Tot 1859, toen de bedelaarsgestichten Rijksgestichten werden, werden alle bedelaars ingeschreven in Ommerschans. Een deel van hen werd dan na enige tijd doorgestuurd naar Veenhuizen. Na 1859 werden bedelaars die veroordeeld werden in Leeuwarden, Groningen of Assen, meestal direct naar Veenhuizen gestuurd. De overige bedelaars werden ook toen altijd in Ommerschans ingeschreven.

De stichtingsgeschiedenis van Veenhuizen is door auteur Wil Schackmann prachtig beschreven in het boek "de kinderkolonie".

instituut Wateren


De Maatschappij van Weldadigheid was niet een unieke uitvinding van Johannes van den Bosch. Zo had Johannes ondermeer kennis genomen van de landbouw kolonie Hofwyl van Philipp Emanuel von Fellenberg in Zwitserland. Deze is in 1799 gesticht en hier werden kansarme mensen opgeleid tot een beter bestaan. Van den Bosch stuurde in 1819 een zekere Kornelius Mulder uit Groningen naar dit instituut om daar te worden opgegeleid. In 1821 reisde van den Bosch naar Zwitserland om het instituut te bezoeken en om de vorderingen van Mulder te bespreken. In 1823 stichtte van den Bosch het opleidingsinstituut Wateren (gemeente Diever) naar voorbeeld van Hofwyl en in 1824 werd Kornelius Mulder hier als instituteur (directeur-leraar) aangesteld. Het instituut bood plaats aan ca 70 kwekelingen. Dit waren met name talentvolle weeskinderen uit Veenhuizen en kolonistenzonen uit de gewone Koloniën. De jongens leerden hier een vak en velen vonden daarna een goede plaats in de normale maatschappij. Een aantal van hen werden als ambtenaar aangesteld binnen de Maatschappij van Weldadigheid. 

Een bekend succesverhaal is dat van de weesjongen Reinier van Nispen uit Den Haag, die in 1833 in Veenhuizen terecht kwam, vervolgens de kans kreeg opgeleid te worden te Wateren en die daarna als hoevenaar en tenslotte als onderdirecteur te Ommerschans aangesteld werd. Zijn levensverhaal loopt als rode draad door het boek "de kinderkolonie".

Een ander succesverhaal is dat van de weesjongen Nicolaas Hofman uit het Zeeuwse Tholen, die het uiteindelijk tot hoofdadministrateur aan Ommerschans bracht.

Geografie en voorgeschiedenis

Ligging van Ommerschans


Op onderstaande kaart, volgens het Rijksmuseum daterend uit 1826, zijn de bezittingen van de Maatschappij van Weldadigheid keurig weergegeven. Klik op de kaart om een pdf bestand te openen en alle details te zien.Hieronder de projectie van de voormalige kolonie Ommerschans in Google Maps.

Oorsprong van Ommerschans

De Ommerschans is gelegen in het oerdal van de rivier de Vecht, waar zich na de laatste ijstijd gedurende duizenden jaren een dik pakket hoogveen heeft afgezet. Even ten oosten van Ommerschans lag een stuifzandrug, die een natuurlijke barrière vormde voor de ontwikkeling van Hoogveen. Dit was een van de weinige plaatsen waar mensen een noord-zuid route door het veen konden vinden. Op de actuele hoogtekaart van Nederland is deze hoogte nog prachtig herkenbaar.

Onder in beeld ligt de buurtschap Witharen. Boven in beeld ligt de plaats Balkbrug, oost-west doorsneden door het kanaal de Dedemsvaart. Oostelijk van de hoogte (rechts) lag het meterdikke hoogveenpakket, dat zich uitstrekte tot diep in Duitsland. Westelijk van de hoogte (links) lag ook veen. Dit pakket was minder hoog maar zeker niet minder drassig. Het is in dit gebied dat ca 3.500 jaar geleden het ceremoniële zwaard van Ommerschans is geofferd. Het is de belangrijkste schat van Nederland uit de bronstijd.
Het zwaard heeft natuurlijk helemaal niets met het verdedigingswerk Ommerschans van doen, want dat werd pas laat in de tachtigjarige oorlog (ca 1625) opgeworpen door de Friezen en Groningers, als verdedigingswerk tegen de Spanjaarden. Het was in eerste aanleg een eenvoudig vierkant verdedigingswerk.

In de eerste Münsterse oorlog (1665) belette de Schans de doorgang van de troepen van de bisschop van Münster, Christoph Bernhard van Galen alias Bommen Berend, naar het noorden. Die troepen vonden daarna alsnog hun weg via de Lichtmis en Rouveen naar Drenthe. In het rampjaar 1672 was de overmacht van de Münsterse troepen zo groot dat de manschappen op Ommerschans aan het muiten sloegen, waarop de schans een gemakkelijke prooi was voor Bommen Berend.

Aan het eind van de 17e eeuw had de Ommerschans nauwelijks nog militaire betekenis en in 1715 is de Schans ontruimd.

In 1740 werd besloten de Ommerschans te vernieuwen en in te richten als Lands Magazijn: een versterkte opslagplaats voor munitie. Daarbij kreeg de Schans vier bastions, vier ravelijnen en een dubbele gracht. Het bijzondere aan Ommerschans na deze verbouwing is dat de oorspronkelijke vierkante gracht rond het binnenterrein -hoewel van geen nut voor de verdediging- bleef liggen. Men neemt aan dat dit is gedaan omdat het teveel moeite kostte om zand van elders aan te voeren om deze gracht te dempen.

 
Op bovenstaande kaart ligt het zuiden aan de bovenzijde!

In 1787 voerden de vrijkorpsen van de Patriotten uit Zwolle, Kampen en Vollenhove een succesvolle aanval uit op Ommerschans, waarbij de oranjegezinde bezetting werd verjaagd. Naar verluid was men een week lang druk om alle wapens in veertig wagens af te voeren.

Over de laatste commandant van Ommerschans, Jacobus Matthijsen van den Berg, is vrij veel bekend. Hij overleed in 1812 op de Schans en zijn weduwe woonde met haar gezin in de commandantswoning toen de Maatschappij van Weldadigheid het roer op de Schans over nam. Lees hier het volledige verhaal.


Op bovenstaande kaart heb ik de wallen die in 2016 zijn hersteld naar de situatie van 1750, in groen aangegeven.

bedelaarskolonie Ommerschans in kaart


De oudst bekende kaart van de kolonie Ommerschans is de oudste kadasterkaart, getekend omstreeks 1825. Hieronder uitvergroot het detail van de Ommerschans met het nieuwe gesticht.


Aan de zuidzijde van het gesticht (onderzijde) zijn drie gebouwen gebouwd. Het linkergebouw is de nieuwe straf- of walkolonie, daarnaast het schoolgebouw dat op zondag wordt gebruikt als kerk voor zowel de katholieken als de protestanten. Schuin rechts daaronder het hospitaal (het kruisvormige gebouw).


Op deze tekening uit 1826 zien we links de strafkolonie, daarnaast de school/kerk en helemaal rechts het hospitaal. Achter de strafkolonie en school zien we het gesticht met rechts daarnaast de woning van de adjunct-directeur.


Op deze aquarel uit ca 1826 een blik op het twee verdiepingen hoge gesticht. Links het hospitaal en recht vooruit de school/kerk en de strafkolonie. We zien de kolonisten uit het gesticht komen, over de brug, op weg naar het veld. Boven de zuidpoort van het gesticht staat het torentje met de luidklok, waarmee de kolonisten en de beambten door de dag worden gestuurd. De tekening van gemaakt vanaf het Zuid-Oost Bastion, dat in 1826 nog niet geslecht was.


In 1826 is ook van de noordzijde van het gesticht een tekening gemaakt. Links op het Noord-Oost Bastion staat de woning van de adjunct directeur. In het gesticht is de hoofdingang goed te zien. Ook de uitbouwen aan het gebouw zijn goed te zien. Het pand rechts is de hoeve van de onderdirecteur-buiten.

Hieronder nogmaals de kaart van 1830, maar dan transparant geprojecteerd op de kaart van 1815. We zien dat de breedte van de binnenste (vierkante) gracht is gehalveerd en dat de uitbouwen aan het gesticht op het gedempte deel van deze gracht zijn gebouwd. Deze uitbouwen zijn de woningen van de zaalopzieners en de secreten (toiletten).
Ook zien we dat de voormalige soldatenbarak, die in 1820 in gebruik is genomen als strafkolonie, nu in breedte is gehalveerd. Nu is hier waarschijnlijk de weverij gevestigd.


De volgende kadasterkaart is van 1860. We zien dat de buitenste gracht gedempt is, op het deel aan de oostzijde na. Ook de hoofdgracht is grotendeels gedempt. 

We zien  dat het gesticht een andere vorm heeft gekregen. Om dat duidelijk te maken heb ik de kaart van 1860 transparant op de kaart van 1830 geprojecteerd.

We zien dat de binnenafmeting van het gesticht ongewijzigd is gebleven, maar dat het gebouw "tweemaal zo dik" is geworden, waarbij de uitsteeksels veel kleiner zijn geworden en waarbij de buitenhoeken zijn afgeschuind. Deze verbouwing is uitgevoerd tussen oktober 1837 en juli 1838. Daarbij is de tweede verdieping van het gesticht verwijderd en om de capaciteit van het gebouw gelijk te houden is een ring van zalen om het bestaande gesticht gebouwd. De aanleiding voor deze verbouwing ligt in de storm die op 29 november 1836 een deel van het gesticht deed instorten.Tenslotte zien we de kadasterkaart van 1889. We zien dat het gesticht sinds 1860 geen grote veranderingen heeft ondergaan. Nadat het gesticht in 1890 is gesloten, is het nog een aantal jaren als kazerne gebruikt tijdens militaire oefeningen. Vanaf de eeuwwisseling is met de sloop van het gesticht begonnen en rond 1910 was het terrein "kaal"

In de volgende afbeelding heb ik de kaart van 1889 transparant geprojecteerd in Google Earth. Zo is goed te zien dat de huidige weg door Ommerschans "dwars door het gesticht" voert.

Op 7 april 2018 hebben ca 350 vrijwilligers een menselijk lint gevormd op de buitenomtrek van het voormalige bedelaarsgesticht Ommerschans. Hieronder een luchtfoto van dit evenement. De overeenkomst met de afbeelding hierboven is goed te zien. Linksboven op de foto is de gereconstrueerde wal uit de periode 1740-1820 te zien.


 

De organisatie van de Kolonie Ommerschans

Hieronder geef ik het organisatieschema weer van de kolonie Ommerschans tijdens het bewind van de Maatschappij van Weldadigheid (1819-1859). De adjunct-directeur van Ommerschans had collega's voor de gewone koloniën (Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord) en voor de gestichten in Veenhuizen.

Niet alle functies in dit schema zijn er de volledige periode geweest. Dit wordt verderop uitgelegd.

het management

De Maatschappij van Weldadigheid werd geleid door de Permanente Commissie (PC), die zetelde in 's Gravenhage. De directeur der Koloniën in Frederiksoord moest volledig verantwoording afleggen aan de PC. Hij nam wel zelfstandig besluiten, maar liep dan het risico dat die besluiten door de PC herroepen werden. Daarom legde hij de belangrijkste beslissingen als voorgenomen besluit voor aan de PC. Dat gaf dan wel een vertraging van twee of meer weken. De correspondentie tussen de directeur en de PC is voor een groot deel bewaard gebleven.

directie en inspectie

De eerste directeur der Koloniën was Benjamin van den Bosch, een jongere (en enige) broer van Johannes van den Bosch. Benjamin had niet de bevlogenheid van zijn broer en in 1822 vroeg en kreeg hij eervol ontslag als directeur. Hij werd opgevolgd door Wouter Visser, die daarvoor als eerste adjunct directeur te Ommerschans had gewerkt. Visser trouwde op 23 oktober 1823 in Vledder tegelijk met Johannes van den Bosch. Hun echtgenotes waren zussen. In 1829 vroeg en kreeg Visser ontslag als directeur. Hij werd opgevolgd door Jan van Konijnenburg, die deze functie uitoefende totdat de gestichten in 1859 door het Rijk werden overgenomen. Wouter Visser werd in 1829 aangesteld als inspecteur der Koloniën met als zetel 's Gravenhage. Hij reisde gemiddeld vier maal per jaar naar alle koloniën om deze grondig te inspecteren. De verslagen van die bezoeken zijn te vinden in de ingekomen stukken van de PC. Ook Visser bleef in functie tot 1859.

adjunct directeur

De eerste adjunct directeur op Ommerschans was Wouter Visser. Hij werd in 1819 aangesteld en boven onderdirecteur Fenner geplaatst. Na het vertrek van directeur Benjamin van den Bosch werd Wouter Visser in 1822 in diens plaats benoemd. Zijn opvolgers:

1822-1824 Georg Friedrich Wilhelm von Hoff, afkomstig van het Koloniaal Werfdepot in Harderwijk.

1824-1829 Jacob Vertraugoth Harloff, voorheen wijkmeester in Frederiksoord en onderdirecteur te Ommerschans. Harloff kreeg in 1829 ontslag vanwege een kastekort.

1829-1831 Paulus van der Wal, 1831 ontslagen wegens een groot tekort in de kas.

1831-1833 Kornelius Mulder. Mulder was protegé van Johannes van den Bosch, opgeleid in Zwitserland en daarna als eerste instituteur te Wateren aangesteld. Hij overleed na een kort ziekbed op eerste kerstdag 1833.

1833-1838 Adrianus de Geus. Deze moest het veld ruimen in 1838 wegens een tekort in kas.

1838-1861 Adrianus Cornelis Hulst, wiens broer Coenraad dezelfde functie bekleedde in Veenhuizen. De ongehuwde A.C. Hulst stond aan het roer van Ommerschans tot aan de overdracht naar het Rijk in 1859. Daarbij behield hij zijn positie als directeur tot aan zijn overlijden te Ommerschans op 23 november 1861.

1861-1876 Christiaan Jacobus van Ledden Hulsebosch

1876-1878 Jan Bosma

1878-1883 Willem Colenbrander

1883-1890 Cornelis Christoffel van den Bosch. Hij is geboren te Ommerschans als zoon van een hoevenaar. In 1855 is hij als fabrieksbaas in Veenhuizen aangesteld.

onderdirecteur binnen

De onderdirecteur binnen was verantwoordelijk voor de gang van zaken in het bedelaarsgesticht. Hij was na de adjunct directeur de belangrijkste in rang en daardoor ook de plaatsvervanger bij afwezigheid van de adjunct.
De eerste onderdirecteur binnen is Carl Franz Ludwig Fenner, gewezen luitenant, waarmee de Maatschappij het nodige te stellen kreeg. In 1819 werd hij als onderdirecteur aangesteld op de Schans. Hij nam zijn intrek in de voormalige commandeurswoning in het hart van de schans. Hij verkeerde in de veronderstelling dat hij de hoogste ambtenaar op de Schans zou zijn en was zwaar verontwaardigd toen enkele maanden later het "broekie" Wouter Visser als adjunct directeur werd aangesteld. Uiteindelijk liepen de aanvaringen met Fenner zodanig uit de hand dat hij in 1822 moest vertrekken. Zijn opvolgers:

1822-1824 Jacob Vertraugoth Harloff, voorheen wijkmeester in Frederiksoord. Hji werd in 1824 benoemd tot adjunct directeur. Lees zijn verhaal hieronder.
1826-1830 Jan Fredriks

1831-1834 Cornelis Wilhelmus Rensing

1834-1845 Jan Fredrik Krieger

1845-1847 Pieter van Roon

1847-1850 Sebastianus Tillemannus van Son

1850-1860 Gerardus Johannes van der Schroef

Ik heb de indruk dat de functie van onderdirecteur binnen in 1860 (toen Ommerschans een Rijksgesticht werd) is gecombineerd met die van adjunct-directeur. Deze bewering moet nog nader onderzocht worden.

zaalopzieners

De zaalopziener op Ommerschans was verantwoordelijk voor een groep bedelaarkolonisten. Voor de eerste lichtingen zaalopzieners werden echtparen gezocht, veelal met een aantal kinderen. Die kregen een tussen de zalen gelegen woning binnen het gesticht. In die woning was een ruime keuken gesitueerd, waar dagelijks voor alle onder hen gestelde kolonisten het eten werd bereid. Uitgangspunt was dat een zaalopziener het toezicht op vier zalen had met in totaal 160 kolonisten. Voor de huishoudelijke werkzaamheden -waaronder het bereiden van de maaltijden- werden daartoe geschikte kolonisten geselecteerd die dan onder toezicht van de zaalopziener en zijn vrouw hun werk uitvoerden.
We komen veel zaalopzieners tegen als aangever of getuigen in actes van geboortes of overlijdens met betrekking tot Ommerschans. Daarom is het van belang dat deze actes volledig worden ontsloten op alle er in voorkomende namen.
We komen regelmatig sterftegevallen tegen in de gezinnen van zaalopzieners. Als er een besmettelijke ziekte uit brak op de Schans dan liepen de opzieners even veel kans deze ziekte te krijgen als de kolonisten.

1820-1830 Philippus Ignatius Seijl. In 1818 aangesteld als onderopziener in de proefkolonie Frederiksoord. In 1820 aangesteld als opziener over de strafkolonie Ommerschans. In de boeken van Schackmann komt Seijl een aantal malen voor. Zo weten wij dat hij er niet voor terug dienst de kolonisten te straffen met zweepslagen.

1822-1844 Martinus Mensink

1822-1851 Johannes Wilhelm Muller

1822-1823 Gerrit van Kooten, overleden te Ommerschans 9 juni 1823

1822-1823 Gerrit Reemst

1822-1826 Joost Christiaan Evers

1822-1825 Jan Emmelot

1822-1824 Jan Honing Jr, zoon van fabrieksbaas Jan Honing Sr

1822-1824 Hermanus Honing, zoon van fabrieksbaas Jan Honing Sr

1823-1824 Jacobus de Roij

1823-1824 Justus David Fanners

1823-1824 Salomon Kast, overlijdt in functie op de Ommerschans op 7 januari 1824

1823-1826 Harmen Drees

1823-1834 Charles Louis Donninger

1823-1827 Theodorus van Midlum

1823-1825 Jan Gerard Wenniger

1824-1825 Quirinus van Esselbrugge

1825 Jan Christiaan Dollevoets

1826-1833 Johann Franz Philip Schnatz, in 1818 als ambtenarenvader aangesteld in de proefkolonie Frederiksoord, daar bevorderd tot onderopzichter en omstreeks 1826 aangesteld als zaalopziener te Ommerschans. Aldaar overleden op 18 april 1833

1826-1841 Franciscus Adam Kraemer, vanaf 1832 opziener in het hospitaal

1827-1830 Hendrik van Vianen, opziener in het hospitaal. In 1838 is hij opnieuw op de Schans, maar dit keer als bedelaar-kolonist.

1830-1831 Hendrik Kienast

1830-1832 Simon Wijshoven, in 1832 met gezin verplaatst naar de strafkolonie wegens opzettelijk gepleegde valsiteit en daardoor weten te bekomen van gelden, van af 1 December 1831 tot en met juni 1832, tot een bedrag van fl 174,=. Lees de notulen van de Raad van Tucht.

1831-1832 Jan Rutten

1832-1834 Hendrik Meewessen

1832-1833 Poulus Janssen, gepensioneerd commies, is later bedelaar-kolonist met zijn gezin

1832-1843 Adolph Daniel Otterbein, gepensioneerd officier. Hij wordt na 11 jaar ontslagen wegens openbare dronkenschap op een onhandig moment. Lees zijn verhaal hieronder.
1833-1835 Akkerman Bak

1833-1835 Sebastianus Tillemannus van Son, in 1835 overgeplaatst naar Veenhuizen, waar hij als magazijnmeester op het Eerste Gesticht wordt geplaatst. In 1847 komt hij terug naar Ommerschans als onderdirecteur binnen.

1834-1837 Antoon Joseph Bourlard

1834-1840 Jan Abraham Delfos

1835-1847 Klaas Reinders Blijstra

1837-1856 Johannes Borman

1842-1845 Jacob Steeling, is in 1839 begonnen als veteraan-veldwachter te Ommerschans. Wordt op 27 december 1841 aangesteld als opziener in het hospitaal in plaats van Franciscus Adamus Kraemer. Omstreeks 145 overgeplaatst naar Veenhuizen.

1846-1862 Dirk de Bruin, overleden in functie op de Ommerschans op 13 augustus 1862

1848-1867 Johannes Georgius Suring

1851-1858 Johannes Jacobus Scherjon

1854-1870 David Bierwolf, overleden in functie op de Ommerschans op 2 februari 1870

1854-1872 Hermannus Joannes Lakenberg, overleden in functie op de Ommerschans op 22 februari 1872

1854-1872 Johan Sebastiaan Muller, overleden in functie op de Ommerschans op 4 mei 1872

1860-1877 Hermannus ten Geuzendam

1863-1867 Johannes Wedewer, overleden in functie op de Ommerschans op 16 december 1867

1867-1869 Hendrikus Johannes Melchior Peters

1867-1883 Gerrit van den Ham

1869-1870 Frederik Koolhof

1870-1873 Lambert Giebels, overleden in functie op de Ommerschans op 3 april 1873

1870-1881 Francois Joseph Manuelle Lambour

 

onderdirecteur buiten

De onderdirecteur buiten, ook wel onderdirecteur voor den landbouw genaamd, was verantwoordelijk voor de handel en wandel in de landbouwkolonie Ommerschans. Hij gaf leiding aan de wijkmeesters en de hoevenaars, moest zorgen voor het ontginnen van gronden, het realiseren van de beoogde opbrengsten en het beheersen van de kosten. We vinden in de ingekomen stukken van de Permanente Commissie, beter bekend als de Post van Weldadigheid, talloze rapportages van de toestand in de landbouwkoloniën. De onderdirecteur buiten woonde in de hoeve direct ten noorden van de Ommerschans, vanaf 1838 was dat Hoeve nr 5.

De volgende functionarissen hebben deze functie bekleed.

1819-1833 Jan Ariens Bosscha. Lees hieronder zijn bewogen verhaal.
1833-1838 Alle Jans Wijkstra, hoevenaar en wijkmeester vanaf 1822. Na het ontslag van Bosscha benoemd tot onderdirecteur voor de landbouw. Kreeg zelf ontslag wegens een kastekort.

1838-1864 Pieter Cornelis Postema. Hij is in 1828 begonnen als wijkmeester te Veenhuizen, later onderdirecteur te Willemsoord en na het ontslag van Alle Jans Wijkstra onderdirecteur van den landbouw te Ommerschans. In 1859 hield hij -zoals de meeste beambten- zijn positie. Op 31 augustus 1864 is hij in het harnas gestorven. Lees hieronder zijn verhaal.

1864-1867 Jan Barteld Bersma

1867 Harm Gerrits Kuipers komt op 12 mei 1867 met zijn gezin uit Veenhuizen naar Hoeve nr 5. Hij wordt daar ingeschreven als directeur voor den landbouw. Maar reeds op 31 oktober 1867 komt zijn opvolger en verhuist Harm Kuipers naar een andere hoeve.

1864-1892 Reinier van Nispen. Hij is de "side kick" in het boek "de kinderkolonie" van Wil Schackmann. Hij is als weeskind in Veenhuizen beland, daarna als kwekeling in Wateren opgeleid, vervolgens als hoevenaar aan de slag gegaan in Ommerschans en Veenhuizen en tenslotte als onderdirecteur aan Ommerschans gewerkt. Hij was ook de beambte die als enige na 1890 nog te Ommerschans woonde om de zaken af te handelen. Je kunt zeggen dat van Nispen daar het licht heeft uit gedaan, om vervolgens met pensioen te gaan. Hij woonde de laatste jaren van zijn leven in Kampen, waar een zoon en een dochter gehuwd waren met kinderen van de koper- en blikslager Hendrik Berk, grondlegger van de BK pannenfabriek.

 

wijkmeesters


De wijkmeester is verantwoordelijk voor de gang van zaken op een aantal hoeves. In Ommerschans zijn maximaal 21 hoeves geweest, verdeeld over 4 wijkmeesters.
De wijkmeester was tevens hoevenaar: hij moest dus ook zelf een hoeve leiden en had daarbij natuurlijk een voorbeeldfunctie.

1822-1838 Lammert van Blanken. Hij is gehuwd met de weduwe van den Berg, de vrouw van de laatste commandant van de verdedigingsschans Ommerschans. Zij woonden in de commandantswoning toen de Maatschappij van Weldadigheid in 1819 het roer op de Schans overnam. Lambert kwam in 1819 in dienst van de Maatschappij en werd in 1822 aangesteld als hoevenaar en wijkmeester. In 1838 werd hij ontslagen wegens onregelmatigheden. Lees hieronder het verhaal over dit bijzondere gezin.
1822-1828 Nicolaas Ketelaar

1823-1864 Evert Libbes van der Woude. Eén van de langstzittende beambten te Ommerschans. Overlijdt in functie op 2 februari 1864.

1828-1854 Meine Jacobs van der Heide 

1854-1859 Matthijs  van den Berg. Hij is de stiefzoon van Lammert van Blanken en de schoonzoon van Meine van der Heide. Na het ontslag van van der Heide in 1854 kreeg Matthijs de positie van zijn schoonvader.

1858-1888 Lammert Willems Heidema. Hij is een zwager van Cato Braxhoofden, hoofdpersoon in het boek "het Pauperparadijs" van Suzanna Jansen. Haar moeder, Lammert's schoonmoeder, Christina Koene, overleed in 1874 bij het gezin Heidema in hoeve nr 11. Lees ook onderstaand verhaal.

hoevenaars


In 1822 zijn tegelijk met de bouw van het gesticht ook de eerste zes hoeves gebouwd. Lees het onderstaande verhaal.
De hoevenaars en wijkmeesters van Ommerschans zijn in de Maatschappijtijd (tot 1859) geregistreerd in de zogenaamde hoevenaar registers. Deze staan bij ons allemaal online. Vanaf 1860 vinden we de hoevenaars in de bevolkingsregisters van Ommerschans. Ook deze staan online. De meeste hoevenaars werden gerecruteerd onder de kolonisten van de gewone koloniën (Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord). Voor hen was de overgang naar Ommerschans een promotie: ze kregen een betere beloning en meer verantwoordelijkheid en de daaraan verbonden vrijheden.

Het voert te ver om alle hoevenaars in dit verhaal ten tonele te voeren, temeer daar ze in de registers te vinden zijn. We werken nog aan een volledige reconstructie van de hoevenaars, gekoppeld aan de locaties van de hoeves. Complicaties daarbij zijn dat in 1838 de hoeves hernummerd zijn en dat verhuizingen niet altijd consequent zijn bijgehouden.

Over een aantal hoevenaars heb ik inmiddels verhalen geschreven. Een voorbeeld is het verhaal over Klaas Pieters Dijkstra.Een ander voorbeeld gaat over hoevenaar Hermannus Haverkate uit Haaksbergen, de stamvader van alle Haverkorten en Haverkottes in Nederland.
Dan is er het verhaal over hoevenaar Gabriel Wibier uit Bergen-Henegouwen, de stamvader van alle Wibiers in Nederland.
Buitengewoon tragisch is het verhaal over hoevenaar Nicolaas Hogenberk. In 1889, het voorlaatste jaar van de kolonie Ommerschans, werd zijn dochter Zientje vermoord door een verpleegde van Ommerschans. Dit schokkende voorval zal zeker hebben bijgedragen aan de blijvende negatieve beeldvorming over de kolonie Ommerschans. 

veldwachters


Over de bewaking op Ommerschans moet nog veel worden uitgezocht. Dit aspect was bij de stichting van de kolonie duidelijk onderschat. De gestichts veldwachter Jan Blatter kon de bewaking in z'n eentje duidelijk niet aan en al snel werden er -net als in Veenhuizen- veteraan-veldwachters op Ommerschans aangesteld, die werden bijgestaan door kolonist-veldwachters; kolonisten die hielpen om medekolonisten te bewaken. Rond de kolonie Ommerschans werden een 25-tal hutten gebouwd voor deze veldwachters. In de Rijks-tijd werden deze hutten vervangen door degelijke woningen, de zogenaamde limiet-huisjes, met een kenmerkend uiterlijk. De ramen in de woning waren zo geplaatst dat men vanuit elk huisje vrij zicht had op het volgende huisje. Van deze huisjes staat er thans nog één in Balkbrug.

Er zijn registers van veteraan veldwachters aangelegd. Die worden t.z.t. ontsloten op bonmama.nl. In de actes van de Burgerlijke Stand komen veelvuldig veldwachters voor. Op de zoekpagina kan op beroep worden gezocht.

Over de eerste veldwachter, Jan Blatter, is veel bekend. Lees hier zijn verhaal.
In veel van de verhalen van Ommerschans figureren veldwachters. Zie ook hieronder onder Raad van Tucht.

Bijzonder is het verhaal over een uitbraakpoging op 24 juli 1839, waarbij een kolonist is doodgeschoten. Hier komt een vraagstuk aan bod dat ook heden ten dage actueel is: de geweldsinstructie. In de Ommerschans was die indertijd volkomen onduidelijk!

overige beambten
 

onderdirecteur voor den fabrieksarbeid (fabrieksbaas)


1822-1825 Jan Honing Sr

1859-1885 Pieter Moll

1885-1890 Johannes Willem Lambour

boekhouder


1820-1832 Johannes Berardus Greven

1823-1824 Antonius Marinus Heystek

1825-1827 Johannes Machiels

1825-1830 Arnold Heinrich Vormann. Hij overlijdt in functie op de Ommerschans op 22 juni 1830

1826-1828 Pieter van Roon, later van 1845-1847 onderdirecteur-binnen

1828-1851 Johannes Hendrikus Stous. Hij overlijdt in functie op de Ommerschans op 28 augustus 1851

1831-1832 Jan Bartels Bosma. Jaren later, van 1876 tot 1878, zal hij adjunct-directeur te Ommerschans zijn.

1836-1868 Nicolaas Hofman. In 1833 onderdirecteur en boekhouder op het instituut te Wateren. In 1836 als onderadministrateur naar Ommerschans. In 1851 wordt hij hoofd administrateur. Hij overlijdt in functie op 16 juni 1868. Lees hieronder zijn verhaal.

1841-1844 Martinus Vink, schrijver der fabriek. In 1844 vertrekt hij naar Wateren, als onderdirecteur en boekhouder.

1851-1859 Cornelis Postema (assistent boekhouder). Hij is een zoon van de onderdirecteur van Ommerschans. In 1859 maakt hij promotie: hij wordt boekhouder aan het tweede gesticht te Veenhuizen.

1877-1886 Karel Willem Haarman

timmermans- en wagenmakersbaas


1825-1834 Geert Rutgers

1835-1845 Luitje Jans Stobbe, tevens opzigter der gebouwen. Overlijdt te Ommerschans op 11 augustus 1845

1845-1855 Geert Jager

1855-1886 Andries Esveld, lees zijn verhaal hieronder.

 

smidsbaas


1832-1872 Jacobus Slot, overleden te Ommerschans op 18 juli 1872. Lees hier zijn verhaal.

klompenmakersbaas


1835-1837 Gerrit Schierbeek

1839-1876 Christoffel Geis


kuipersbaas


1840-1845 Jan Runhart, hij is later bedelaar-kolonist en overlijdt te Ommerschans op 26 februari 1852

 

magazijnmeester


1823- 1826 Sebastiaan Giesse

1829-1847 Klaas Koster, daarna vertrokken naar Veenhuizen, 3e gesticht

1847-1849 Gerardus Johannes van der Schroef

1847-1863 Francois Koster

1863-1867 Klaas Reinders Blijstra

1868-1870 Francois Joseph Manuelle Lambour

1870 David Jona

1870-1890 Nicolaas Frederik Gelton


winkelhouder


1824 Johannes Wilhelmus van der Gort (provisiemeester)

1825-1830 Jurrien Jurgens

1866-1872 Francois Koster, overleden te Ommerschans 14 januari 1872
 

Schoolmeester


1823-1875 Haijo Hoogstra. Hij is de langstzittende beambte aan de Ommerschans, vanaf de stichting van het bedelaarsgesticht tot na 1870, het jaar waarop vrouwen en kleine kinderen van het gesticht gebannen werden. Tot de opheffing van de strafkolonie in 1859 is hij naast onderwijzer tevens opziener van de strafkolonie. In die hoedanigheid figureert hij veelvuldig in het boek "de Strafkolonie". Lees vooral ook onderstaand verhaal waarin Hoogstra onder vuur ligt.

 

Genees- Heel en Vroedmeester


1822-1823 Frederikus Lipholt

1823-1824 Anthonie Felix Simon Swart

1824-1826 Douwe Petrus van Steenwijk

1826-1828 Dirk Rutger Hanzon

1829-1832 Andries Landskroon

1832-1833 Theodorus Anderegg

1833-1843 Samuel de Goede

1843-1879 Augustinus Antonius Hubertus Hamer. Autoriteit, niet alleen in de Maatschappij van Weldadigheid, maar ook als voorvechter van de koepok inentingen in Nederland. Lees hier zijn verhaal.

1883-1887 Eduard Rienk Damste

1888-1889 Pieter Beijers


apotheker


1862-1873 Wilhelmus van Brederode

1874-1876 Samuel Viruly

1876-1877 Jan Gerrit Boekenoogen

1877-1880 Willem Adrianus de Vroom

1880-1888 Leendert Bolle de Bruijne. Lees hier zijn verhaal.

geestelijke zorg


De Maatschappij van Weldadigheid was een seculiere organisatie. Ik heb nergens sporen gevonden van een voorkeur voor een bepaalde denominatie. De gezindtes van de beambten lijken op het eerste gezicht een goede afspiegeling van de samenleving.
In de eerste jaren van Ommerschans was de mogelijkheid voor kerkgang niet geregeld. In het nieuwe gesticht is in 1823 één van de dertig zalen ingericht voor de protestantse eredienst, terwijl de R.C. eredienst in de spinzaal werd gehouden. Nadat in 1824 een nieuw schoolgebouw is gebouwd op de zuidwal naast de strafkolonie, is dit gebouw tevens bestemd voor zowel de protestantse als de katholieke eredienst. Dat gezamenlijke gebruik, waarbij tussen de diensten door de zaal moest worden omgebouwd, was een voortdurende bron van twist tussen de predikant en de pastoor en hun beider volgelingen. Deze ellende sleepte zich bijna 25 jaar voort, totdat de protestanten in 1847 een eigen kerkgebouw kregen. De katholieken kregen pas in 1869 toestemming om een eigen kerk te bouwen. Die kerk heeft er slechts 20 jaar gestaan. Kort na de sluiting van het gesticht in 1890 is ze al weer afgebroken.
Over de geestelijke verzorging voor de joodse kolonisten, die we regelmatig in de inschrijvingsregisters tegen komen, heb ik tot nu toe niets kunnen vinden. Dit in tegenstelling tot Veenhuizen, waar in 1838 een synagoge is gebouwd.
 

Protestanten


1821-1831 Hoseas Gerhardus Meiling Amshoff, predikant van de Nederlands Hervormde gemeente van Oud Avereest

1832-1836 Pieter Eliza Karel van Nes

1836-1837 Antoni Hissink (waarnemend, predikant van Dedemsvaart)

1837-1882 Andries Campagne. Lees onderstaand verhaal.1883-1890 Nanne Sierts Kapper


Rooms Katholieken


1824-1826 Arnoldus Boers

1826-1835 Antonius Tempelman

1835-1841 Herman Maas

1841-1843 Antonius Lammers

1843-1846 Andreas Ignatius Schaepman, de latere aartsbisschop van Utrecht

1846-1849 Wilhelmus Legebeke

1849-1855 Bernardus Roberink

1855-1857 J. Wagelaar

1857-1864 Joannes Sletering

1864-1871 Wilhelmus Veeling-Smale. Hij beijverde zich voor de stichting van een eigen kerk met pastorie, waarvoor in 1869 de toestemming kwam.
1871-1882 Jacobus Hermanus Huizen

1882-1889 Gijsbertus Franciscus Hollen

1889-1890 B. Mulder

Orde handhaving en ontslag 

Desertie


Spoedig nadat de eerste kolonisten op Ommerschans zijn gehuisvest, zijn de eersten er in geslaagd de Schans te ontvluchten. In de termen van de Maatschappij -een op militaire leest geschoeide organisatie- werd dit desertie genoemd. Als een kolonist op de vlucht -of later- werd opgepakt en terug gebracht dan werd hij naar willekeur gestraft, bijvoorbeeld door middel van zweepslagen.

Als een kolonist deserteerde dan werd dat in het inschrijvingsregister vastgelegd. Als de deserteur binnen drie maanden werd terug gebracht, dan werd dit in het register vastgelegd en dan behield de kolonist zijn/haar hoofdelijk nummer. Als de deserteur na drie maanden niet terug was, dan werd ie "geroyeerd" (alsof ie lid van een vereniging was). Als ie daarna alsnog terug werd gebracht dan werd een nieuw hoofdelijk nummer toegekend.

In het volgende verhaal zien we dat sommige kolonisten onverbeterlijk zijn en telkens opnieuw proberen weg te komen. Dan wordt er hardop nagedacht over creatieve straffen.

Raad van Tucht


In 1829 heeft de Permanente Commissie de reglementen van Tucht en Orde voor de koloniën vastgesteld, waarin de strafmaat voor de verschillende vergrijpen -waaronder desertie- zijn vastgelegd. Daarbij is op Ommerschans ook de Raad van Tucht en Policie geïnstalleerd. Voorzitter was de adjunct-directeur, verder namen de drie onderdirecteuren plaats in de Raad, alsmede een drietal zaalopzieners, die rouleerden.

De notulen van de Raad van Tucht van Ommerschans zijn over de periode 1829-1844 grotendeels bewaard gebleven. Wij hebben ze gedigitaliseerd en op bonmama.nl worden ze toegankelijk gemaakt. Deze verslagen zijn van onschatbare waarde voor het inkleuren van het reilen en zeilen op de Ommerschans. Niet alleen geven ze een inkijkje in het soort van vergrijpen en de toegepaste strafmaat. Ze maken ook een structuur zichtbaar die verder nergens gedocumenteerd is: veel kolonisten kregen een specifieke taak op Ommerschans. Ze werden stalknecht of voerman bij een hoevenaar, hulp in de keuken bij een zaalopziener, portier bij het hospitaal, hulp in de apotheek of zelfs kolonist-veldwachter. Aan die baantjes waren vanzelfsprekend privileges verbonden. Als zo'n kolonist dan voor de Raad van Tucht moest verschijnen (waarbij ie per definitie schuldig bevonden werd), dan kreeg ie niet alleen de straf volgens het Reglement van Tucht; hij/zij raakte ook het baantje kwijt. Die straf was meestal groter dan een weekje water en brood.

Het volgende verhaal geeft een inkijkje in de Raad van Tucht.
Een vergrijp dat regelmatig aan bod komt in de Raad, is drankmisbruik.
We komen ook vermakelijke zaken tegen, zoals die tegen de koloniste  Maaijke Hommes de Groot, die erwtensoep, bestemd voor de zieken in het hospitaal, aan het varken van zaalopziener Kraemer zou hebben gevoerd.
Of de zaak tegen het heethoofd kolonist Johann Joachim Friedrich Berner. Hij heeft uit woede zijn klompen stuk geslagen en verweert in de Raad door te stellen dat die klompen van slechte kwaliteit waren.
Af en toe hebben kolonisten het lef zich te beklagen over beambten. Zie bijvoorbeeld het volgende verhaal.
In bovenstaand verhaal komt het beschuldigde zaalopzieners echtpaar Mulder er nog goed mee weg. Maar een jaar later liggen ze nogmaals onder vuur. Het blijkt dat ze geld van bedelaar-kolonisten in eigen zak steken.

Een ander onderwerp dat in de Raad van Tucht aan de orde komt, is "onzeedigen omgang". Meestal worden vrouwen gestraft die ongehuwd zwanger zijn geworden. Maar soms maken de mannen het werkelijk te bont. Lees het volgende verhaal over de ingedeelde wees Johannes Petrus van Keulen die met drie vrouwen omgang had en er twee zwanger maakte.
 

ontslag uit de bedelaarskolonie


In de ontslagregels voor de bedelaarsgestichten in Ommerschans en Veenhuizen herkennen we het uitgangspunt van de Maatschappij van Weldadigheid: we voeden de kolonisten op tot betere mensen die in de maatschappij hun eigen kost gaan verdienen. Als een bedelaar er aan gewend is te kunnen overleven door zijn/haar hand op te houden, dan moeten we hem/haar (opnieuw) leren te werken. En dus kom je alleen uit de Schans als je hebt bewezen dat je kunt werken.

De oorspronkelijke voorwaarden om voor ontslag in aanmerking te komen, luiden als volgt: Elke bedelaar moet minimaal 1 gulden en 27 cent per week verdienen. Wat ie daar voor moet doen hangt af van waar hij of zij wordt ingezet. Maar ga er maar van uit dat je daarvoor 6 dagen flink moet aanpakken. Van dat bedrag wordt 91 cent ingehouden voor kost en inwoning en wordt voor 36 cent aan winkelkaartjes uitgekeerd, waarmee eten of spullen kunnen worden gekocht in de koloniewinkel. Die winkelkaartjes zijn tegoedbonnen met bedragen in guldens (zeg maar centen), waarmee je buiten de muren van Ommerschans niets kunt beginnen. 

Als een kolonist meer verdient dan het minimum, dan wordt het meerdere in 3 gelijke porties verdeeld: 1/3 wordt uitgekeerd in extra winkelkaartjes, 1/3 gaat naar de Maatschappij en 1/3 wordt genoteerd als krediet. De kolonist moet 25 gulden aan krediet hebben om ontslag te mogen aanvragen en krijgt dan bij vertrek zijn krediet uitbetaald in echt geld.

De ontslagen werden in de eerste decennia meest groepsgewijs uitgevoerd. Lees het volgende verhaal.
De ontslagregels zijn in later jaren regelmatig aangepast en dan vooral versoepeld.

Veelvuldig zien we bedelaar-kolonisten een paar maanden na hun ontslag terugkeren op de Schans. Dan was die 25 gulden verbrast en kon het verhaal van voor af aan beginnen. Zodra we de inschrijvingsregisters systematisch ontsloten hebben kunnen we de recidive in harde percentages uitdrukken.

Na 1859 werden bedelaars op basis van een veroordeling voor bepaalde tijd in Ommerschans gebracht en was het ontslag niet meer afhankelijk van verdienste. 


Archiefvormers (bronnen)


primaire bronnen

De volgende primaire bronnen met gegevens over de bedelaarskolonie Ommerschans zijn online te vinden:

geboortes gemeenten Stad Ommen, Ambt Ommen en Avereest op bonmama.nl, gelinkt aan scans op familysearch.org

huwelijken gemeenten Stad Ommen, Ambt Ommen en Avereest op bonmama.nl, gelinkt aan scans op familysearch.org

overlijdens gemeenten Stad Ommen, Ambt Ommen en Avereest op bonmama.nl, gelinkt aan scans op familysearch.org

R.K. dopen Ommerschans 1824-1868 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-ZlHCO_0337_15/16

ingekomen post van de Permanente Commissie der Maatschappij van Weldadigheid 1818-1847 op bonmama.nl, gelinkt aan scans op alledrenten.nl, NL-AsnDA_0186_0048 t/m 0186_0347

registers strafkolonie Ommerschans 1823-1859 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1442/1543/1580/1584/1585/1586

bedelaars inschrijfregisters Ommerschans en Veenhuizen 1822-1828 op bonmama.nl, gelinkt aan scans op alledrenten.nl, NL-AsnDA_0137.01_422/423/424

bedelaars inschrijfregisters Ommerschans en Veenhuizen 1828-1865 op bonmama.nl, gelinkt aan scans op alledrenten.nl, NL-AsnDA_0137.01_425 t/m 0137.01_442

bedelaars inschrijfregisters Ommerschans en Veenhuizen 1865-1890 op bonmama.nl, gelinkt aan scans op alledrenten.nl, NL-AsnDA_0137.01_447 t/m 0137.01_464

schaduw bedelaars inschrijfregister Ommerschans en Veenhuizen 1822-1825 op bonmama.nl, gelinkt aan scans op alledrenten.nl, NL-AsnDA_0186_1443

schaduw bedelaars inschrijfregister Ommerschans en Veenhuizen 1825-1828 op bonmama.nl, gelinkt aan scans op alledrenten.nl, NL-AsnDA_0186_1445/1445

hoevenaarsregister Ommerschans 1822-1827 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1579

hoevenaarsregister Ommerschans 1825-1831 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1580

hoevenaarsregister Ommerschans 1832-1835 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1584

hoevenaarsregister Ommerschans 1836-1847 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1582

hoevenaarsregister Ommerschans 1848-1859 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1583

Raad van Tucht Ommerschans 1829-1844 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-AsnDA_0186_1623

Ambtenarengezinnen Ommerschans 1840 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-OmnGA_0501_061

Ambtenarengezinnen Ommerschans 1850 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-OmnGA_0501_061

Ambtenarengezinnen Ommerschans 1860-1869 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-OmnGA_0501_061

Ambtenarengezinnen Ommerschans 1870-1879 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-OmnGA_0501_061

Ambtenarengezinnen Ommerschans 1880-1889 op bonmama.nl, inclusief scans, NL-OmnGA_0501_061


bronbewerkingen


Alle hierboven genoemde bronnen zijn voorzien van databases op bonmama.nl, waarin persoonsnamen gekoppeld worden aan de Genalogische Database Avereest door middel van het het Historisch Burger Service Nummer. Daardoor zijn bij elke persoon in de database de bronnen waarin hij/zij gevonden en gekoppeld is, chronologisch weergegeven, waardoor er automatisch een timeline ontstaat. Er kan direct naar de juiste plaats in deze bronnen worden gesprongen.

 

Zoeken naar Personen

Zoek direct door de databases op bonmama.nl

klik hieronder voor een uitgebreide zoekinstructie met toelichting.

Reacties

Onderdeel van het thema: